Verdrag Nederlands-Indië en Lombok (7 juni 1843)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het Verdrag tussen Nederlands-Indië en Lombok van 7 juni 1843 is de overeenkomst tussen de resident van Bali en Lombok Hendrik Jacob Huskus Koopman, als gevolmachtigd commissaris van het Nederlandsch-Indisch gouvernement, en Zijne Hoogheid Gusti Ngurah Ketut Karangasam (oude spelling Gustie Ngoerah Ketoet Karang Asem), vorst van Mataram, alleenheerser over het eiland Lombok (vorstendom Salaparang) en onderhorigheden.

Art. 1.

Ik Gustie Ngoerah Ketoet Karang Assam, vorst van Mataram, thans alleenheerscher over het eiland Salaparang (Lombok) en onderhoorigheden, handelende zoo voor mij zelf als mijne opvolgers, verklaar dat eiland te zijn het eigendom van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement.

Art. 2.

Daarom beloof ik, vorst, het bovengenoemde eiland, dan wel eenig gedeelte van hetzelve, nimmer aan eenige blanke natie, hoe ook genaamd, te zullen overgeven, noch met dezelve eenige verbindtenis te zullen aangaan.

Art. 3.

Om de drie jaren zal door mij, vorst van Salaparang (Lombok), en mijne opvolgers een gezantschap naar Batavia worden gezonden, om hulde te bewijzen aan Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal, als vertegenwoordiger van Zijne Majesteit den Koning. Een dergelijk gezantschap zal voor de eerste maal in dit loopende jaar 1843 worden afgevaardigd. Deze gezantschappen zullen gedurende hun verblijf op Java steeds op kosten van het Gouvernement onderhouden worden en deszelfs bijzondere bescherming genieten.

Art. 4.

Wanneer het Gouvernement nu en dan mogt goedvinden, om eene of andere oorzaak, een ambtenaar naar Salaparang (Lombok) te zenden, zal deze aldaar dezelfde voorrechten genieten, als in het voorgaande artikel aan de Salaparangsche gezanten zijn verzekerd geworden.

Art. 5.

De kommissaris en de vorst voornoemd, nog overwegende de noodzakelijkheid, dat een einde worde gemaakt aan het oumenschelijk gebruik op Salaparang (Lombok) bestaande en onder den naam van Tawang-Karang (klipregt) bekend, ten gevolge waarvan schepen en vaartuigen op de kusten van dat eiland strandende, met derzelver ladingen ophouden het eigendom der opvarenden te zijn, welke laatsten nog daarenboven aan de grootste mishandelingen zijn blootgesteld, hebben onderling goedgevonden daaromtrent vast te stellen als volgt:

a. De vorst Gustie Ngoerah Ketoet Karang Assam velmeld, doet bij deze, in opvolging van het verlangen van het voorschreven Gouvernement, voor altoos en onherroepelijk afstand van het regt, bekend onder den naam van Tawang Karang (kliprecht) zooals hetzelve hierboven is omschreven.

b. Als een gevolg daarvan belooft hij, vorst, dat van nu voortaan aan alle schepen en vaartuigen, die ongelukkig genoeg mogten zijn om op de kusten der landen, onder zijn gebied gelegen, te stranden, mitsgaders aan derzelver opvarenden alle mogelijke hulp en bijstand zal verleend worden, zooals zulks in alle landen, onder het Nederlandsch-Indisch gebied staande, wordt in acht genomen.

c. Voor het redden van goederen zal worden te goed gedaan een bergloon van vijftien ten honderd als minimum en vijftig ten honderd als maximum van de waarde der geredde goederen.

Het minimum van vijftien ten honderd zal alleen worden aangenomen voor goederen welker bewaring met slechts geringe moeite en zonder gevaar is vergezeld geweest. Daarentegen zal vijftig ten honderd moeten worden toegestaan, wanneer bij voorbeeld gezonkene zaken van den grond zijn opgedoken en dat daarmede werkelijk levensgevaar of zware onkosten zijn gepaard gegaan. Voorts zal de hoe grootheid van het bergloon in elk geval naar den bovenaan gegeven maatstaf, altijd in aanmerking nemende het meerdere of mindere levensgevaar en de meerdere of mindere moeite en kosten, waarmede de redding der goederen is bewerkstelligd geworden, door eene kommissie van arbitrage worden uitgewezen. Deze kommissie zal bestaan uit:

een lid van wege het Nederlandsch-Indisch Gouvernement; een lid van wege den vorst van Salaparang (Lombok), en een lid van wege het gestrande schip.

"Wordende bij deze voorloopig tot lid van wege het Nederlandsch-Indisch Gouvernement gekozen de heer George Pocock King, koopman, thans te Ampanan woonachtig.

Art. 6.

De vorst belooft wijders dat aan den handel in het algemeen de ijverigste bescherming zal worden geschonken.

Art. 7.

Het Nederlandsch-Indisch Gouvernement verklaart, dat zoolang de vorsten van Salaparang (Lombok) het vorenstaande getrouwelijk nakomen, geenerlei pogingen door hetzelve zullen worden aangewend om zich op dat eiland neder te zetten, dan wel zich met het inwendig bestuur aldaar te bemoeijen, welk bestuur integendeel bij deze geheel aan den vorst des lands wordt overgelaten. Aldus gedaan in bet paleis te Mataram op het eiland Salaparang (Lombok), op heden den zevenden Junij des jaars een duizend acht honderd drie en veertig.


(w. g.) H. J. HUSKUS KOOPMAN.

Ter ordonnantie van den kommissaris voor de eilanden Bali en Lombok. De ambtenaar aan deselven toegevoegd,


(w. g.) W. H. BROUWER.

De vorenstaande in de Balische taal geschreven handteekening zijn die van den regeerenden vorst Gustie Ngoerah Ketoet Karang Assam. Deszelfs jongeren broeder en vermoedelijken troonsopvolger, Gustie Gedee Karang Assam, en

Rijksgrooten

Gustie Gedee Wanasarie
Dewa Anom
Gustie Gedee Rai
Gustie Ninga Pagoejangan
Gustie Njoman Tankaban.

Mij bekend,

De ambtenaar toegevoegd aan den kommissaris voor de eilanden Bali en Lombok,

(w. g.) W. H. BROUWER.

Ik ondergeteekende verklaar bij de sluiting van dit contract tegenwoordig geweest te zijn en de mij daarbij opgedragen betrekking van lid der kommissie van arbitrage eerbiedig te aanvaarden. Dag en plaats als boven.

(io. g.) G. P. KIXG.

Het tegenwoordig contract is bekrachtigd op den 28sten Augustus des jaars een duizend acht honderd drie en veertig, echter slechts onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de bedoeling van deszelfs zesde artikel wordt verstaan te zijn als volgt, te weten: dat de vorst, wanneer Nederlandsche onderdanen zich op het eiland Salaparang ten handel mogten willen nederzetten, dezelve aldaar zal toelaten en hun vergunnen om zich onder Nederlandsche vlag zoodanig in te rigten, dat zij zich in hunne woningen veilig kunnen achten.


De Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië,


(w.g.) P. MERKUS


Ter ordonnantie van Zijne Excellentie,


(w.g.) C. VISSCHER


Voor eensluidend afschrift, De Algemeene Secretaris,


(get.) C. VISSCHER


Voor eensluidend afschrift,

De Secretaris-Generaal bij het Departement van Koloniën:


A. E. ELIAS


Bron: Handelingen Eerste Kamer van 8 juni 1894, p. 21