Album der Natuur/1859/Vijanden van den walvisch

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De vijanden van den walvisch (1859) door Tiberius Cornelis Winkler
'De vijanden van den walvisch,' werd gepubliceerd in Album der Natuur (achtste jaargang (1859), pp. 63-64. Dit werk is in het publieke domein.
[ 63 ]

DE VIJANDEN VAN DEN WALVISCH.

 

 

Eene menigte dieren, groot en klein, vervolgen den reus der wateren en verbitteren hem het leven. Zwaardvisschen (Xiphias gladius) en verschillende haaijen, vooral Carcharias vulpes, vallen hem dikwijls [ 64 ]in gezelschap en bij troepen op het lijf. Zoodra hij den rug boven water uitsteekt, springen de laatstgenoemden eenige ellen hoog uit het water op, vallen op hem neder en geven hem zulke krachtige slagen met hunne lange staarten, dat men het geweervuur van een tirailleur-gevecht meent te hooren. Ondertusschen verwonden en doorboren de zwaardvisschen hem den buik, en ten laatste, na een gevecht van verscheidene uren, moet het van alle kanten aangevallene dier, al geeselt het zoo veel mogelijk met zijnen staart om zich heen, toch bezwijken voor de aanhoudende aanvallen van den hongerigen zwerm. Ook de groenlandsche haai (Squalus borealis) is een der bitterste vijanden van den walvisch, hij rijt hem, in eenen beet, stukken spek uit het lijf zoo groot als een menschenhoofd. En als de ijsbeeren de gelegenheid daartoe gunstig zien, verzuimen zij ook niet om troepswijze het arme dier te bespringen.

Maar behalve aan die voor zijn leven gevaarlijke aanvallen, staat hij ook nog bloot aan de onophoudelijke kwelling en plagerijen van een heerleger van kleinere dieren, die zich zoo schijnen te wreken over de groote slagting, die de walvisch onder hunne broederen, de Clioos, aanrigt. De walvischluis (Oniscus ceti, L.) haakt zich bij duizenden aan hem vast en bijt in zijnen rug om, zoodat het schijnt alsof een roofdier er geheele stukken uit gescheurd had. In den zomer, als die plaag voor hem het ergste is, ziet men dikwijls groote scharen zeemeeuwen den walvisch vergezellen; zoodra hij den rug boven water uitsteekt, vallen zij op hem neder om die parasiten van een duim lang te verslinden. Hierdoor bewijzen zij hem ongetwijfeld eene groote weldaad, maar het pikken met den scherpen snavel in de gewonde huid zal ook niet eene zeer aangename gewaarwording verschaffen. Ook zeeëgels en zeesterren bedekken hem soms in zulk eene menigte, dat zijne zwarte huid er witgevlekt uitziet, en zijn groote kop is niet zelden zoo met zeewieren begroeid, dat het een bosch wordt, waarin krabben en kreeften rondkruipen.

Wr.