Anoniem/Dada/Haagsche Kunstkring

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dada
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 11 januari 1923
Titel Dada. Haagsche Kunstkring
Krant Het Vaderland
Jg 54
Editie, pg Ochtendblad, [1]
Opmerkingen Bevat citaten van Tristan Tzara, Theo van Doesburg en Kurt Schwitters; Nelly van Moorsel vermeld als ‘de dame’
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

DADA.


Haagsche Kunstkring.


      Eerst kon je een dadaïstisch bedrukt programma koopen. Daarop stond o.a.: Dada existe depuis toujours. Tous les matins j’enfile mes bottines. Dada est contre le futus. Dada est mort. Vive Dada!
      De heer Theo van Doesburg liet het licht uitdraaien en opende de bijeenkomst. Hij verklaarde zich onschuldig aan het Dadaïsme. En behandelde toen de vraag: Wat is Dada?
      Dada is de schrik van den clubfauteuilbourgeois, van den konijnenfokker en den Hottentot. Het mysterie Dada is niet intellectueel bevattelijk te maken, dat verlangt Dada ook niet. Dada wijst elk logisch begrip onverbiddelijk van de hand. (Gelach.)
      De vraag: Wat is Dada? is dus evenmin als alle andere vragen te beantwoorden. Slechts in spontane handelingen laat het antwoord zich omzetten.
      De heer Kurt Schwitters, achter in de zaal gezeten, begrijpt wat er van hem verlangd wordt. Hij rijst spontaan op en begint te kirren als een duif, te blaffen als een hond, te kwaken als een kikker, in het kort stoot tot groot vermaak van het publiek buitengewoon verdienstelijk een reeks dier- en andere geluiden uit. Hij eindigt met iiiiiiiii en èèèèèèèè. (Donderend applaus en luid gejuich.)
      De heer Van Doesburg voegt er dadelijk aan toe, dat Dada geen kunstwerk is, slechts een negatie. Dada ontkent den hoogeren geestelijken inhoud van leven, kunst, filosofie, politiek en godsdienst.
      Dat alles berust op reclame en suggestie.
      Dada heeft de wereld failliet verklaard, daarom nemen de Dadaïsten geen verantwoording voor onze cultuur op zich. De Dadaïst is dan ook de vrijste en rustigste mensch ter wereld. Hij wéét, dat de menschen slechts de behoefte kennen, elkander op te vreten.
      Als positieve waarde erkent Dada het karakter, d.w.z. dat men zonder valsche voorwendsels leeft en handelt. Dada heeft geen vaderland. Dada had evengoed Bebe, Sisi of Lolo kunnen zijn, zooals Hausmann terecht opmerkt. De intelligentste menschen, zooals Einstein, Charley Chaplin en Bergson rekeken zich gaarne tot het Dadaïsme.
      Aanvankelijk was Dada aesthetisch, later ook tegen de kunst. Dada ontkent de evolutie; niets verandert wezenlijk. Dada heft alle tegenstellingen op en schept het Indifferenzpunkt boven tijd en ruimte uit. Dada is nee-ja, een vogel op vier pooten, een ladder zonder sporten, een kwadraat zonder hoeken. Allen, van schoonmaakster tot kunstenaar, bestrijden de natuur, dat onwelriekende cadaver.
      Spr. leest nu een gedicht van I.K. Bonset voor, dat aantoont dat de natuur slechts een kreng is.
      Dadadelijk daarop begon de heer Schwitters weer te blaffen, te blazen en te kermen en eindigde weer met èèèèèèèè!
      Een korte pauze, die een deel van het publiek benut om allerlei geluiden te maken.


Het hoofdnummer.


      Dan komt Ursachen und Beginn der groszen glorreichen Revolution in Revon, het hoofdwerk (met schaduwbelden!) van Kurt Schwitters. Hij draagt het zelf voor. Het komt hierop neer: Er staat een man in Revon, zwart met groen en rood. Een kindje ontdekt hem en zegt talrijke malen: Mama, da steht ein Mann. Mama en papa komen er bij en nog meer Revonners, kleine poppetjes. Zij trachten allen te weten te komen, wie de man is. Dr. Leopold Feuerhabe en zijn vrouw Amalia komen er bij en informeeren: Warum stehen sie da eigentlich? De man antwoordt niet. Het wordt een tumult om den Man.
      Midden in de woede begint Schwitters een vers op te zeggen, dat aldus begint:
      „Lauer Milch kann deine Seele Dreieck.” Verder wordt er in gevraagd, wat dat wel voor bomen moeten zijn, waar de groote olifanten langs kunnen gaan zonder zich te stooten. En dan de bekende straatdeun: Wenn du denkst der Mond geht unter, der Mond geht unter, det scheint nur so. En hetzelfde gefloten.
      Waarop Schwitters weer het heele verhaal van de revolutie-oorzaken opnieuw deed.
      De vrouw van dr. Feuerhabe valt flauw. Agnes Besenstiel komt er bij en beschuldigt den Man van verraad. Een brandweerladderwagen vliegt door de lucht. De letters P R A verschijnen. Dr. Feuerhabe haalt een politie-agent, die den Man verdrijft.
      Einde.
      Toen het applaus bedaard was, zette een dame aan den vleugel de Maria Nuptiale per un Crocodilo van Vittorio Rieti in. Zij speelde deze zeer aanhoorbare muziek met veel vaardigheid.


De besmettelijkheid van het Dadaïsme.


      Dadelijk na de pauze werd achter in de zaal een luid geloei en gemiauw aangeheven. Er werd aangekondigd, dat de dame den Treurmarsch van ’n Vogel en een Militairen Marsch van een Mier, beide eveneens van Rieti, zou spelen, maar het duurde geruimen tijd, eer het lawaai verstomde.
      Ook tijdens de muziek, doodgewone muziek, zwaar geïnspireerd op de moderne Franschen, voortdurend geraas en gekke geluiden in de zaal. Bedoeld als begeleiding? Een heer schreeuwt: Politesse! Plotseling is de treurmarsch uit. Donderend applaus en aanzwellend gejuich.
      Dan de militaire marsch met hetzelfde effect.
      De heer Schwitters verschijnt weer, nu met een kinderinstrumentje, waarop hij de eerste twee maten van: Ich hatt ein’ Kamaraden ten gehoore bracht. Daarna een gedicht, waaraan wij ontleenen:

            Und als sie in die Tute sah

            Da waren rote Kirschen drin.

            Da machte sie die Tute zu

            Da war sie Tute zu.

      Na een nieuwe reeks geluiden het gedicht Anna Blume. De dichter constateert: Blau ist die Farbe deines gelben Haares. Verder: Anna, du bist von hinten wie von vorne a-n-n-a. Hierop hetzelfde verhaal in het Engelsch.
      Een reeks getallen volgt: 3, 3, 3, 2, 4, 3, 5, 3, 7, 7, 7; na iedere 7 een grom. Een jubelend koor begeleidt den kunstenaar. Het publiek lacht tranen. Sommigen loopen weg, vreezend te stikken.
      Schwitters geeft het niet op. Hij roept twintig keer: Wand, en dan twintig keer: Wände. Dan: Rolle, rolle, rolle, leise vergessen, Segen, Segen. Dit laatste schijnt zeer mooi te zijn. Want Schwitters begeleidt het, eerst met zijn kinderorgeltje, dan door snel met beide vuisten op den staart van den vleugel te trommelen.
      Na een langgerekt oeoeoeoeoeoe! het alfabet van achteren naar voren, eenige malen, in razende snelheid.


De Kunstkring Veilingzaal.


      Maar het tumult bereikt eerst zijn hoogtepunt, als Schwitters luide 25, 26, 27! roept. „Mijn”, brult iemand. Er wordt lustig hooger geboden. Niets wordt echter toegewezen.
      Onbedaarlijk applaus. Slot. Het lawaai wil maar niet einigen. Tevergeefs roept de heer Heyting: Moet er bedankt worden of niet?
      Als de zaal doodstil is van vermoeidheid, maakt Schwitters gebruik van de gelegenheid om bliksemsnel een hoonend stuk uit het tijdschrift Mekano voor te lezen.
      De heer Heyting verklaart dan in stijl te willen bedanken. Hij zegt een Dadaïstische ode, aldus luidende: Dom, domdomdomdom, domderedom, domderedom, heel dom, heel dom, meerdandom, meerdandom, DOM, waarop de dame dadelijk inviel met een lollige rag-time.
      Toen was het uit.
      De groot-Dada-Tristan Tzara heeft gezegd: Dada est idiot.
      Geef hem ongelijk!

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (vrijdag 12 januari 1923) ‘Dada. Een vroolijke avond’, Het Centrum, 39e jaargang, nummer 11705, Tweede blad, [p. 2].