Anoniem/De Hieronymus Bosch in het Rijksmuseum

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Hieronymus Bosch in het Rijksmuseum
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 11 februari 1932
Titel De Hieronymus Bosch in het Rijksmuseum
Krant Het Vaderland
Jg 63
Editie, pg Avondblad C, [1]
Vaderland 1932-02-11 Avondblad C p 1 article 01.jpg
Opmerkingen Jheronimus Bosch vermeld als Hieronymus Bosch, Max Friedländer als Friedländer, Frederik Schmidt Degener als Schmidt Degener, Abraham Bredius als Bredius
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

DE HIERONYMUS BOSCH IN HET RIJKSMUSEUM


Een nieuwe copie in het geding gebracht


      De vraag, of de Hieronyus Bosch, voorstellende de gevangenneming van Christus in het Rijksmuseum te Amsterdam wel echt is, is opnieuw gerezen door een publicatie van de Vooruit.
      Aanvankelijk is beweerd, dat te Valencia het echte stuk zou zijn, maar een vergelijking van de foto’s alleen al van het werk te Amsterdam en het betreffende gedeelte van het drieluik te Valencia wees reeds uit, dat het schilderij te Amsterdam ongetwijfeld beter was.
      Maar nu wordt de foto gebracht van een schilderij te München, waarvan prof. Friedländer te Berlijn zou hebben beweerd, dat dit het echte was. Aanvankelijk had prof. Friedländer het Amsterdamsche schilderij als echt erkend, maar nadat hij het werk te München had leeren kennen, zou hij zijn expertise over het exemplaar te Amsterdam hebben betreurd.
      Wij hebben ons in verband met het bovenstaande om inlichtingen gewend tot den hoofddirecteur van ’t Rijksmuseum, den heer Schmidt Degener.
      Deze antwoordde ons, dat er vele composities in duplo bestaan. Dit komt bijna regelmatig voor. Vooral met werk van vroegere meesters, als: Brouwe, Bosch en Brueghel. Meestal verschillen de twee exemplaren echter in qualiteit, en dus komt het aan op de qualiteit van hetgeen men bezit. Welnu, de heer Schmidt Degener heeft de beide stukken zorgvuldig met elkander vergeleken en dat te Amsterdam bleek hem veel voortreffelijker te zijn. Het stuk te München kan z.i. geen vergelijking met het Amsterdamsche doorstaan. Het moet daarvan een oude copie zijn.
      Het stuk is indertijd niet aangekocht op de expertise van prof. Friedländer. Wel heeft, nà den aankoop, de Amsterdamsche kunsthandelaar, door wiens bemiddeling de koop gesloten werd, dr. A. G. C. de Vries (van de firma R. W. P. de Vries), een verklaring van prof. Friedländer overgelegd dat de schilderij een „gut erhaltenes Werk von Hier. Bosch” is. Als wij koopen, aldus de heer Schmidt Degener, dan koopen wij zelf; nooit met expertises van anderen, en steeds met groote voorzichtigheid. Hij zelf heeft sinds lang een studie van Hieronymus Bosch en diens werk gemaakt. Reeds in 1905 publiceerde hij in de „Gazette des Beaux Arts” een studie over dezen grooten Nederlandschen meester, die tot nu toe niet in de verzamelingen van het Rijksmuseum voorkwam. Sindsdien is hij niet opgehouden diens oeuvre grondig te bestudeeren, en hij durft dan ook te zeggen dat hij met het „handschrift” van den schilder bekend is.
      De heer Schmidt Degener, dit mogen wij hieraan nog toevoegen, heeft in zijn particulier bezit zelf een stuk van Hieronymus Bosch, voorstellend: „de Verzoeking van den H. Antonius”, dat, in tegenstelling met „de gevangenneming van Christus” in het Rijksmuseum, volledig geteekend is met den naam van den schilder in gothische letters, en waarvan hij in Spanje ook alweer twee copieën gezien heeft. En bovendien herinnerde hij er ons aan, dat het Rijksmuseum, gedurende drie jaar, een werk van Hieronymus Bosch uit het Louvre, voorstellend „het Narrenschip”, in bruikleen heeft gehad, zoodat hij ook op deze wijze de kunst van dezen 15en eeuwschen schilder heeft kunnen bestudeeren. Einddelijk memoreerde hij, dat Boymans ook een stuk van Bosch rijk is, namelijk „de Verloren Zoon”, uit de verzameling Vigdor te Weenen.
      Er is, zoo herhaalde hij, geen aankoop van dezen aard, of de echtheid wordt betwist. Hemzelf was dat tot dusver, in de 23 jaar, dat hij Museum-directeur was, nog niet voorgekomen, maar het kan zich ieder oogenblik weer voordoen. Het is bekend, dat Dr. Bredius twijfelt aan de echtheid van het Amsterdamsche stuk. Dat is zijn volmaakt recht, maar even onaantastbaar is zeker het recht van den heer Schmidt Degener om vast te houden aan zijne overtuiging.
      Tenslotte zette de heer Schmidt Degener ons, aan de hand van het stuk in het Rijks-Museum en van eene foto van het stuk te München uiteen, dat het laatste duidelijk een copie is, van z.i. mindere qualiteit, en hij demonsteerde ons dit aan allerlei onderdeelen ervan.
      Het Amsterdamsche stuk, dit mogen wij tot besluit nog mededeelen, is afkomstig uit eene collectie te Parijs, waar het gedurende eenige geslachten in geweest is. Het stelt voor het Verraad van Judas en de episode van Petrus en Malchus in den nacht van Bethsemane.
      Van andere zijde vernemen wij:
      Wie zal uitmaken of een oud schilderij echt of valsch is, wanneer men geen andere argumenten heeft dan de meeningen van kunsthistorici, welke toch altijd subjectief zijn? Een strijd over de echtheid van een stuk verloopt meestal met uitvoerige motiveeringen, maar blijft ten slotte toch onbeslist, omdat er geen opperste gerechtshof is om de zaak te beslechten.
      Het was een groote tekortkoming van de Nederlandsche musea, dat zij geen enkel werk bezaten van den grooten Nederlander. Het was dus zeer juist, dat de hoofddirecteur als het ware op de loer lag om een Bosch voor het Rijksmuseum te verwerven en de aankoop van dit schilderij is dan ook in breede kringen met voldoening vernomen.
      Niet in alle kringen. Zonder ook maar iets aan de beteekenis of het rechtmatige te willen afdoen van het verlangen, dat levende kunstenaars koesteren, zij er op gewezen, dat deze liever gezien zouden hebben, dat de Overheid werk van dezen tijd kocht om den levenden kunstenaars den strijd om het bestaan te verlichten.
      Misschien is het woord nog iets te groot, maar men is toch geneigd te zeggen, dat onder de kunstenaars, die niet van hun penseel kunnen leven, verzet rijst tegen aankoopen van oude kunst.
      Aan de echtheid van vrijwel elk oud stuk wordt getwijfeld. Hoeveel grooter zal het verzet worden bij de kunstenaars van thans, als nu ook nog het vermoeden wordt geopperd, dat zulk een dure aanwinst geen aanwinst zou zijn.
      Er zijn dus vele oorzaken, die aan een gerucht voelsel geven.
      Wat nu de kwestie der moderne kunst betreft: de museumcommissie, die in 1928 is benoemd, heeft een principe, dat natuurlijk was ontstaan, als juist erkend, n.l. dat oude kunst een zaak voor het Rijk is. Aan de Gemeente is het om nieuwe kunst te verzamelen. Zoo is het ook in Frankrijk. Het Louvre heeft oude kunst, het Luxembourg o.a. de moderne. Mauritshuis en Rijksmuseum zijn musea voor oude kunst (de verzameling Drukker is een schenking). Dat beteekent niet, dat het Rijk zich geheel onttrekt aan de moderne kunst. Op de Rijksbegrooting voor 1932 staat een post van 10.000 gld. voor opdrachten aan kunstenaars.
      Intusschen moet er op gewezen worden, dat zich niets nieuws heeft voorgedaan in de zaak Hieronymus Bosch. Omtrent de nieuwe expertise van prof Friedländer is officieel niets bekend. Dat dr. Bredius met den heer Schmidt Degener van meening verschilde was bekend.
      Een oordeel uit te spreken, dat het Rijksmuseum zou zijn gedupeerd, is dan ook zeer voorbarig.
      Vermoedelijk zal de zaak nooit worden opgelost. Maar mocht apert blijken, dat het werk te Amsterdam valsch is, dan mag verwacht worden, dat de handelaar het werk zal terugnemen; eventueel geeft ook ons Burgerlijk recht het middel om in rechten schadevergoeding te eischen.
      Maar, zooals gezegd, er hebben zich geen nieuwe gezichtspunten voorgedaan, om voorloopig onze vreugde over het bezit van een Hieronymus Bosch te laten bederven door de gedachte aan valschheid.
      Het koopen van oude kunst is altijd een riskante zaak.


Het deskundig onderzoek van oude schilderijen


      Nu in het publiek getwist wordt over de vraag of de Hieronymus Bosch, die voor het Rijksmuseum te Amsterdam is aangekocht, wel echt is, rijst de vraag of de gevolgde methode van onderzoek wel de juiste weg is; immers de chemie en de fotografie bieden andere hulpmiddelen voor het onderzoek van een schilderij dan de kijk, dien een kenner of een meester heeft.
      Zijn wij wel ingelicht, dan is men ook bij den aankoop van den Hieronymus Bosch alleen afgegaan op de visueele waardeering van den heer Schmidt Degener en zonder nu iets van zijn deskundigheid te willen afdoen, zouden wij willen vragen, of de tijd niet gekomen is om bij den aankoop van zulk een belangrijk werk ook advies te vragen van een chemicus.
      Vastgesteld kan immers worden of en hoeveel er aan een oud stuk is geretoucheerd en verder of de substantie deelen bevat, die de houdbaarheid van het schilderij te zeer beperken. Weliswaar levert de chemie geen apert bewijs van echtheid, maar wel is zij in staat onechtheid of te veel retouche aan te wijzen.
      In ieder geval kan zij motieven verschaffen, naast de visueele, waarop het gemakkelijker moet zijn om den aankoop te motiveeren of, zooals nu, te verdedigen.
      De kosten van zulk een onderzoek zullen bij den koopprijs geen rol spelen.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (15 maart 1932) ‘Het deskundig onderzoek van oude schilderijen’, De Sumatra Post, Derde blad, [p. 1] (gedeeltelijk).