Anoniem/De Stijl/Met den dood van Van Doesburg verdwenen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
„De Stijl”. Met den dood van van Doesburg verdwenen
Auteur(s) Anoniem
Datum Woensdag 10 februari 1932
Titel „De Stijl”. Met den dood van van Doesburg verdwenen
Krant De Sumatra Post
Jg, nr 34, 33
Editie, pg , Derde blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

„DE STIJL”


Met den dood van van Doesburg verdwenen


      „De Stijl” was Theo van Doesburg en met diens dood, te Davos, verdwijnt ook het tijdschrift. Het is, zoo min als de stichter zelf, hier ooit populair geweest. Je m’en fais gloire! zou Van Doesburg gezegd hebben. Zijn aanhang bestond uit een kleinen kring geestverwanten, die thans, gezamenlijk, „De Stijl” ten grave dragen, en een laatste woord wijden aan den leider. Geen hummer die het moeilijke leven en de vreemd verwikkelde menschelijkheid van den gestorvene niet eerst met een begrijpend, een hartelijk woord.
      Zoo is dit laatste „Stijl”-nummer een gedachtenisboek voor Van Doesburg geworden, met afbeeldingen naar zijn werk en fragmenten uit zijn geschriften.
      In welke wonderlijke gedachtespelingen de verwoede theoreticus zich verloor, blijkt o.a. aldus lezen wij in het H. Bl. uit den raad, dien hij in een van zijn thans gepubliceerde dagboekbladen zijn collega’s, den schilders, geeft:
      „Het beste handwerk is dat, hetwelk niets van het handwerk verraadt. Deze gaafheid is van onze omgeving afhankelijk: een absolute reinheid, een constant licht, een klare atmospheer, enz. Deze eigenschappen onzer omgeving worden tot qualiteiten in het werk. Uw atelier moet als een glazen stolp of als een hol kristal zijn. Zelf moet gij wit zijn. Het palet moet van glas zijn.
      Uw penseel scherp, vierkant en hard, steeds stofvrij en zuiver als een operatieinstrument. Men kan voorzeker meer van de dokterslaboratoria leeren dan van de schildersateliers. Deze laatste zijn kooien, waar het naar zieke apen stinkt.“
      Een van zijn idealen op bouwkundig gebied was het „beeldiegshuis“, een expositiegebouw.
      „De vorm van dit beeldingshuis zal zoo moeten zijn, dat het door moteriaal en compositie onbezoedelbaar is. De ruimten die vrije beelden en dingen van groote abstracte realiteit kunnen bevatten, zullen slechts van af een gaanderij te zien zijn.
      Vrije baden zullen het mogelijk maken alle stof van zich af te wasschen, terwijl aan de verstaire eenzelfde kleurloozen manten verkrijgbaar zal zijn, om alle uiterlijke storende verschillen, door kleeding veroorzaakt, op te heffen. De bezoekers zullen van vilten schoeisel voorzien worden, zoodat ook het hinderlijke stappen wegvalt.“
      Te Parijs wordt Van Doesburg deze man herdacht door een tentoonstelling, die met dit laatste „Stijl”-nummer een treffend getuigenis biedt, van de trouwhartige genegenheid dergenen, die de vrienden waren van dezen uitmiddelpuntigen, voor zichzelf en anderen moeilijken mensch.