Anoniem/Het woord in oefening

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het woord in oefening
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 11 januari 1927
Titel Het woord in oefening
Krant Het Vaderland
Jg 59
Editie, pg {{{editie}}}, Ochtendblad A, [p. 1]
Opmerkingen Kurt Schwitters vermeld als Kurtschwitters, Paul van Ostaijen als Paul v. Ostzyn
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

HET WOORD IN OEFENING


„Bilde, Künstler, rede nicht!” (Goethe.)


„Words! Words! Words!” (Shakespeare.)


      Reeds publiceerden wij de stellingen, welke de heer Jean de Mets, redacteur van „Het Woord” voor „Oefening Kweekt Kennis” zou verdedigen. Het kwam er dus verder slechts op aan verslag te geven van de toelichtingen, welke deze conclusies zouden moeten wettigen. Echter kan een verslaggever voor situaties komen, die zijn plicht wijzigen.
      Hier was het zaak, naar de reeds gepubliceerde stellingen te verwijzen en de rest blauw blauw te laten. Want ten eerste mag de heer de Mets een goed spreker zijn, hij is een zeer slecht voorlezer: bijna onverstaanbaar en zijn debaters behielpen zich dan ook bij voorkeur met het gegeven avant propos. Voorts had de heer de Mets zijn lezing is dusdanige geconcentreerden vorm op schrift gebracht en zulk een overdadig gebruik gemaakt van kunsttermen, dat hij wèl te lezen is, maar niet in zijn voorleestempo te volgen. Overigens zijn ’s heeren de Mets’ bizarre conclusies zelfs zonder toelichting rijkelijk voldoende. Zijn lezing was – in zooverre zij te volgen was – negatief. Veelal scheldend. Vóór enkele jaren waren het Theo van Doesburg en Kurtschwitters, die, amusanter, rumoeriger en minder vermoeiend – zij het ook in wezen even triest – hetzelfde deden. Nù krijgen wij hetzelfde verschijnsel dus nòg eens. En wel in O.K.K. Tenslotte wist deze lezing zich dan toch te consolideeren in meergenoemde „stellingen”.
      Daarover kan men debateeren uit en na. En daarom herzie men liever de citaten, die dit opstel sieren.
      Na de lezing kwam mej. Nellie Oosthout, voorheen van het Münchener Hoftheater, enkele verzen reciteeren, die the proof of the pudding moesten zijn. Het beroemde „Anna Blume” was er weer bij en het Antwerpsche beleg van Paul v. Ostzyen.
      In ’t algemeen slaan gedichten van dit slag: op twee pauken. Ze irriteeren òf door over te hellen naar het obscene, òf door over te hellen naar het godslasterlijke. Het pleit voor den heer de Mets, dat hij deze pauken zoo min en zoo zacht mogelijk betrommelde.
      Na de pauze kwamen de kenniskweekers in debat.
      Velen hadden zich opgegeven. Eerst kwam de heer Géraud van Duyn, die niet de producten wilde bestrijden, welke hij waardeerde, doch de theorieën van den heer de Mets wél. Elke generatie heft een „alfin trovato” aan t.a.v. kunst. Spr. stelde voor, dit op te geven. Spr. achtte kunst niet overbodig, doch even noodzakelijker als eten. Kunst is menschelijk en den mensch completeerend. Dit aanvaard, moet kunst zèlf een levensfunctie zijn, onafhankelijk van haar erkenning. Kunst is – evenals religie – uit álle menschelijke elementen: intellect, gevoel, onderbewustzijn, enz. samengesteld. Film – óók humbug-film – is kunst, evenals illuzie.
      Kunstcritici zijn géén parasieten. Als kunst vrij is, kan kritiek óók kunst zijn.
      De heer J. B. Ubink achtte de opgeworpen stellingen te talrijk voor één avond. De tevoren gepubliceerde stellingen had spr. niet goed begrepen. Spr. vond de gereciteerde verzen grooten onzin. Spr. achtte de dichters niet goed snik. Zij strijden met de verzekeringen over „klare begrippen”. Ze waren misschien klaar, maar niet getuigend van normale kennis. De inleider is zijn stof nog voor geen kwart meester. Het is niet diepzinnig, kunst een „scheppingsdaad” te noemen. Maar álles is een scheppingsdaad! De inleider weet héélemaal niet wat kunst is!
      Een teeken des tijds is, dat de inleider zoo geïmponeerd is door de techniek. Vóór de reproductie-techniek waren er reeds kunstenaars.
      Het fantazie experiment heeft de inleider vergeten.
      Spreker’s Gesammteindruck was, dat hier een geest het woord gevoerd had, die den kluts kwijt was door onzen hedendaagschen tijd.
      De heer Margadant weer er op, dat de heer de Mets veel zei, wat dr. de Jong al had uitgesproken. Spr. wilde den inleider vragen, of het feit, dat hij enkele gedichten begrepen had, niet juist in strijd was met de stelling, dat kunst niet begrepen moest worden.
      De heer v. d. Tak waardeerde de kiesche wijze, waarop de inleider zijn onderwerp behandeld had. Voorts vroeg hij naar de contradictie, dat kunst door het intellect geschapen moest worden én dat kunst niet begrepen moest worden. Spr. stelde den inleider voor, de kookkunst óók tot de kunsten te rekenen.
      Dr. De Jong achtte den inleider zijn kleinkind en had daar veel mee op. Spr. kon de groote waardeering voor „het onderbewustzijn” (een onzinnige uitdrukking) niet deelen. Kunst moet kunnen begrepen worden. En daarmee strijdt, dat men de gereciteerde verzen niet kan begrijpen. Het gepresteerde werk is min of meer destructief. Spr. voelde er meer voor, de kunst heelemáál af te schaffen. De inleider schijnt wel zeer geïmponeerd te zijn door machines. De kunst kan beter verdwijnen, dan zulke gekke dingen doen, als van dezen avond.
      De heer Rochemont achtte het verkeerd, dat de inleider een wetenschappelijke terminologie had gebruikt, in verband met zijn publiek. „Kunst” hield tot dusver het begrip „Schoonheid” in. Zoodra de inleider dus iets bedoelt, wat géén schoonheid mag inhouden, moet hij een ander woord gebruiken, dan „kunst”. Dat er een objectieve mechanische reproductie mogelijk zou zijn, bestreed spr. in verband met des inleiders stelling, dat kunst noch een objectieve, noch een subjectieve realiteit zou zijn. Spr. besloot met „Bilde Kunstler, rede nicht!”
      Dr. J. L. Walch had den inleider met buitengewoon veel genoegen gehoord, maar kon diens rede slechts fragmentarisch beamen. Spr. achtte de gedichten géén toelichten van de opgeworpen stellingen. De inleider heeft niets anders gedaan, dan de theorie van zijn eigen praktijk te leveren. Dat heeft geen universeele waarde.
      De heer De Mets noemde kunstcritici „parasieten”, maar deed zelf niet anders dan kritiseeren. Onder de gereciteerde verzen waren dada-gedichten en dada heet „uit den tijd”.
      De heer De Mets antwoordde, dat hij niet te veel belang hechtte aan de machine. Spr. achtte de machine alleen als reproductiemiddel, niet als kunst zelf.
      Den heer Van Duyn antwoordde hij, dat het dadaïsme een kunstrevolutie geweest is, alles omwerpend en abstracte kunst brengend als iets nieuws.
      Kunst zou volgens den heer Van Duyn een aschbelt zijn van gevoel, verstand enz. Onuitgeleefde impulsen vindt men het meest in het gekkenhuis. Kritiek bouwt niet op, maar breekt af. Dat is wel eens noodig. Ook: om reclame te maken. Spr. gaf den heer Rochemont toe, dat de nieuwe kunst misschien een nieuw woord daarvoor moet zoeken.
      Den heer Ubink antwoordde hij, dat inderdaad de nieuwe gedichten (voor hem, Ubink) groote onzin zijn. Wie niet het plan der realiteit kan verlaten, blijft hiervoor gesloten. Kunst heeft alleen met het materiaal te maken. Alles wordt geschapen, zeker, behalve kunst. De oude kunst wordt gegapt.
      Spr. heeft voor kunst geen reproductie-eisch genoemd, hem alleen gewenscht ter distributie onder de massa.
      De heer Margadant is té critisch aangelegd, om kunst te kunnen ondergaan. Hij is een ontledende scepticus.
      De gewraakte tegenstrijdigheid „kunst is intellect” en „kunst mag niet begrepen worden” laat spr. voor wat zij schijnt. De wereld is intellectueel geschapen en kan toch niet door ons begrepen worden.
      Spr. vond het inderdaad rationeel, alle kunst maar op te doeken.
      Een spreekster vroeg een definitie van het woord „ondergaan”, maar de heer De Mets kon niet à bout portant zulk een definitie geven.
      Ten slotte verliep het debat in een algemeen gesprek, waarna sluiting.