Anoniem/Moderne kunst/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Moderne kunst
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 13 maart 1923
Titel Moderne kunst
Krant Het Vaderland
Jg 54
Editie, pg Ochtendblad, 3
Opmerkingen Nelly van Doesburg vermeld als Petro van Doesburg, Piet Mondriaan als Mondriaan
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

MODERNE KUNST.


      De heer en mevrouw Van Doesburg, Kurt Schwitters en Vilmos Huszar hebben gisterenavond in het zaaltje van Lily Green voor een klein, maar belangstellend publiek een lezing gehouden over moderne kunst.
      Theo van Doesburg ving aan met een speechje, waarin hij verklaarde, dat ons land sinds 1914 op kunstgebied niets had geleerd en nog steeds niets begrijpt. Het heeft alleen behoefte aan Dada, al weet het niet, wat dat is. De zalen liepen op de dadaïstische soirées vol, omdat men naren en krankzinnigen wou zien. Daarentegen wordt in Parijs en Berlijn het dadaïsme zeer gewaardeerd. De Pers hier te lande – uit vrees zich te compromitteeren – sloeg eensklaps om ten gunste van het dadaïsme; het publiek wou lol. Op een ernstigen avond als deze is het publiek niet talrijk; het komt alleen af of schandaal.
      Ook onze verwarde tijd heeft een geestelijk leven en kan dat uiten, maar de massa begrijpt dat niet.
      Hierop toonde hij aan, dat ’t in Impressionisme (in zijn bloeitijd even fel gehoond en uitgekreten als nu de actueele kunst) de naturalistische verschijningsvorm totaal veracht werden en dat er alleen kwestie was van evenwicht en rhythme, teweeg gebracht met licht en donker. Hij toonde dit op lichtbeelden van tallooze schilderijen, waarbij de nieuwere dit spel steeds scherper accentueerden en de naturalistische vormen steeds weken, tot die ten slotte absoluut verdwenen. Nu gingen de kunstenaars (Mondriaan, Huszar, enz.) inzien, dat alléén het materiaal (lijn en vlak en kleur) de dimensies, het rhythme, de verhouding, de aesthetiek en het geestelijke element moesten geven en gaan alleen dààr van uit.
      Na de lichtbeelden gaf mevr. Petro v. Doesburg aan den vleugel, twee moderne composities weer van Honegger en Daniël Ruyneman.
      Kurt Schwitters hield vervolgens een causerie, waarbij hij uitlegde hoe het Dadaïsme zelfoverwinning was. Niet alles kunnen wij begrijpen, zei hij, wèl erkennen: Het leven, God, de kunst, bv. zijn slechts te erkennen. Een vork, een tafel, een bezem zijn niet te erkennen.
      Kunst is een oneindig begrip. Kunst wordt immer onderschat, in de eerste plaats door het publiek, in de tweede plaats door den kunstenaar, die zichzelf te tragisch neemt.
      In kunst zijn, evenals bij de planten, alle onderdeelen van elkaar afhankelijk en saamhoorig. Maar dadaïsme is geen kunst; het is een levensuiting. Niet de dadaïsten zijn dada; maar onze tijd is het; zooals men spreekt van de Renaissance, of van de Middeleeuwen. De dadaïsten overwinnen zichzelf, door hun tijd te kennen.
      Wat is dada?
      De bezetting van de Roer.
      „Hoesten zonder hand voor den mond doet een goed Hagenaar nimmer.”
      De Haagsche Vredesconferentie.
      Hazardspel om de eer.
      Skat om een tienden pfennig bij onze valuta.
      Enz. enz. enz.
      En toch snapt men nog niet wat Dada is.
      Dat niet-begrijpen is struisvogel-politiek.
      Dada is geen kunst maar materiaal.
      Dat materiaal is constructief te verwerken. D. w. z. door geluid, lettergroep, woord en aanhalingsteekens. Het mag geen zin hebben. (Alleen het proza van de omgangstaal mag en moet zin hebben.)
      Dan is er bovendien een rhythme te brengen tusschen zin en onzin. (Spr. geeft een voorbeeld.)
      Interpretatie en declamatie zijn tweeërlei. Ook voordracht en onderwerp zijn tweeërlei. (Spr. bewijst dit met een declamatie van het alfabet.) Cijfergedichten zijn het meest verwant aan tonen. Het zijn verhoudingen en lijnen. (Voorbeelden.) Ook zijn er gedichten die niet zijn op te schrijven. (Louter rhythmische keel- en maagklanken.)
      Ten slotte droeg mevr. v. Doesburg composities voor van Poulenc, Hauer en Wellesz. Zij kreeg bloemen.