Anoniem/Museum Boymans/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Museum Boymans
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 18 juli 1935
Titel Museum Boymans
Krant De Indische Courant
Jg, nr 14, 255
Editie, pg [Dag], Tweede blad, [4]
Opmerkingen Jan Rudolph Slotemaker de Bruin vermeld als J.R. Slotemaker de Bruïn, Peter Paul Rubens als Rubens, Jheronimus Bosch als Hiëronymus Bosch
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

Museum Boymans.


De nieuwe huisvesting.


Naar Aneta reeds kortelijk seinde, is dezer dagen het nieuwe Boymans Museum te Rotterdam officieel geopend door den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruïne.
      De genoodigden, in totaal een 450 personen, werden door den burgemeester, den heer Drooglever Fortuyn, den heer D. Hannema, directeur van het Museum en den bouwmeester, ir. A. van der Steur, ontvangen bij den ingang van den voordrachtszaal, waar de openingsplechtigheid plaats had.


Een belangrijk bruikleen.


      De burgemeester opende de bijeenkomst en deed in zijn rede een zeer belangrijke mededeeling, namelijk, dat de heer en mevrouw Koenigs te Haarlem hun verzameling schilderijen en teekeningen in bruikleen hebben gegeven. Hiertoe behoorden o.a. een 20-tal werken van Rubens en 40 van Hiëronymus Bosch. Spreker heette alle aanwezigen en in het bizonder de autoriteiten en zij, die uit het buitenland waren gekomen, welkom. Hij schetste de moeilijkheden, die bij het tot standkomen van het museum gerezen waren, doch die later zoo glansrijk zijn overwonnen. Hij bracht dank aan allen, die aan de totstandkoming van het nieuwe museum hadden medegewerkt.


Rede van den heer D. Hannema.


      De heer D. Hannema, directeur van het museum, heeft vervolgens het woord gevoerd.
      Toen in 1847 Jacob Otto Boymans aan de gemeente Rotterdam zijn geheele verzameling, zoowel schilderijen als kunstnijverheid legateerde, sprak hij in zijn, acht dagen voor zijn overlijden, opgemaakt testament met verzienden blik den wensch uit, dat de stadsregeering alle moeiten en kosten zoude aanwenden, welke tot verdere uitbreiding zouden leiden. Sindsdien zijn 88 jaren verloopen en is de wensch van den stichter van ons museum op wel zeer bizondere wijze in vervulling gegaan.
      In den loop dier jaren hebben voor- en tegenspoed elkaar afgewisseld.
      Vijf directeuren hebben in den loop der jaren hun krachten aan deze instelling gewijd: A. J. Lamme en zijn zoon Dirk Obreen, Haverkorn van Rijswijk en dr. F. Schmidt Degener. Aan Obreen danken wij den eersten wetenschappelijken catalogus. Haverkorn van Rijswijk vormde in het bizonder de verzameling 19e eeuwsche schilderijen en teekeningen: aan dr. F. Schmidt Degener is Rotterdam het meest verplicht.
      Spr. richtte zich vervolgens in het Fransch tot de aanwezige buitenlandsche museum-directeuren, om te bedanken voor de medewerking, uit vele landen ondervonden. De musea te New-York, Cincinnatie, Lissabon, Parijs, Straatsburg, Brussel, Antwerpen, Keulen, Karlsruhe, München, Gotha, Neurenberg, Leipzig, Kopenhagen, Stockholm, Boedapest en Edinburgh hebben hun schatten naar Rotterdam gezonden. In ons land hebben de musea te Utrecht, Groningen en vooral Amsterdam medegewerkt. Verzamelaars hebben zeer welwillend hun steun verleend.
      Spr. hoopte, dat deze groote tentoonstelling van 150 schilderijen uit de Delftsche school niet alleen een rijke bron van kunstgenot zal verschaffen, doch ook er toe medewerken eenige der talrijke problemen in de richting van een oplossing te brengen.
      Spr. dankte allen, die hem steeds hun groote vertrouwen schonken: het gemeentebestuur van Rotterdam en de commissie voor het museum Boymans, in de eerste plaats den burgemeester. Meermalen heeft deze, wanneer een en ander in hoogere regionen scheef dreigde te gaan, den weg tot een oplossing gevonden. Zijn talrijke bezoeken ook aan dit werk, waren een aansporing te meer.
      Nog voerden het woord de bouwmeester A. van der Steur, die zijn groote erkentelijkheid uitsprak van een ieder, die tot de totstandkoming van het museum had meegewerkt, mr. H. C. Hintzen, die de gevoelens der burgerij vertolkte en wethouder Boissevain van Amsterdam.


Rede van den minister.


      De minister van Onderwijs, K. en W. a.i. prof. Slotemaker de Bruïne heeft tenslotte een rede gehouden, waarin hij het museum voor geopend verklaarde. Hij wees er op, dat dit museum niet alleen van belang is voor Rotterdam, maar voor de heele natie en zelfs internationle beteekenis heeft. Tenslotte deelde spr. mede, dat het H.M. de Koningin heeft behaagd den heer D. Hanneman, directeur en ir. A. van der Steur, de bouwmeester van het museum, te benoemen tot officier in de orde van Onranje-Nassau.
      In het bizonder wees de minister er nog op, dat in de fraaie omgeving van het museum het museumpark aangelegd is door jongere werkloozen, een initiatief, dat de minister zeer op prijs stelt. Tot slot maakten de genoodigden een rondwandeling door het museum en door de zaal waarin de werken van de tentoonstelling van meesters uit de Delftsche school zijn geëxposeerd.