Anoniem/Ons Gemeentemuseum/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ons Gemeentemuseum
Auteur(s) Anoniem
Datum Vrijdag 9 oktober 1936
Titel Ons Gemeentemuseum. Nu reeds... plaatsgebrek. De groote reeks aanwinsten
Krant Het Vaderland
Jg 68
Editie, pg Avondblad, z.p.
Opmerkingen Adriaen Hanneman vermeld als Adr. Hanneman, Hein Kever als Kever, Paul Joseph Constantin Gabriël als Gabriël, Albert Neuhuys als Neuhuys, Jan Voerman als Voerman, Théophile de Bock als De Bock, Nelly van Doesburg als Pedro van Doesburg, George Hendrik Breitner als Breitner, Johan Thorn Prikker als Thorn Prikker
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

ONS GEMEENTEMUSEUM


NU REEDS... PLAATSGEBREK


De groote reeks aanwinsten


      Het verslag van den Dienst voor Kunsten en Wetenschappen zegt dat toen het nieuwe museum geheel was ingericht, zonder twijfel het merkwaardigste was, dat van ruimte-overschot in het groote gebouw eigenlijk geen sprake is, zoodat bij het inrichten van tentoonstellingen gedeelten der verzameling zelfs weer tijdelijk moeten worden opgeborgen.


De Historische afdeeling.


      De restauratie van de Regentenkamer van het Hofje van Cornelia van Wouw bracht regenten er toe, het portret van den stichter van het Hofje door Adr. Hanneman, dat reeds sedert 1885 in het museum in bruikleen was, terug te vragen, aan welk verzoek met gemengde gevoelens gevolg gegeven werd; eenerzijds is de terugkeer van een dergelijk werk naar de oorspronkelijke bestemming een heugelijk feit, anderzijds wordt echter het portret, dat eén der beste van den schilder is, noode gemist, ook ter wille van de origineele, fraai gesneden lijst. Gelukkig kon de plaats worden ingenomen door een ander stuk van denzelfden meester, een staand kinderportret behoorende tot het bruikleen van Maanen.
      Aangekocht werd twee stukken: de Apostel Johannes en de Apostel Lucas van de hand van den in Den Haag geboren Jacob de Gheyn III, later kanunnik van St Marie te Utrecht, welke stukken omstreeks 1630 geschilderd zullen zijn. Huygens schreef een epitaphium bij De Gheyns dood in 1641 en bewonderde zijn werk, noemde hem eens den meest belovende der jonge meesters. De stukken hebben een zeer bizonder karakter; een indrukwekkende, lezende Paulus van denzelfden meester hangt in de Nat. Gallery te Londen als Spaansche School.


Plaatsgebrek.


      In tegenstelling met den oorspronkelijken opzet, is de geheele westzijde niet aan de Moderne Kunst, doch aan den Haagsch Historische afdeeling toegewezen. Ook gelijkvloers is de ruimte voor deze verzameling aanzienlijk ingekrompen. Aanvankelijk zou de geheele zuidzijde, aansluitende bij de Studiezaal voor het prentenkabinet en de bibliotheek, bestemd zijn voor de monumentale teekeningen en de aquarellen; de meest oostelijk gelegen zalen hiervan moesten echter bij de Muziekafdeeling getrokken worden.
      Het gevolg van deze beperkingen is een plaatsgebrek, dat tot veel verder gaande schifting noopt dan oorspronkelijk voorgenomen was. Dat een schifting noodig zou zijn, stond steeds vast – en kon geen bezwaar geacht worden. Het spreekt vanzelf, dat in den loop der jaren in de verzameling, voorwerpen opgenomen zijn, die niet meer van tentoonstelling in aanmerking kunnen komen. De inperking van de beschikbare ruimte eenerzijds, daarbij de overtuiging, dat ieder kunstwerk, wil het tot zijn recht komen, ruimte eischt, dwongen er toe, ook op zich zelf niet onbelangrijke werken niet ten toon te stellen. Er wordt naar een regeling gestreefd, waardoor de niet geëxposeerde werken eventueel toch voor belangstellenden te zien zullen zijn.
      Ook zullen enkele zalen, bestemd worden voor wisselopstelling, waardoor meer werken althans tijdelijk zullen kunnen worden tentoongesteld. Dat een groot aantal werken dus op den duur aan de permanente tentoonstelling onttrokken zal moeten worden, is niet uitsluitend als een bezwaar te zien. Zoo kan het peil van de geëxposeerde collectie systematisch verhoogd worden.
      De kunst van onzen eigen tijd is in de zuidzijde. De belangrijkste schenking Conrad Kickert maakte hier een sterken internationalen inslag mogelijk. Het is te betreuren, dat de 20e-eeuw afdeeling, die bij vele bezoekers, speciaal bij de jongeren een opmerkelijke voorkeur geniet, herhaaldelijk in het gedrang komt, wanneer onze tentoonstellingen niet in hun geheel ondergebracht kunnen worden in de daarvoor bestemde zalen, die bij die voor de hedendaagsche kunst aansluiten. Dit bezwaar zal zich op den duur steeds meer doen gelden, daar uit den aard der zaak de afdeeling hedendaagsche kunst zich in het sterkst zal uitbreiden.
      De belangrijke aquarellen en monumentale teekeningen werden bij deze eerste opstelling ondergebracht in de tentoonstellingszalen, aansluitend bij de Studiezaal van het Prentenkabinet. Aangezien echter deze zalen bestemd zijn voor wisselende opstelling, o.a. van grafiek, is ook voor deze werken reeds nu ruimtegebrek te constateeren.


Aankoopen, schenkingen, bruikleenen.


      De tijd van overgang van de oude musea naar het nieuwe was bizonder rijk aan aanwinsten, waaronder enkele van groote beteekenis voor de verzameling. Naar omvang zijn van deze de belangrijkste de schenking van den heer Conrad Kickert en het bruikleen van den heer en mevr. ir. J. W. van Dijk-Ruempol. Deze laatste verzameling werd voor langen tijd in bruikleen ontvangen en omvat, naast reeds vroeger ter beschikking gestelde werken, acht schilderijen en zes aquarellen van Jozef Israëls, een schilderij en een teekening van Isaac Israëls, een schilderij van Jacob Maris, twee schilderijen van Willem Maris, een van Kever, van Gabriël, van Neuhuys, van Willem de Zwart, van Voerman, van de Bock, en een van den laatsten in samenwerking met Jacob Maris.
      Ook anderszins waren er tal van nieuwe aanwinsten. Zoo mochten ter gelegenheid van de opening van het nieuwe gebouw de volgende werken ontvangen worden: van het bestuur van Pulchri Studio: de beeldhouwer Charles van Wijk, teekening van Willy Sluiter; van den heer Enrique Mistler te Antwerpen een zeegezicht van den Belgischen schilder Jespers; van mej. Lipman Wulf een aquarel van Utrillo.
      Verder schonk mevr. Pedro van Doesburg een belangrijke compositie van haar man, den schilder Theo van Doesburg; mej. Neurdenburg drie schilderijen van haar vader, den leermeester van Breitner; mevr. Witteveen–Sahne een schilderij van den Oostenrijkschen schilder Mulley, voorstellende Kufstein; mevr. Leembruggen een schilderij van Frans Hogerwaard en een teekening van Piet van der Hem; W. B. Smit een bloemstuk van den Russischen schilder Ilia Machkoff, een bloemstuk, dat o. a. heeft gehangen op de eerste tentoonstelling van Moderne Kunst te Amsterdam in 1912; uit de nalatenschap van de weduwe van Paul Rink werden tien schilderijen van dezen kunstenaar ontvangen; van dr F. N. Sassen een damesportret door Willem de Zwart; van mevr. Cohen Tervaert–Israëls twee Scheveningsche meisjes van Isaac Israëls en van mevr. Stokvis–Farbstein een marmeren buste van Toon Dupuis: Jeanne d’Arc. Een viertal geschenken moge echter in het bizonder met grooten dank vermeld worden. De Vereeniging van Moderne Kunst schonk als laatste geschenken, voordat deze Vereeniging omgezet werd in de Vereeniging van Haagsche Museumvrienden, een zeer belangrijk schilderij van Charley Toorop, de Appelboom, waardoor nu ook deze kunstenares, behalve door een klein zelfportret en enkele vroegere werken uit het bruikleen Boendermaker op waardige wijze in het Museum vertegenwoordigd is, alsmede een penteekening met sepia van Matthijs Maris, de Doop. Mej. Alma stond aan het Museum af den pleisterkop, het unieke afgietsel van het portret van de schenkster door den Duitschen beeldhouwer Kolbe en vond goed, dat wij, in overleg met den beeldhouwer zelf, hiervan een afgietsel in brons lieten maken.
      Een ander geschenk van groote beteekenis was het heiwerk van Breitner dat door den heer en mevr. dr ir G. F. L. Philips door bemiddeling van de Vereeniging van Haagsche Museumvrienden geschonken werd.
      Aangekocht werden een groote decoratieve teekening van Thorn Prikker, de Rust op de vlucht naar Egypte. Tegelijkertijd werd van denzelfden kunstenaar een groot raam in gebrandschilderd glas verworven en twee mozaïeken, waardoor deze belangrijke meester nu in zijn verschillende uitingsvormen vertegenwoordigd is. Van Joep Nicolas kon het raam geplaatst worden, dat reeds vroeger verworven was (eerste ontwerp voor het bovengedeelte van het Grotiusraam in de Nieuwe Kerk te Delft. De kunstenaar leverde daarbij een omlijsting, rijk gefigureerd, in zijn speciale vermurailtechniek. Een groot meerkleurig paneel in dezelfde techniek werd aangekocht, voorstellende de Rijkdommen der Aarde.
      Belangrijk was ook de aankoop van een groot schilderij van Raoul Hynckes, de Spons der Bitterheid, waarmee nu ook het latere werk van dezen sedert kort veel meer gewaardeerden kunstenaar op zeer representatieve wijze vertegenwoordigd is. Verdere aankoopen zijn: een klein aquarel van Jacob Maris, straatmuzikanten uit zijn allereersten tijd, van Leo Gestel een gouache, Landschap in Vlaanderen uit 1925, en een teekening Spakenburgsche visschers uit lateren tijd. Verder o. a. aquarellen van de Fransche schilders Holy, Planson, een penteekening Azalea’s van Rient van Santen, drie krijtteekeningen van Heinrich Campendonck, een aquarel, een gezicht op Rouaan, een zeer vroeg werk van Bosboom.
      Een der belangrijkste bruikleenen, behalve de collectie Van Dijk, was die van mej. K. Cosman, omvattende schilderijen en aquarellen van Bauer, Breitner, Willem Maris, Willem Roelofs, de Bock, Gabriël, Dijsselhof en anderen. Verder een anonyme collectie, waardoor de verzameling Fransche Impressionisten kon worden uitgebreid met een fraaie Manet, een jonge vrouw in een tuin, met twee Pissaro’s, een jongenskop van Cézanne, een dorp aan de Seine, zeer goed specimen van Sisley en nog andere werken. Verder o. a. twee schilderijen van Utrillo, een van Vlaminck, twee van Slevogt, een zelfportret van Liebermann. Zeer welkom waren, uit dezelfde verzameling, ook een aantal bronzen: een kinderkopje van Renoir, een danseres van Degas, een klein naaktfiguurtje van Maillol, de bokser van Renée Sintenis, eenige kleine dierfiguren van Aug. Gaul, een stier van Tuailloti en een terracottazelfportret van Renée Sintenis. De heer Jos. H. Gosschalk breidde zijn bruikleen uit met enkele kleine schilderijen van fijne kwaliteit van Monticelli, Daubigny en Jongkind, waarbij ook twee landschappen van Othon Friesz en een Vlaminck. Van zeer groot belang waren verder de bruikleenen van den heer Van Kooten Kok en van den heer Vecht. De heer Van Kooten Kok stelde ter beschikking een aantal werkenvan Van Konijnenburg, waaronder het beroemde schilderij de Drakenstrijd en de zeer belangrijke vier groote potloodteekeningen de Ossenwagen, de Witte ruiter, de Zwarte ruiter, Pan en Syrinx en de twee krijtteekeningen met kraanvogels. De heer Vecht stelde ter beschikking het zeer groote schilderij van Jaap Weyand, de graflegging uit 1915, waardoor de kunstbeweging van dien tijd met een van de belangrijkste werken vertegenwoordigd is.


Het Prentenkabinet.


      Eén vertrek is nog steeds niet voor zijn bestemming gereed, daar dit in gebruik moest blijven als tijdelijke begrruimte voor tal van voorwerpen (zoowel van de muziek- als van de prenten- en aquarellenverzameling), zoolang de depôtruimten nog niet hun definitieve uitrusting verkregen hebben. Ook voldoen de lichtinstallatie en de afsluiting der bergrekken in deze zaal nog niet. Dit is het vertrek, dat geen direct daglicht ontvangt, daar het bestemd is voor wisselende tentoonstelling van prenten en teekeningen, die niet al te veel aan daglicht blootgesteld mogen worden. Eerst na ingebruikneming van deze zaal zal het Prentenkabinet geheel aan de daaraan gestelde opgaven kunnen voldoen.


Oude kunstnijverheid.


      Een zeer zeldzame coupe van denkelijk Bologneesch sgraffitto aardewerk, uit het midden der 15e eeuw, is met behulp van het Fonds op de veiling van de collectie van dr Heldring aangekocht kunnen worden. Voorts zijn nog een Italiaansche ceramiek aangekocht een Sieneesche albarello van het begin der 16e eeuw, een soortgelijke pot, doch van Venetiaansch makelijk, met een décor in blauw, dat van de gelijktijdige Turksche ceramiek is overgenomen en een bord uit de twintiger jaren van de 16e eeuw, waarvan het décor met groote waarschijnlijkheid aan den beroemden majolicaschilder Niccolo Pellipario van Urbino kan worden toegeschreven.
      Onder de aanwinsten op het gebied van oud glaswerk mag een flacon van blauw glas genoemd worden, waarover een netwerk van wit glazen draden is gelegd. Dit stuk, dat in Egypte vervaardigd is en uit de 10e of 11e eeuw dateert, herinnert in zijn décor nog duidelijk aan het glas, dat een tweeduizend jaar vroeger in hetzelfde land werd gemaakt. Van mej. Siebert Coster mocht het museum een vermoedelijk Engelsch theeservies van blauw glas ten geschenke ontvangen, waarvan het décor in goud is uitgevoerd. Het dateert uit het 1e kwart van de 19e eeuw.
      De heeren P. J. en W. Warnars schonken een bizonder fraaie schoorsteenbetimmering met spiegel en snijwerk afkomstig uit een huis in de Lange Houtstraat, in 1718 ingericht voor R. en E. Teixeira, wier naamletters in een monogram in het snijwerk voorkomen.


De muziek-historische afdeeling.


      Door schenking werd de verzameling o.a. verrijkt met een kerkorgel, gebouwd door Otto Reinhardt in Metz, 1734, van mevr. C. Le Cerf, Parijs; een viool gemerkt: Georg Klotz Mittenwald 1773. In bruikleen werden verkregen: 9 Hollandsche violen, waaronder zeer fraaie exemplaren van Hendrik Jacobs (1630–1699) en Willem van der Sijde (geb. 1664), die op zeer gelukkige wijze de verzameling Hollandsche violen completeeren, van den heer J. Vedral; een viool (gemerkt Joh. Bern. Cuypers) van den heer W. P. Kuntze; 2 violen en een altviool (gemerkt D. Scholte) van den heer Sam Swaap.
      De verzameling van componistenarchieven werd verrijkt met de geheele muzikale nalatenschap van den heer G. H. C. von Brucken Fock te Heemstede.


Het bezoek.


      Het bezoek van het museum zette terstond na de opening zeer druk in en is het geheele jaar zeer bevredigend geweest. Tegenover een bezoekersaantal in 1934 – het laatste jaar, waarin de musea aan den Vijverberg en in de Zeestraat nog beide geopend waren – dat 66.213 bedroeg (waarvan de bezoekers van het Panorama Mesdag de groote meerderheid vormden).


Museum Bredius.


      Van het museum Bredius valt alleen te melden, dat het aantal bezoekers in 1935 1565 heeft bedragen tegen 1314 in 1934.