Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam/Inleiding

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

[v]


INLEIDING.

      Bij het bezoeken van vele Musea en Kabinetten is het mij voorgekomen, dat de meeste Catalogussen niet weinig te wenschen overlieten, en vooral onvoldoende waren om naderhand, wanneer men de verzamelingen niet meer voor oogen had, het geheugen te helpen; iets, waaraan bij mij dikwijls behoefte heeft bestaan. Toen ik de eer genoot tot lid van den Raad van Bestuur over ’s Rijks Museum benoemd te worden, en ik mij met die taak eenigzins gemeenzaam had gemaakt, werd de herinnering van het door mij ondervondene levendig en het was met het doel om aan anderen eene dienst te bewijzen, die ik zelf dikwijls gewenscht had, dat ik aan den Raad voorsloeg, om mij met de zamenstelling van eene Beschrijving der Schilderijen te belasten.
      Bij het ontwerpen van den vorm van dezen Catalogus heb ik tot voorbeeld genomen de Notice des Tableaux du Musée Impérial du Louvre, door den Heer Frederic Villot, omdat hij eenen grooten stap tot verbetering en doelmatige inrigting van de nieuwe Catalogussen heeft gedaan, omdat het mij voorkomt, dat er veel goeds in zijne verdeeling gelegen is, en omdat het nuttig voor de Kunstgeschiedenis kan zijn, indien men in de nieuwe Catalogussen zooveel mogelijk, eene algemeene, in de hoofdpunten gelijkvormige wijze van beschrijven der Kunstwerken aanneemt; dit toch zal het nu zoo moeijelijke en dikwijls zoo onvruchtbare werk der nasporingen in Catalogussen in het vervolg veel gemakkelijker kunnen maken.


[vi]


vi
inleiding.

      De Raad van Bestuur heeft op het door mij gedane voorstel bepaald: dat de Beschrijving der Schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam zou bevatten:
      A. Eene Aanwijzing van den inhoud, met verklaring der verkortingen.
      B. Eene Korte Geschiedenis van de vorming en de lotgevallen van het Museum.
      C. Eene Beschrijving der Schilderijen.

      Dit laatste gedeelte zou bevatten van elke schilderij:

      1. Den naam van den Schilder met de plaatsen en jaartallen van geboorte en overlijden en de School, waartoe hij behoort.
      2. Het volgnommer en het onderwerp der schilderij.
      3. De maat van de schilderij, de stof, waarop geschilderd is, en de maat der voornaamste figuren, dieren of voorwerpen.
      4. De beschrijving van het op de schilderij voorgestelde, met vermelding van de kennelijke teekens, opschriften enz. Bij portretten, vermelding of het hoofden, borstbeelden, kniestukken of beelden ten voeten uit zijn; opgave van de naamteekeningen met de jaartallen in fac simile, en vermelding der achter op de stukken staande opschriften of teekens.
      5. De vermelding van de voornaamste gravures, etsen of lithographiën, naar de schilderij gemaakt.
      5. De kabinetten en verkoopingen waarin de schilderij is voorgekomen, met de datums van de verkooping, en de prijzen, die zij heeft opgebragt.
      7. De opgave, welke schilderijen in eigendom aan de stad Amsterdam behooren.
      Bij de bewerking is het mij voorgekomen, dat voor de studie der geschiedenis, zoo voor letterkundigen als kunstenaars, eene Lijst der Portretten van bekende personen, op het Museum in schilderij voorhanden, van veel dienst kon zijn; aan het slot van de Beschrijving zal men zoodanige lijst vinden.
      Zoo als men uit het bovenstaande ziet, is het voorbeeld


[vii]


vii
inleiding.

van de Notice du Musée du Louvre niet geheel gevolgd; de levensbeschrijvingen van de schilders zijn weggelaten, omdat die eenen zeer grooten omvang aan den Catalogus geven, en in eene beschrijving der schilderijen minder noodzakelijk zijn; de jaartallen en plaatsen van geboorte en overlijden der Meesters, en de vermelding van wien zij onderwijs in de Kunst ontvingen, zijn alleen behouden, om eene aaneenschakeling te vormen, en eene chronologische vergelijking gemakkelijk te maken. In de orde der beschrijving zijn mede eenige kleine veranderingen gebragt, die echter, naar ik vermeen, voor de bovenaangeduide studie der Kunstgeschiedenis geene stoornis zullen te weeg brengen.
      De scholen zijn niet afzonderlijk gerangschikt geworden, omdat het Museum te weinig verscheidenheid aanbiedt, en men voor eene of twee schilderijen eene nieuwe reeks zou hebben moeten openen. Men zal dus de bekende Meesters naar alphabetische orde, onverschillig van welke school, geplaatst vinden. Voor de onbekende Meesters is eene verdeeling naar tijdvakken en naar scholen gebezigd, ten einde daarin eenige regeling te kunnen brengen.
      Een chronologisch gerangschikt en beschreven Museum zou in ons Land aan eene groote behoefte voldoen, de studie der Kunstgeschiedenis helpen en tot hare beoefening opwekken; om daartoe echter te kunnen geraken, zou men de menigte in Rijks- en Stedelijke gebouwen en in Gestichten in ons Land nu nog verspreide schilderwerken moeten bijeenbrengen, en zoo doende trachten de vele gapingen aan te vullen, die nu bij dusdanige regeling in ons Museum zouden opgemerkt worden.
      In het belang van de Kunstgeschiedenis, geloof ik in deze Beschrijving eene leemte van de meeste bestaande Catalogussen, den laatsten van de Musée du Louvre niet uitgezonderd, aangevuld te hebben, door namelijk bij elke schilderij het juiste fac simile van het naamteeken, op het stuk voorkomende, te geven. Daarenboven zijn de namen van de kunstenaars steeds, zooveel mogelijk, geschreven, zoo als zij zelven dat plagten te doen, en die van buitenlandsche Meesters onvertaald gelaten; die spelling


[viii]


viii
inleiding.

toch, met haren eigenaardigen vorm, en in de landstaal, geeft het karakter van den tijd en de zamenleving, waarin de Meester zich bewogen heeft, volkomen aan, en mag, naar mijn oordeel, niet veranderd worden. Deze beide verbeteringen moeten voor ieder, die met de kunst in eenige betrekking staat, van groot belang zijn; zij hebben, even als de geheele Beschrijving, moeite en zorgvuldigen arbeid gekost, vooral door de nasporingen in het archief van het Museum en in vele oude Catalogussen, uit de verzameling van het Huis met de Hoofden, en uit de Bibliotheek van de Maatschappij Arti et Amicitiae, die voor het geschiedkundige gedeelte, zoo voor den oorsprong en de lotgevallen van het Museum, als voor de herkomst der schilderijen hebben gediend.
      Bij eenige der schoonste schilderijen had ik gaarne de voornaamste eigenschappen, die deze heerlijke gewrochten tot ware meesterstukken verheffen, aangeduid; de eigenaardige verdiensten van al de voorhanden werken aan te geven, was niet mogelijk, dit heeft mij daarvan doen afzien. Ik hoop echter dat deze, voor mij vreemde en moeijelijke arbeid met goedwilligheid zal worden ontvangen; ik lever geenszins iets volmaakts, integendeel, ik ben diep doordrongen van de gedachte, dat er nog zeer veel aan mijn werk ontbreekt, en ik verzoek bij dezen ieder, die misstellingen in namen van personen, zaken of plaatsen, in jaartallen of datums mogt aantreffen, of die eenige stellige inlichtingen, aangaande de vroegere lotgevallen der schilderijen, weet mede te deelen, die aan het Museum, met opgave van zijnen naam en van de bronnen, waaruit hij geput heeft, in te zenden; wij zullen van die aanwijzingen dankbaar gebruik maken, daar zoodoende, bij elke oplage, de Beschrijving meer en meer de volmaaktheid nader kan gebragt worden.
      Ten slotte moet ik nog een oogenblik wijzen op eene hoofdeigenschap van onze School, die, naar mijn oordeel, niet algemeen genoeg erkend wordt, en waarin juist de reden van hare uitmuntendheid voor een groot gedeelte ligt; het is namelijk: de groote, naïve eenvoudigheid, waarmede de beelden handelen, en uitdrukken hetgeen het meest in


[ix]

ix
inleiding.

de zamenstelling te pas komt. Andere Scholen mogen hoogere vlugt van denkbeelden en opvatting hebben, deze eigenschap toch, die voor de kunst van het hoogste gewigt is, heeft geene School boven, ja zelfs niet zoo als de onze; bij alle andere bestaat eene conventie, eene soort van overlevering voor de handeling en uitdrukking, waardoor de beelden meestal te veel of te weinig doen, en dus het juist bedoelde missen; bij de Hollandsche School alleen, bestaat die duizendvoudige nuancering van handeling, gelaatstrekken, kleur, uitdrukking der beelden, gelijk die voor elken toestand wordt vereischt. Men is gewoon onze groote Meesters niet onder de beste teekenaars te rekenen, omdat zij de bovenbedoelde aangenomen regelen der teekenkunst, vooral wat den omtrek der figuren betreft, hebben ter zijde gesteld, daar die hen in de uitdrukking van hun kunstgevoel hinderden. Wanneer men met teekenen alleen het vormen van gekuischte omtrekken wil verstaan, moge dit waar zijn; indien echter juiste uitdrukking der handeling en gewaarwording, gevoegd bij goede evenredigheid der deelen; indien de vorm niet alleen van den omtrek, maar van het geheele ligchaam, van de plastische degelijkheid der beelden, de ware eigenschap van het teekenen in de schilderkunst is, dan voorwaar zijn er geene grootere teekenaars dan Rembrandt, van der Helst, Jan Steen, en zoo vele andere van onze groote schilders. De andere verdiensten, die hunne kunstwerken opleveren, worden meer algemeen erkend, behalve misschien die van hunne zamenstellingen; ook daar hebben zij alle conventie en allen regel van zich afgeworpen, om zich geheel aan hun gevoel over te geven; hierdoor zijn hunne zamenstellingen meestal verrassend door nieuwe en eigenaardige opvatting, die altijd geheel aan het onderwerp ondergeschikt is, en zich daarnaar rigt. Op deze beide kenmerken heb ik gemeend te moeten wijzen, omdat zij, naar mijn denkbeeld, minder algemeen worden opgemerkt, dan de hooge verdienste van kleur, licht, effect en behandeling, waarvoor onze School beroemd is.

      Moge deze Beschrijving der uitstekende schilderijen, op


[x]


x
inleiding.

het Museum bewaard, de algemeene aandacht helpen vestigen op de hooge kunstwaarde dier meesterstukken, en de Regering tot de overtuiging leiden, dat het meer dan tijd is, om een nieuw en doelmatig gebouw op te rigten, ten einde de kunstschatten beter kunnen gezien en daardoor nog meer bewonderd en gewaardeerd worden dan thans! Mogen daardoor mijne landgenooten opgewekt en doordrongen worden van het verheven schoone der Kunst, en van haren invloed op veredeling en beschaving! Moge deze overtuiging aansporen, om de Kunst in ons, aan haar zoo onwaardeerbaar veel verpligt Land weder te verheffen uit den staat van miskenning en vergetelheid, waarin onverschilligheid of onwil haar hebben gebragt! ik zal mij dan rijkelijk voor mijnen arbeid beloond achten.

p. l. dubourcq.