Bredero/De Vijfde Psalm

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Bewerking van de vijfde psalm.

Gedenc mijn siel uws scheppers krachtich,
Die al wat is eerst schiep uyt niet,
En door zijn woord als noch gebiet,
Troost u in hem hy sal waerachtich
U sijn gedachtich.

Verdraegt u leet en syt geduldigh
In kommer-kans of tegenspoet.
Erleght in al wat u ontmoet,
Dat uwe sonden menichvuldich,
Noch meer sijn schuldigh.

Mijn ziele wilt toch overwegen
De schoonheyt Gods, en 't groote goet
Dat hy gestadigh aen u doet.
En hoe ghy sijt (voor danck) daer teghen,
Tot quaet geneghen.

Ishet wonder dan dat Gods goetheden
Haer wenden van u boosheyt af,
En die beloont met straf op straf?
God haet de sonden, en qua zeden,
En dat met reden.

Nochtans al schijnt, dat hy zijn ooren
Voor u verstopt, en dickwijls dreyght,
Soo is sijn goetheyt, eer geneyght
Om u gebeden te verhooren
Als tot zijn tooren.

De Heer soeckt u niet te bedroeven
Met ballinghschap, met kruys en noot,
Met ouders, of met vrunden doot,
Met achterklap van snoode boeven,
Maer te beproeven.

Draeght gelijckmoedigh al u spoeden,
Want vanden Hemel komt ons af,
De bedel-nap, de Conincx staf,
De rijckdom en de arremoede
Yder ten goede.

Laet my o Heer! niet langer swerven
Met een gemoet dus ongerust,
En geeft mijn ziel geen hooger lust,
Als in mijn hert u te verwerven,
En wel te sterven.