Bucolica/Ecloca I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Nederlandse vertaling van de Bucolica

Meliboeus[bewerken]

Tityrus jij op je rugliggend onder de kruin van de breedgetakte beuk componeert een landelijk liedje op je dunne rietfluit. Wij verlaten het grondgebied van ons vaderland en onze geliefde velden, wij ontvluchten onze geboortestreek. Jij, Tityrus, leert lui in de schaduw de bossen de naam van de mooie Amaryllis te doen weerklinken.

Tityrus[bewerken]

Oh Meliboeus, een god heeft mij deze vrije tijd gegeven; want voor mij zal hij altijd een god zijn; een teer lam van mijn schaapskooi zal dikwijls geofferd worden aan zijn altaar. Hij heeft toegestaan mijn runderen te laten grazen, zoals je ziet; en zelf kan ik op mijn herdersfluit spelen wat ik maar wil.

Meliboeus[bewerken]

Ik ben zelfs niet jaloers, meer nog ik ben verwonderd: overal op de akkers waar ik kom heerst er wanorde! Kijk, zelf drijf ik met moeite mijn geiten voorwaarts; Ook deze krijg ik nauwelijks mee, Tityrus; Hier tussen twee dichtbegroeide hazelaars gaf ze het leven aan een tweeling, de hoop van de kudde, helaas! Ze moest ze achterlaten op de barre rots. Ik herinner me nog dat de eiken, geraakt vanuit de hemel, ons dikwijls dit onheil hadden voorspeld. Was onze geest maar niet zo naïef geweest! Maar vertel ons toch, Tityrus, wie is die god waarover je spreekt?

Tityrus[bewerken]

Meliboeus, ik - stommerik dat ik ben - dacht dat de stad, die ze Rome noemen, waar wij, herders gewoon waren dikwijls de jongere geiten van onze schaapskooi naartoe te hoeden, op onze stad leek. Zo dacht ik dat puppy’s op volwassen honden leken, en dat bokken op hun moeders leken. Zo was ik gewoon de kleine dingen te vergelijken met de grote dingen. Echter in werkelijkheid, steekt deze stad haar hoofd enorm uit boven dat van andere steden, zoals cipressen boven buigzame sneeuwbalstuiken uitsteken.

Meliboeus[bewerken]

En om welke grote reden wou jij Rome zien?

Tityrus[bewerken]

De vrijheid, die ookal was zij laat zich toch bekommerde (omkeek naar) om mij in mijn luiheid, toen mijn nogal witte baard neerviel voor mij, terwijl ik hem knipte; toch heeft ze zich om mij bekommerd en na lange tijd is zij gekomen. Nadat ik Amaryllis had en nadat ik Galatea had verlaten. Want, ik beken het, toen ik iets met Galatea had, was er noch hoop op vrijheid en noch zorg om mijn geld. Hoewel veel slachtoffers uit mijn stal weggingen en er vettige kaas voor de ondankbare stad geperst werd, keerde ik toch nooit terug thuis met mijn rechterhand zwaar van het geld.

Meliboeus[bewerken]

Ik vroeg me af waarom jij, Amaryllis, de goden treurig aanriep; en voor wie je de appels aan de bomen liet hangen: Tityrus was weg. Zelfs de pijnbomen, Tityrus, de bronnen, en zelfs de struiken riepen om jou.

Tityrus[bewerken]

Wat moest ik doen? Ik kon noch ontsnappen aan de slavernij noch andere welwillende goden leren kennen. Toen zag ik de jongeman, Meliboeus, voor wie we twaalf dagen per jaar onze altaren laten roken. Hij gaf me een antwoord op wat ik hem eerder had gevraagd: “Jongens, hoed uw runderen zoals vroeger; Fok jullie stieren.”

Meliboeus[bewerken]

Gelukkige grijsaard, jouw velden zullen dus blijven! En ze zijn groot genoeg voor jou, hoewel barre stenen en een moeras alles bedekken met modderig riet; en ongewoon veevoeder zal je dieren niet aantasten, noch zullen ze lijden aan besmettelijke ziekten van schapen van de buren. Gelukkige grijsaard, hier tussen de bekende rivieren en heilige bronnen zul jij de koelte en de schaduw opzoeken. Aan de ene kant zul je dikwijls, zoals altijd, uitgenodigd worden om te gaan slapen door het gezoem van de bijen van de Hyblaberg die de bloemen uitzuigen van de wilgenhaag, die op de grens staat van de grond met je buurman; aan de andere kant, aan de voet van de hoge rots, zal de snoeier zijn liedjes de lucht inzingen; toch zullen intussen de hese houtduiven, jouw lievelingen, niet ophouden met kirren, en zal de tortelduif niet vanuit de hoge olm ophouden met kirren in de lucht.

Tityrus[bewerken]

Eerder zullen lichtvoetige herten grazen in de lucht, en de zee de vissen bloot aan land zetten; eerder zal een Parth als banneling drinken uit de Saône of zal een Germaan als banneling drinken uit de Tigris dan dat zijn gezicht (Augustus) vervaagt uit ons hart.

Meliboeus[bewerken]

Maar wij zullen weggaan van hier; de enen naar de dorstige Afrikanen, een ander deel naar de Scythen of naar de Oaxes, die krijt met zich meesleurt of helemaal tot bij de Britten ver (= geïsoleerd) van de wereld. Ik vraag me af: Zal ik ooit nog na lange tijd het grondgebied van mijn vaderland weerzien? Het eenvoudige dak van mijn hut, gemaakt van graszoden? Zal ik later, mijn koninkrijk ziende, de korenaars weerzien, vraag ik me af? Zal een goddeloze soldaat mijn zo bewerkte velden krijgen? Zal een barbaar mijn gewassen hebben? Waarheen brengt burgeroorlog de ellendige burgers! Voor hen hebben wij onze akkers bezaaid! Poot nu maar perenbomen, Meliboeus, plant maar druivelaars in rijen! Ga mijn geiten, vee dat ooit gelukkig was, ga: ik zal jullie vanaf nu niet meer zien grazen op de begroeide rots, terwijl ik in een groene grot lig; ik zal geen liedjes meer zingen; neen, mijn geiten, jullie gaan niet meer aan de bloeiende zaairupsklaver en bittere wilgenbladeren knabbelen, terwijl ik jullie hoed.

Tityrus[bewerken]

Hier had jij nochtans met mij kunnen rusten deze nacht op het groene loof. Er zijn voor ons rijpe appelen, zachte kastanjes en een overvloed aan vers geperste kaas; En in de verte roken de schouwen van de huizen al en de grote schaduwen van de hoogste bergen vallen al.