Naar inhoud springen

Camera Obscura/Dokters lief en leed

Uit Wikisource
[ 262 ]
 

Doctors lief en leed.


Twee jaren later zat de jongeling, dien wy als med. cand. verlaten hebben, als med. doctor in eene geldersche stad aan het ontbijt. De kamer, die hy hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet van een studentenkamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten HUFELAND, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behang[ 263 ]sel was vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen; maar het gevilde menschenbeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing ook hier, als wedergade van dien zekeren tabel, waarop men in zachte overgangen den Apollo van Belvedère in een kikvorsch veranderen ziet.

Maar waar was het vrouwenbeeldtjen, dat zoo sprekend op KLAARTJEN DONZE geleek? Lang had hy het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar daar de vriend van het zweetkamertjen, die in het geheim was, het hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte, en zekere rotterdamsche herinneringen hem daarby een kleur in 't aangezicht joegen, was het zachtjens aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder op te houden hem ook daar somwijlen een blos in 't aangezicht te jagen.

Twee jaren verliepen, en GERRIT werd ouder, en, zoo als hy meende, wijzer. Hy zag vele andere meisjens, en het ontbrak niet aan kleine verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand. De schoone KLARA geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam zy niet meer. Mijnheer en mevrouw VERNOOY werden schaars door hen bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretjen geraakte, by andere teekeningen, in een portefeuille.

Heden echter daar wy den doctor aan zijn ontbijt vinden, vinden wy de herinneringen aan het bevallig meisjen weder by hem opgewekt. Vóór hem ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertjen, die hem meldt, dat hy het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hy kan niet nalaten er by te berichten, dat de vooroordeelen by den krijgsman tegen zijn persoon, by nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren, als hy zich in het eerst wel verbeeld had.

"Hy ook reeds getrouwd!" mompelde GERRIT. "Een zoekend advocaat. Wat heeft hy een vrouw noodig? Maar ik, die een zoekend doctor ben — ik behoorde reeds lang gehuwd te wezen. Welk doctor krijgt een degelijke praktijk, zoo lang hy niet een degelijke vrouw heeft?"

Een degelijke praktijk. Hy had nog zoo goed als in het geheel geen praktijk. Maar zoo veel te meer collega's. (Nog gisteren was er een kers-versch van de utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hy had geen praktijk, maar zoo veel te meer tijd, dien hy toch niet in zijne geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hy niet op straat gezien worden, als of hy iets te doen had? moest hy niet beleefd zijn en bezoeken afleggen, als of niets hem beter smaakte? zoowel als zijn patent betalen, alsof hy zijn patent verdienen kon? Eén geluk was er voor GERRIT, als hy aan huwen dacht. Vele jonge doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma; zy hebben eene vrouw noodig om praktijk, en zy hebben praktijk noodig om een vrouw te krijgen. Maar GERRIT WITSE was bemiddeld. De heer nota[ 264 ]ris had acten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het opmaken der gewenschte huwelijksacte mogelijk te maken, al was het ook dat zijne keuze viel op een meisjen, dat behalve haar deugd en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht. Had KLAARTJEN DONZE iets meer? Was KLAARTJEN DONZE reeds gehuwd? Hy wist het niet. Maar waarom dacht hy nu weder aan KLAARTJEN DONZE?"

Het sloeg negen ure. GERRIT kleedde zich, en begaf zich naar het militaire hospitaal, waar hy, by gebrek aan eigen praktijk, het een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn-majoor te mogen bywonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hy hoorde met het uiterste geduld hunne eenzame klachten aan, loopende over "geruusch, zuzelingen, en drilligheden in den kop, knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiïngen van 't hart, water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden," en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende jichten, en stijgende moeren."

Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Andwoord, als gisteren: "Neen."

Daarop moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden van de opgedragen patienten. De oude collega was een man van een zeventig jaren, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door de artsenymendie den ouden doctor afgodeerden. In gevallen die eenigzins ernstig waren, schreef hy er gewoonlijk vijf in de vierentwintig uren. De jonge doctor kon het hem moeielijk naar den zin maken. Reeds verkorf hy het grootendeels, door de militaire praktijk in het hospitaal by te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden grijzaarts sympathie in geenen deele.

Voor deze maal echter bleef het schrollen op de "non missurae cutem," dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.

"Ik heb hoofdpijn, zei de oude collega, "en het rijden hindert my van daag. Wees zoo goed, in den achtermiddag een buitenpatient voor my te bezoeken; de dochter van vrouw SIJMENS, te Sprankendel. Een mooie wandeling. Gy kunt met de koelte terug komen. De meid is zwaar ziek."

De opgedragen taak was WITSE niet onaangenaam. Sprankendel was een schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, ter zijde van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hy ze welgemoed. Hy zou het buitenverblijf voorbygaan, waar hy eenmaal de schoone KLARA had zien zitten, met de duif op 't hoofd.

Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestor[ 265 ]ven als dat waar hy thands zoo gaarne leven gezien had. Het was een warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende zon beschenen. Aan den gantschen voorgevel waren alle zonneschermen zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het dak, en schitterden in het felle licht. "Zie daar de duiven," zeide WITSE, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zy weder by de eene of andere tante, waar de een of andere HATELING haar het hof maakt; misschien, wie weet het? staat zy op het punt zoo'n wezen te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gy meent dat men u liefheeft met al de waarheid, al de kracht, al den eenvoud eener eerste liefde, en ondertusschen...."

Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd.

WITSE moest weldra den straatweg verlaten, om het schoone Sprankendel op te zoeken. De kleine beek, waar het gehucht zijn naam naar droeg, wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens verschool zy zich als een gants onbeduidende sprank byna geheel onder overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zy weder dartel en helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond afdalende. Eindelijk bereikte WITSE den oorsprong, waar het water zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde keisteenen een weg baanden.

Een jeugdig echtpaar scheen dit plekjen, schaduwachtig en koel, tot eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw op het gras nedergezeten hield een vrolijken krullebol op den schoot, die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man, met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon.

"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte WITSE. Een zijpad bracht hem by de weduwe, wier dochter zijne zorgen behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zy had nog eene dochter, die met de nu zieke haar bystond in het wasch- en bleekwerk, dat voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een zoon, die voerman was en het drietal koeien verzorgde dat zy op de omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen die geen vreemde hulp behoeven; waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn. Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren, die in heuvelachtige streken op het hoofd gedragen worden.

"Hoe gaat het met BARTE?" vroeg hy haar.

"Olik, doctor, olik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste van de hand afvegende. Heeroom is er by." [ 266 ]En zy vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoo lang mogelijk alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het vergund zich aan hunne zieken te wijden.

GERRIT trad binnen. Op bevel van den ouden doctor was het volslagen donker in die ziekenkamer. Op WITSE'S verzoek om "een beetjen licht te maken," rees eene kleine gestalte, die voor een stoel op de kniën gelegen had, op, en stiet een luik open. WITSE trad inmiddels voor de hooge en benaauwde bedstede, waarop de zieke lag.

Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van naauwelijks achttien jaar te erkennen. Nog voor weinige dagen was zy het evenbeeld harer gezonde zuster, en zoo vrolijk als zy mooi was. Maar nu lag zy machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat akelig afstak by de gitzwarte hairen die ordeloos uit haar mutsjen te voorschijn kwamen; hare wangen waren gantsch geslonken, haar ingevallen oog half gesloten, hare lippen zwart als inkt.

"BARTE," sprak WITSE met een nadrukkelijke stem. De zieke opende de oogen, en staarde den vreemden doctor met verbazing aan.

Hy nam haar by de hand. Die hand was droog als leder.

De pastoor en de broeder stonden verslagen by de bedstede, wachtende op hetgeen de doctor zeggen zou. De moeder lag weder op de kniën voor een stoel, de rozekrans in de handen, die zy sedert drie dagen niet had nedergelegd.

De pastoor schudd'e het hoofd.

"Zou ze sterven?" vroeg de broêr, die een karel als een boom' was, en barstte in tranen uit, als hy dat woord van sterven uitte.

De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den doctor. Wy hopen van neen, " zei WITSE, "maar ga van het bed. Gy benaauwt de zieke."

Nogmaals schudd'e de pastoor het hoofd.

"Zou ze sterven, heer pastoor?" vroeg de broêr andermaal.

"By God zijn alle dingen mogelijk," sprak de geestelijke. Maar hy schudd'e ten derden male het hoofd. De goede oude hield van BARTE.

"Frustra cum morte pugnabis," zei hy tot WITSE.

"Expecto crisin," andwoordde deze. " De ziekte is nog niet ор het hoogst. Doch, doe gy uw plicht," voegde hy er zachtkens by.

De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was geteekend! Zy gaf een gil en ijlde de deur uit. GERRIT ijlde haar na. Hy vond haar aan de voeten van een jonge dame, die juist uit een hittenwagen gestapt was, en de teugels nog in de handen hield. "Mijn kind, mijn kind!" riep de ongelukkige vrouw, de kniën der jonge dame omvattende. " Mijn kind is dood!"

Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar beneden, haar hoofd zakte doodsbleek op den grond. [ 267 ]

"Help deze vrouw, doctor!" zei KLAARTJEN DONZE. "Zy ligt van haarzelve. Is hare dochter gestorven?"

"Neen, juffrouw DONZE," stamelde GERRIT ontroerd. Haar dochter is niet dood. En zoo MIEKE my helpen wil hare moeder op te tillen, en GILLIS uw paard mag bezorgen …."

Dit laatste was niet noodig. "Laat maar los, MIEKE!" sprak KLAARTJEN DONZE, die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare bedaardheid had verloren. En zy bracht zelf haar klein paard by het hek, waaraan zy het vastbond. Intusschen droeg WITSE met behulp van MIEKE de verstijfde moeder naar een ander vertrek, waar zy haar op een bed nederlegden. KLARA volgde hen op den voet.

"Wat moet er gedaan worden, mijnheer WITSE?" vroeg zy.

"Drink een glas water, juffrouw DONZE!" sprak GERRIT, gelukkig dat zy hem herkend had; "en laat dit meisjen het ook doen. Wees zoo goed de kleederen van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn ruiken, zoo die er is, en wrijf haar de polsen en de slapen van het hoofd. Zie dat gy haar een teug water ingeeft." En hy begaf zich op nieuw aan het leger van BARTE.

Na eenige oogenblikken kwam hy terug. KLARA lag op hare beurt geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjens in de hare. Deze was een weinigjen bygekomen, en zag het schoone meisjen met een namelooze uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan.

"Ik weet immers, vrouw SIJMENS," zei KLAARTJEN, "dat gy den moed niet verliezen zult. BARTJEN is nog niet opgegeven — en de goede God is almachtig."

"Wy moeten allen voor één God verschijnen, " zeide de oude vrouw, er aan denkende dat KLAARTJEN niet roomsch was.

"En tot een zelfden God bidden," andwoordde KLARA, "en door een zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gy, vrouw SIJMENS?"

"Mijn paternoster," zei de oude vrouw. "Ik had het zoo even nog."

"Als gy bidt, " sprak KLAARTJEN, laat het zijn in een vast vertrouwen op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u versterken, vrouw SIJMENS, en God zal het verhooren. Gy weet hoe gevaarlijk mijn moeder geweest is, en zy is nu weder zoo frisch en gezond als ikzelve. En BARTE is zoo veel jonger."

"Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. "Te denken," zeide zy, "dat ik haar by haar vader onder de groene boomtjens brengen moest!..."

"De doctor zegt dat er nog hoop is, vrouw SIJMENS! Als gy den moed verliest, doet gy zonde, " zei {[asc|KLAARTJEN}}, een paar groote tranen afwisschende.

De doctor bevestigde het. [ 268 ]

"Kom aan, MIEKE, "zei de oude vrouw, zich vermannende, doe mijn jakjen dicht; ik ga naar BARTE."

"Maar gy zult u goed houden, niet waar, vrouw SIJMENS?" vleide KLAARTJEN.

"Komt gy nog eens terug?" vroeg de moeder. KLAARTJEN beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken. GERRIT hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zy in het rijtuig. GERRIT reikte haar de teugels. Daar reed zy heen. Maar nog even hield zy haar paardtjen in, dat zulks kwalijk genoeg scheen te nemen, en met zijn kop trok en schudd'e, als van zoo kribbig een hitjen te wachten was.

"Doctor," zei KLAARTJEN, "hoe laat komt gy morgen by de zieke? "

"Reeds in de vroegte, juffrouw DONZE," was het andwoord.

"Zoudt gy, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen, om te zeggen hoe het gaat?" vroeg zy blozende.

"Zonder twijfel," betuigde GERRIT, volstrekt niet voor haar onderdoende. En zy liet het hitjen weder opschieten, dat een sprong deed waarvan GERRIT schrikte.

"Geen nood!" zeide zy: "wy kennen malkaar." En het hek van de werf uitdraaiende, op eene wijze die geen amsterdamsch koetsier haar zou verbeterd hebben, liet zij het vurige paardtjen zijn hart ophalen aan den zandweg, en draafde heen.

"Zal de doktor blieven naar stad te rijden!" vroeg GILLES.

"Dank u," zei WITSE, ik wandel liever. "En nog eens de beschikkingen herhalende, die hy gegeven had, nam hy de t'huisreis aan.

Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hy KLAARTJEN ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zy achter haar lustig paardtjen, dat zy meesterlijk regeerde, en eerlang vergunde in den stap te komen. Met cen onuitsprekelijk welgevallen sloeg GERRIT haar gade. Welk eene ontwikkeling in dat meisjen! "riep hy uit; welk een kloekheid. Zulk een vrouw zou my lijken, verlegen en linksch als ik altijd ben. Zoo als ik haar daar nu zie...."

Maar het hitjen sloeg een bydehandschen zyweg in; echter niet dan na groote lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld pad van naby in oogenschouw te nemen. KLAARTJEN DONZE was voor heden niet meer te zien. Maar morgen....


Cetera desunt.


1840.