Cornelis Petrus van Rossem/Epistolae Batavae

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Epistolae Batavae
Auteur(s) Cornelis Petrus van Rossem
Datum Dinsdag 22 maart 1921
Titel Epistolae Batavae
Krant Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië
Jg, nr 26, 67
Editie, pg [Dag], Derde Blad, [1]
Opmerkingen Willem Kloos vermeld als Kloos, Albert Verwey als Verwey, Herman Gorter als Gorter, Peter Cornelis Boutens als Boutens, Francis Picabia als Trocis Picabia, Pablo Picasso als Picasso
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein
Epistolae Batavae.


(Geschreven voor Het N. v.d. Dag voor N.I.)


XXXIII.


      Ons land draaft altijd een beetje achteraan bij de evolutie van de groote of zelfs kleinere Europeesche staten. Maar het eind is toch altijd, dat wij ten slotte – al is het ook wat laat – meedoen. Vooral het laatste feit is verblijdend: Wij zijn namelijk een Hollandsch Dadaïst rijk, de Heer I.K. Bonset. De eerste!
      Tegenover het, om zijn eigen woorden te gebruiken met het hoofd in de handen gedweep waartoe Kloos, Verwey, Gorter, Boutens en andere prullen zijn vervallen, stelt hij zijn genie van heroïsche activiteit. „Zoo wil ik – roept hij uit – dat mijn vers, waarin ik mijn intuïtie geordend heb, dezelfde uitwerking heeft als het lemmet van een ijsbreker op bevroren water!”
      Wilt U een proefje? Ziehier enkele X-beelden.
      Ik wordt doordrongen van de kamer waar de tram
      doorglijdt.
      Ik heb een pet op!
      Kleine zwarte fietsers
      glijden en verdwijnen in mijn beeltenis.
      + Lichtn.
      Kleine scherven
      Blik Blik Blik
      en glas.
      Ontelbare vertikale palen
      en ook de hooge
      gekromde blauwe
      Ruimte
      Ben ik.
      +
      Deze suggestieve poëzie heeft hem de eer waardig gekeurd door den Grand Dada Tristan Tzara tot den eersten Hollandschen Dadaïst te worden uitgeroepen. Hem is verzocht zitting te nemen in de redactie van de Dada Globe en zal als zoodanig ons vaderland vertegenwoordigen in de grooten litterairen Europeeschen kolder.
      Wij zouden dit alles met een stilzwijgen voorbij kunnen gaan, ware het geheel niet zoo uiterst typeerend voor de geestesgesteldheid van het nieuwe Europa. Een ander dadaïst, die het welgevallig oog op onze vaderlandsche beroemdheid heeft geworpen, is de bekende Trocis Picabia, die zoo juist een litterair werk heeft voltooid, getiteld..... „Jesus Christ Rastaquouère.”
      Dit proza heeft bijv. de volgende kleur: „Naturellement, tu as peur que le vent soulève ta jupe et que nous apercevions ton sexe qui est faux; tes cheveux aussi sont faux, tes dents sont fausses, tu as un oeil de verre!”
      In Duitschland zijn zij op dit gebied nog veel verder. Ik citeer hier een vers, hetwelk is opgenomen in het Hollandsche blad De Stijl, hetwelk door Bonset de dadaïstische richting is opgedreven.
      Het volgende is slechts een fragment:
      Liebe ist Sein.
      Heim sturz: Sein.
      Ur Wort: Sein.
      Ur Dienst: Sein.
      Du Sein.
      Du Sein um Sein.
      Du Sein.
      Sein um Sein Du.
      Sein Du Sein.
      Du Sein.
      De houding van de pers tegenover dezen waanzin is typeerend. Een gedeelte zwijgt het dood, een ander gedeelte houdt een slag om den arm, uit vrees zich eventueel te blameeren. „Hebben we – lezen we in Voorwaarts – veertig jaar geleden ook niet gelachen om de brabbeltaal der nieuwe dichters en is de gekke Nieuwe Gids toch inderdaad niet tot baanbreker geworden.” Of in een ander blad: „We moeten voorzichtig zijn in ons oordeel. De schilderijen van Toorop zijn ook voor krankzinnigenwerk uitgescholden....”
      Ik kan mij met dergelijke meeningen niet vereenigen. In 1880 was er maar één richting, die zich aan de conventie vergreep, we hebben er nu dozijnen: dadaïsme, orphisme, unanisme, paroxisme, simulteanisme etc. etc Allen als kef-kef hondjes elkaar aanblaffend en allen om beurt spoorloos verdwijnend. De eenige houding tegenover dit alles is er een van overtuigd offensief: niet schipperen en een slag om den arm houden; maar bewust tegen al dezen tijdelijken waanzin te velde trekken.
      Reeds begint de reactie zich af te teekenen: de ultra-modernist Picasso, die een tijdlang de heiland was van de revolutionnaire schilderkunst, heeft zich plotseling bekeerd, zijn heele vroegere richting voor een geestesverbijstering uitgemaakt en zich weer gekeerd naar die schoonheid, die ten allen tijde schoonheid heeft geheeten.
      We kunnen er absoluut van op aan, dat al deze pathologische uitingen over een paar jaar geheel zullen zijn verdwenen en slechts zoo nu en dan als belachelijk en lachwekkende documenten te voorschijn zullen worden gehaald. Het is alles zoo gewrongen en vooral zoo opzettelijk, dat wij geen oogenblik behoeven te twijfelen in deze een veroordeelend vonnis uit te spreken.
      Wat bijv. te zeggen van het volgende:
      Op een cubistische tentoonstelling vond ik onlangs op een tafel eenige ultra-moderne gedichten. Eén er van, Ode à Picasso geheeten, bevatte eenige honderden woorden, maar deze honderd woorden waren aldus gedrukt, dat zij een heel boekwerk noodig hadden. Op één bladzijde van dit octavo-formaat stonden bij voorbeeld in den hoek de twee woorden je crois, verder was de heele bladzij ongebruikt, op de volgende stond beneden in den hoek qu’il t’aime.
      En zoo ging het gedicht voort, slechts blanke duur geschepte papiervellen met een enkele letter bedrukt. Is dit niet een bewijs van het aanstellerige, gezochte en vooral het gewild onpractische van dergelijke nieuwlichters?
      Doch om nog even op onzen beroemden vaderlandschen dadaïst, Bonset, terug te komen. Hij schrijft ook kritieken, en wat voor kritieken.
      Hoor slechts! Het gaat hier over het nieuwe litteraire maandblad De Stem „Doublé–brasselet–rethorica–simili–diamant! Deze margarine wil men ons dan in ’t vervolg op de boterham smeren! Alles goed en wel, maar we lusten deze kristelijke restantjes uit den baard van meneer Havelaar niet. We walgen van dit opgedirkte eneuchisme.
      Houdt Uw sexe maar geheim en Uw hoofd voor, achterstevoren op Uw romp, opdat je vooral dat verleden, waarmee ge zoo innig zijt verbonden uit het oog verliest!”
      Als dit geïnspireerd is op het gestamel van de baby (dada=dadaïsme) zoo begin ik een beetje bang te worden voor onze toekomstige zuigelingen.


MR. C. P. VAN ROSSEM.