Costa/Op 't geluid der hemelchoren

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

KERSTZANGEN.
II.
En men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad
Sterke God, Vader der Eewigheid, Vredevorst.


   — Jesaja XI : 5.

[Stem: Psalm CXLVI]

Op ’t geluid der hemelchoren,
op ’t gelei van Jacobs ster,
dat wy ’t Kindeke, ons geboren,
biddend naadren, schoon van verr’!
Gods- en Menschenzoon te zaam
WONDERLIJK! dat is Zijn naam!

In die nederige woning
ligt, van zichtbren glans ontbloot,
Gods Gezalfde, Sions Koning!
de Ééngeboorne in ’s Vaders schoot!
Die van ouds genoemd werd Raad,
’t Woord, door Wien de wereld staat!

Laat ons blijde, maar met beven,
lof, en prijs, en hulde biên
aan dien Zoon, van God gegeven,
arm en klein, op moeders kniên! —
want Zijn hand bestiert ons lot,
en Zijn Naam is sterke god!

In den tijd werd Hy geboren,
aan Zijn eigen woord getrouw;
de Eerstgeboren, de Uitverkoren,
als ’t beloofde Zaad der Vrouw
aan de Vaadren toegezeid,
VADER, zelf, DER EEUWIGHEID.

Eeuwig moet dat Kind regeeren,
spruit en Hoofd van Davids Huis!
Alles zal Hy overheeren,
door de zwakheid van een kruis!
Schoon Hy aanstoot brengt, en ’t zwaard,
VREDEKONING toch op de aard!

Wonderlijk! Raad! Almachtig!
Eeuwenvader! Vredeheer!
Aan den nacht des heils gedachtig,
vallen we in aanbidding neêr
voor den Meester van ’t heelal
in den Bethlehemschen stal!

Ja! ’t betaamt ons dáár te aanbidden
Gods in ’t vleesch gezienen Zoon!
In der arme herdren midden
d’ Erfgenaam van Davids troon!
Op Mariaas moederschoot,
d’ Overwinnaar van den Dood!

Die, na drie en dertig jaren,
aan een vloekpaal vastgehecht,
zich ook dáár zal openbaren,
Zoon van God, in macht en recht!
Van de kribbe tot aan ’t kruis
volgt en looft Hem, Jacobs huis!

Doch, wie zal Zijn woord gelooven!
Dit verstaat geen vleesch en bloed,
dat de Levensvorst van boven
voor verloren zondaars boet,
mensch, ja! kind wordt, lijdt en sterft,
en ons met Zijn bloed verwerft!

Maar Gods Englen in den hoogen,
die hem dienen dag en nachtm
steeds vervuld van mededoogen,
over Adams nageslacht,
zien het wonder, roepen ’t uit,
en aanbidden ’t Godsbesluit!

Maar het kuddeken op aarde,
’t Israël van God bemind,
dat Zijn woord in ’t hart bewaarde,
heeft, in ’t pasgeboren Kind,
zijn Verlosser in de ellend,
zijn verborgen God herkend!

Een verborgen God, een Heiland,
is de God van Israël!
’t Heilgeloove, nimmer feilend,
merkt Zijn wonderbaar bestel!
Dat heel ’t schepsel tuige zij:
een verborgen God is Hij!

Tuigt het heemelen! Tuig het, aarde!
uit het niet hervoortgebracht!
Sints het Godsbesluit U baarde,
onderhouden door Zijn kracht!
Doch de hand, die ’t alles werkt,
blijft bedekt en onbemerkt!

Tuig het in Uw wisselingen,
o der eeuwen wentlend lot,
wiens door één gevlochten kringen
u zijn afgeperkt van God!
Maar Zijn wegen, Zijn beleid,
zijn omhuld in donkerheid!

Tuig het, Isrel! wien Hy stelde
tot een toonbeeld van genâ!
wien Zijn aangezicht verzelde,
dien Hy weidde, vroeg of spâ!
Ge ondervondt Zijn heilgebied,
maar het Wezen zaagt gy niet!

En gy, voorwerp Zijner zorgen,
Godskerk, over de aard verspreid!
In Uw Heer en Hoofd verborgen,
spreidt ook gy geen heerlijkheid,
aardschen glans, noch macht ten toon! —
gantsch inwendig zijt gy schoon!

Kleinste van Judéaas steden!
ja, ook gy getuigt hiervan!
Want uit U is voortgetreden
die alléén verlossen kan!
die van ouds is uitgegaan!
die nooit aanving te bestaan!

Loof dien Spruit, gy uitverkoren,
gy verborgen Bethlehem!
Looft dien Heerscher, U geboren,
burgers van Jerusalem!
Looft gy, heemlen! loof gy aard!
God is ’t vleesch geopenbaard!!