Da Costa/Aan Jonkvrouwe E. H. Luden
Uiterlijk
< Da Costa
| ← De hulk van staat | Da Costa's Kompleete Dichtwerken (1876) door Da Costa | Aan Ds. O. G. Heldring → |
| Uitgegeven in 's-Gravenhage door D. A. Thieme. |
[ 659 ]
AAN JONKVROUWE E. H. LUDEN,
IN ANTWOORD OP EEN AAN MY GERICHT VERS.
Jonkvrouw! was de harp des Dichters,
op de wijs zijns volks besnaard,
u een wederklank, zoo zuiver,
uit uw eigen dichtgeest waard?
Heil zij U, dat van dien harptoon
neen! geen schoonheid, maar de stof
op de schatting aanspraak maakte
van uw zusterlijken lof!
Heil ook hem, zoo ooit zijn zangen,
waarlijk ruischend God ter eer,
zielen schokten voor zijn Heiland,
harten lokten tot uw Heer! —
Jonge mededichteresse!
't zij uw voorrecht en het mijn,
van dien Meester vol genade
't zeker eigendom te zijn!
aan Zijn voeten neêr te zitten,
neêr te zinken by Zijn kniên !
en, verwaardigd Hem den danklof
onzer zangen aan te biên!
Ik, — met eerlang grijze haren,
van diens Konings zegetocht
den bazuingalm op te vangen,
dien ook Gy vernemen mocht!
op de wijs zijns volks besnaard,
u een wederklank, zoo zuiver,
uit uw eigen dichtgeest waard?
Heil zij U, dat van dien harptoon
neen! geen schoonheid, maar de stof
op de schatting aanspraak maakte
van uw zusterlijken lof!
Heil ook hem, zoo ooit zijn zangen,
waarlijk ruischend God ter eer,
zielen schokten voor zijn Heiland,
harten lokten tot uw Heer! —
Jonge mededichteresse!
't zij uw voorrecht en het mijn,
van dien Meester vol genade
't zeker eigendom te zijn!
aan Zijn voeten neêr te zitten,
neêr te zinken by Zijn kniên !
en, verwaardigd Hem den danklof
onzer zangen aan te biên!
Ik, — met eerlang grijze haren,
van diens Konings zegetocht
den bazuingalm op te vangen,
dien ook Gy vernemen mocht!
tegen elke levenssmart
hemelstemmen in tę fluistren
aan 't ten hemel opziend hart!
1852.