Da Costa/Den Heere J.J.F. Wap

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

D E N H E E R E J. J. F. WAP,
TEN ANTWOORD OP DE TOEZENDING
VAN ZIJN
UIT HET LATIJN OVERGEBRACHT DICHTSTUK:
AAN DE BELGEN.


Vereenigd in den grond, die beider volkstam voedde,
door zusterlijke taal en eigen poezy,
eens in den zwaai omvat van Karels schepterroede,
thands onder Nassaus schaaûw van ’t vreemde dwangjok vrij,
scheen Belg en Batavier, dus tot één volk herboren,
een zegenvolle roem van nieuwen bloei verkond,
had slechts ’t ondankbre volk dien Rots ten heil verkoren,
waarop Oud-Nederland eens zoo ontzachlijk stond!
Maar neen! een andre Geest blies over deze streken;
des Oproers Tuimelgeest, met dwang- en dweepzucht één,
daagde op, en dreigt vol woede in stormen los te breken,
om wat nog Neêrlandsch scheen, of heilig, plat te treên!
Ga voort, o wakkre Wap, door dichtvuur aangedreven!
Neem taal en dichtkunst, neem ’t historieblad te baat!
Bestrijd den opstandkreet, reeds luidkeels aangeheven,
en waarschuw België voor het broeiend slangenzaad!
Maar weet! een hechter band moet Noord- en Zuiderstammen
omvatten, eer hun vreê, hun redding mooglijk zij!
Een meer dan aardsche hulp met eedgespan verlammen: —
neen, Neêrlands erfgrond kan gelukkig zijn noch vrij,
dan door ’t aloud Verbond, dat Willem van Oranje
in ’t Christenheilgeloof met d’Allerhoogsten sloot,
en, tot den wissen val van meer dan Flips en Spanje,
betuigde met zijn bloed, en inriep in zijn dood!

30 maart 1830.