De Aeneïs/Boek VI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Boek VI, r. 847-900

(847) Anderen zullen bronzen beelden smeden die zachter ademen (dat geloof ik stellig), uit marmer levende gezichten leiden, zij zullen beter zaken bepleiten, (850) en de banen van de hemel beschrijven met een tekenstift en de opkomende sterren noemen: jij, Romein, leer volkeren met macht te regeren (voor jou zullen deze kunsten zijn), en wet aan vrede toe te voegen, overwonnenen te sparen en de trotsen te overmeesteren.’ Zo sprak vader Anchises tot de verbaasden, en hij voegde toe: (855) ‘Aanschouw, hoe Marcellus binnenkomt, bekleed met rijke buit en hoe hij als winnaar uitsteekt boven alle mannen. Deze ridder zal de Romeinse zaak grondvesten, nadat die door groot tumult in verwarring is gebracht, hij zal de Puniërs en de rebellerende Galliërs neermaaien, de voor de derde keer gepakte wapenrusting zal hij neerhangen [in de tempel] van vader Quirinus.’ (860) En toen zei Aeneas (want hij zag één gestalte gaan, een voortreffelijke jongeman en met schitterende wapens, maar zijn gezichtsuitdrukking was weinig blij en zijn gezicht was naar beneden gekeerd van het licht), ‘Wie, vader, is hij, de man die die ander zo vergezelt? Zijn zoon, of één of andere tak van zijn grote wortels? (865) Wat een tumult rondom het gezelschap! Tegen hoevelen weegt hij alleen op! Maar de zwarte nacht omvouwt zijn hoofd met een trieste schaduw.’ Toen sprak vader Anchises, en terwijl hij begon kwamen tranen tevoorschijn: ‘O zoon, vraag niet naar de enorme rouw van de jouwen; het lot zal hem slechts aan de aarde tonen en hem niet een langer leven toestaan. (870) Veel te machtig, hemelgoden, scheen aan jullie het Romeinse volk, als dit geschenk hun eigen was. Onder welk een geschreeuw zal dat Marsveld de man naar de grote stad leiden! Of wat een begrafenis, Tiber, zul je aanschouwen, wanneer je langs de pas opgeworpen grafheuvel stroomt! (875) En niet zal enige jongen uit Trojaans geslacht de Romeinse voorvaderen tot zo grote hoop brengen, en niet zal de aarde zich ooit zo beroemen op welke telg van Romulus dan ook. Ach vroomheid, ach door oorlog onoverwonnen rechterhand! Niet ging iemand hem terwijl hij gewapend was ongestraft tegemoet, (880) ofwel wanneer hij als voetsoldaat naar de vijand ging ofwel wanneer hij met zijn sporen de flanken van een schuimbekkend paard stak. Ach, beklagenswaardige jongen, als je enig wreed lot kon breken! Jij zult Marcellus zijn. Geeft lelies met volle handen en ik zal purperen bloemen strooien (885) en met deze geschenken zal ik de geest van het nageslacht althans overladen, en ik zal een lege taak volbrengen.’ Zo zwierven zij wijd en zijd door het hele gebied, over de uitgestrekte luchtige velden en zij zagen alles. En door deze leidde Anchises zijn zoon vervolgens één voor één en hij zette zijn ziel in vuur en vlam met liefde voor de komende roem, (890) hierop zette hij hem de oorlogen met de man uiteen die hij nog moest voeren, en gedacht hij het Laurentische volk en de stad van Latinus, en leerde hij hem hoe en welk leed hij moest vermijden en dragen. Er zijn twee poorten van de god van de slaap, waarvan de één – zegt men – van hoorn, waarlangs de schimmen van de waarheid makkelijk de uitgang wordt gegeven, (895) de ander stralend, gemaakt van blinkend wit ivoor, maar [door deze] sturen de schimmen valse visioenen naar de hemel. Langs deze deed Anchises toen na deze woorden uitgeleide en tegelijk de Sibylle en hij stuurde hen uit de ivoren poort. Aeneas volgde de weg naar de schepen en kwam terug bij zijn makkers. (900) Toen begaf hij zich langs de rechte kust naar de haven van Caietae. Het anker werd van de voorsteven gegooid; de schepen stonden op de kust.