De Génestet/Liefde

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Liefde

          Die ik het meest heb liefgehad, –
’t Was niet de slanke bruid, met wie ik in ’t zoeter leven
Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven,
          Wier hand mij leidde op ’t rozenpad;

          ’t Was niet de jonge en teedere vrouw,
Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,
Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,
          Met al den rijkdom harer trouw!

          „Zoo was ’t de moeder van uw kroost,
Die u, gelukkige, voor ’t offer veler smarte,
Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van ’t harte,
          Des levens liefelijksten troost?”

          Neen! – die ik ’t meest heb liefgehad,
Dat was mijn kranke; ’t was de moede, de uitgeteerde,
Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
          Toen ’k weenend aan haar sponde zat.