De Maasbode/Jaargang 61/Nummer 22102/Ochtendblad/Centraal Museum te Utrecht

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Centraal Museum te Utrecht. Het jaarverslag’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit De Maasbode, dinsdag 9 oktober 1928, Ochtendblad, derde blad, [p. 1]. Publiek domein in de EU.


[ derde blad, 1 ]

CENTRAAL MUSEUM TE UTRECHT.


Het jaarverslag.

Het verslag der gemeente Utrecht van het archief en het Museum over het jaar 1927 vermeldt, dat het bezoek iets talrijker was dan het vorig jaar. In totaal hebben 15719 personen een bezoek gebracht tegen 15035 in het vorig jaar (1926), terwijl het aantal betalenden 4214 bedroeg tegen 3642 in 1926.

De toestand waarin de verzamelingen in het museum zich bevinden laat over het algemeen niets te wenschen over. Van de schilderijen werd slechts één exemplaar aan een restauratie van eenige beteekenis onderworpen. Dit schilderij van een tot op heden onbekende, kon toevallig geïdentificeerd worden als de beeltenis van Engelbert op ten Noort, van 1620 tot 1636 burgemeester van Zutphen. Door de restauratie is het portret, dat eerst van weinig waarde was, zeer fraai geworden en voor een redelijken prijs verkocht aan een verren naneef van den geportretteerde, omdat het voor de Utrechtsche verzamelingen van minder beteekenis was.

De opstelling der voorwerpen, in het museum heeft een kleine wijziging ondergaan. De tweede bovenzaal van den refter heeft een ander aanzien gekregen, doordat de uitbreiding van de costuuumafdeeling het bijplaatsen van een tweetal vitrines noodzakelijk maakte en daarvoor in de bedoelde zaal plaatsing moest worden gevonden. De opstelling der glas-in-lood-vensters op de balustrade der galerij in de vestibule werd voltooid door de plaatsing van een naar een teekening in den topografischen atlas geconstrueerd venster uit de St. Janskerk, met de familiewapens van een achttal kanunniken dier kerk uit het jaar 1674.

De aanwinst van belangrijke en meerendeels omvangrijke werken van Abraham Bloemaert, Gijsbert d'Hondecoeter, Gerard van Houthorst, Jan van Bijlert, Paulus Bor en Dirck van Baburen, die in bruikleen konden worden verkregen, maakte het reeds noodig eenige werken in depot te stellen, die, indien plaatsgebrek hiertoe niet gedwongen had, zeer zeker niet aan de verzameling onttrokken zouden zijn.

Ondanks de reorganisatie wreekt zich dus de in weinig opzicht, vooral met het oog op de ruimte en het licht, onpractische bouw van het museum.