De anima

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

DE ANIMA [Over de Ziel][bewerken]

(een fragment ontleend aan Stobaeus)


‘De goden maken voor de mens van ’t leven een mysterie’[bewerken]



Een gesprek tussen Timon, de broeder en Patrocleas, de zwager van Plutarchus

Toen Timon aldus had gesproken, nam Patrocleas het woord en zei: “Uw betoog is niet minder krachtig dan oud, maar er is een moeilijkheid: als namelijk het geloof aan onsterfelijkheid overoud is, hoe mag het dan wel komen dat aan de andere kant van alle angsten de angst voor de dood de oudste is?

Liever moest ik zeggen: de angst voor de dood heeft ons alle andere angsten ingeschapen. Immers, dat een dode wordt beweend en dat omtrent hem de woorden van klacht en jammer als ‘die rampzalige’ of ‘die arme’ worden gebruikt, dat is toch zeker niet iets van vandaag of gisteren.”

“Met die redenering”, antwoordde Timon, “verdedigt men de stelling dat het onvergankelijke samen met het vergankelijke wordt vernietigd.

Wat uw opmerking betreft, daarop antwoord ik: dat het heengegaan zijn, vertrokken zijn, verhuisd zijn van de dode niet de gedachte geeft van iets smartelijks, maar alleen van een verwisseling en verandering, dat is vrij duidelijk. Waarheen die verhuizing plaats heeft, naar het betere of naar het slechtere, laten we dat eens opmaken uit de andere namen, die daaraan worden gegeven. Al dadelijk de naam Θάνατος zelf wijst er niet op dat het verhuizende naar beneden gaat en onder de aarde, maar veeleer dat het naar boven gaat, naar boven draaft (Θεῖ ἄνω). Dus laat het zich best begrijpen dat de ziel als ’t ware door het loslaten van een gespannen veer uitspringt en opvliegt, dat ze, met het uitblazen van de laatste adem door het lichaam, zelf als een adem naar boven zweeft en tot zich zelf komt.

En let nu op het woord dat tegenover qa/natoj staat, γένεσις, dat betekent daarentegen een neiging, een buiging naar de aarde (=γῆ en νεῦσις) van dat wat (later) in de dood weer naar boven snelt.

Men noemt de dag van de geboorte ook γενέθλια als zijnde het begin van moeite en ellende (γένεσις ἄθλων).

Doch uit een andere verbinding van woorden zult gij hetzelfde nog duidelijker zien. Men zegt dat de stervende wordt losgemaakt, de dood noemt men een ontbinding, als zijnde het lichaam een boei. Men noemt dan ook het lichaam een δέμας daar de ziel tegen haar natuur door het lichaam wordt geboeid (δεῖν): tegen haar natuur, want iets wordt niet met geweld vastgehouden in datgene, waarin het thuis behoort; daarom noemt men dan ook dat gebonden zijn, dat geweld (βία), met een kleine verandering βίος, zoals Homerus Hesperos zegt voor Hespera. Tegenover de naam βίος staat de uitdrukking dat de stervende ter ruste ingaat, als werd hij bevrijd van een grote tegennatuurlijke dwang.

Zo beweren wij dan dat wegens haar algehele verandering en gedaantewisseling de ziel vernietigd is wanneer ze in het lichaam is gekomen. Daarvan bemerkt zij zelf in dat lichaam en hier op aarde niets, behalve wanneer ze nabij de dood is. Dan ondervindt zij (de ziel) iets dergelijks als zij, die in de grote mysteriën worden ingewijd: daarom zijn dan ook die woorden τελευτᾶν en τελεῖσθαι zo aan elkaar gelijk; evenals al wat bij beide gelegenheden plaats vindt: eerst ronddolingen en vermoeiende omzwervingen, lange tochten door ’t duister, waaraan geen einde schijnt te komen, tochten vol van vrees en dan even vóór het einde dat allerverschrikkelijkste: huivering, rilling, angstzweet, verbijstering.

Doch daarop komt hun een wonderbaar licht tegemoet, een heldere landstreek wacht hen, bloeiende weiden waar lieflijke stemmen weerklinken, waar ze plechtige reidansen zien en allerlei heerlijke voorstellingen (φάσματα) en verheven klanken vernemen. De geheel ingewijde, vrij en onbelemmerd, gaat daar bekranst rond en verkeert met de gelukzaligen, neerziende op de niet gereinigde schare hier, die rondwentelt in ’t slijk waar de een de ander trapt, en waar men blijft in zijn ellendige staat, uit vrees voor de dood en omdat men niet gelooft aan al het goede daarginds. Want dat de samenbinding van ziel en lichaam, de opsluiting van de ziel in het lichaam, tegennatuurlijk is, dat kunt gij ook hieruit zien.”

“Waaruit?” zei Patrocleas.

“Dat van al wat wij ondergaan de slaap het lieflijkste is. Vooreerst dooft deze in ons het gevoel van smart, door haar eigen lieflijkheid, die bestaat uit een mengsel van allerlei wat in overeenstemming is met onze natuur.

Dan: hij overwint alle andere lusten al zijn die nog zo sterk. Zinnelijke mensen toch ergeren zich als hun de slaap overvalt, omdat die hen van genot berooft: indommelend moeten zij, wat ze omhelzen, loslaten. Geen wonder: zelfs het genot van leren, redeneren, filosoferen sluit de slaap uit als hij de ziel overvalt, die dan als ’t ware afdrijft op een effen en diepe stroom. Nu heeft iedere aangename gewaarwording de eigenschap om ons van smart te verlossen, doch deze heeft dat wel in de hoogste mate. Wij genieten, als we inslapen, niet omdat van buiten een aangename streling of prikkeling over ons komt, neen, de slaap is daarom zo zoet, omdat hij uit ons wegneemt een toestand van druk en last: en die toestand is geen andere dan die band, die ziel aan lichaam bindt.

Want bij het slapen wordt de ziel afgezonderd, ze snelt omhoog, en na vastgesnoerd te zijn geweest in het lichaam en verdeeld over de zintuigen, verzamelt zij zich nu weer en keert tot zich zelve terug.

Nu zeggen sommigen wel dat de slaap de ziel nog meer met het lichaam vermengt, doch dat is onwaar. Daartegen getuigt het lichaam: door zijn gevoelloosheid, kou, zwaarte en bleekheid beschuldigt het bij ’t sterven de ziel van algeheel weggaan, doch bij het slapen geeft het slechts een kort uitstapje van de ziel te kennen. Dat is het wat zo aangenaam aandoet, dat de ziel wordt losgemaakt en rust neemt en als ’t ware haar last aflegt om die naderhand weer op te nemen.

De ziel, die sterft, is als een slaaf, die zijn meester ontvlucht, de ziel die slaapt, is als een slaaf, die zonder permissie van zijn heer een wandelingetje gaat maken. Daarom sterven dan ook de mensen vaak met smart, maar steeds slapen zij in met genoegen. Want in het ene geval wordt de band geheel en al verscheurd, in het andere laat die los, wordt slapper en zachter: de knopen die losgemaakt worden zijn de zinnen, die dan de samensnoering van ziel en lichaam laten schieten.”

“Maar hoe komt het dan”, zei Patrocleas, “dat wij, als we wakker zijn, geen verdriet of pijn hebben?”

“Hoe komt het”, antwoordde Timon, “dat ons hoofd wel enige verlichting en ontheffing voelt als ons haar wordt geknipt, terwijl het ons toch, toen het haar lang was, niet zo’n erg gevoel van zwaarte gaf? Dat, wie uit boeien worden verlost blij zijn, maar zo lang ze gebonden zijn, geen smart hebben? Dat het plotseling binnen brengen van licht bij een gastmaal gejuich en gejubel verwekt, terwijl men toch van de voorafgaande schemering geen last in de ogen had?

Daarvan, mijn waarde, is dit éne de reden: dat het ‘langzamerhand’ ons gevoel gewent aan het tegennatuurlijke en (het) daarmee vertrouwd maakt, zo dat het, terwijl het in die tegennatuurlijke toestand verkeert er niet veel verdriet van heeft; maar is het gevoel dáárvan bevrijd en keert het tot zijn natuur terug, dan blijkt dadelijk door de gewaarwording van iets aangenaams, dat er iets onaangenaams en bezwarends is geweest, door zich bewust te worden dat men geleefd heeft in een vreemd element. Dus schijnt dan ook dat vreemde, tegennatuurlijke, tengevolge de lange gewoonte, de ziel niet zo heel erg te bezwaren door die vereniging met allerlei sterfelijke gewaarwordingen, ledematen, zintuigen. Doch ze gevoelt verlichting en een verpozing vol lieflijkheid als ze ontslagen wordt van de werkingen van het lichaam. Door deze toch wordt zij gekweld, met deze heeft zij te tobben, van deze wil zij uitrusten en tot zichzelf komen.

Wat ze op zichzelf werkt overeenkomstig haar natuur, haar zoeken, haar redeneren, beschouwen en zich bezinnen, daarvan wordt ze nooit moe, daarvan is ze onverzadelijk. Verzadiging (κόσος) bij ‘t genieten is als het ware een soort van vermoeidheid (κόπος), hierdoor veroorzaakt dat de ziel samen met het lichaam dat genot smaakt. Want haar eigen genietingen vermoeien haar nooit; doch waar ze in een omhelzing met het lichaam verkeert, daar gaat het haar als Odysseus. Want gelijk deze de wilde vijgenboom omhelsde en omklemde, niet uit liefde en genegenheid voor die boom, maar uit vrees voor de Charybdis onder hem, zo houdt, meen ik, de ziel het lichaam vast en omhelst het, niet uit liefde en genegenheid voor het lichaam, maar uit vrees voor de onzekerheid van de dood.

De goden maken voor de mens van ’t leven een mysterie

zegt de wijze Hesiodos, niet zozeer doordat ze de ziel aan ’t lichaam hebben gebonden met vleselijke banden, maar meer door die ene band, waarmee zij haar hebben omstrengeld, die ene kerker, die ze voor haar hebben uitgedacht: de onzekerheid en het ongeloof omtrent het hiernamaals.

Want wie geloven aan al het goede dat de mensen wacht na de dood, die kan, zoals Heraclitus het uitdrukt, niets vasthouden.”


Vertaald door: J.J. Hartman - Hoogleraar te Leiden - 1912

Bron: DE AVONDZON DES HEIDENDOMS - W.J. THIEME & CIE - ZUTPHEN

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=De_anima&oldid=90501"