De tranquillitate animi

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
< Plutarchus
Crystal txt.png   Nog te hertalen
Deze tekst is (gedeeltelijk) een verouderde Nederlandse vertaling. Ze moet hertaald, of indien mogelijk zelfs opnieuw vertaald worden.
Dit is een overzicht van de paragrafen

1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20

I[bewerken]

1. Mijn waarde Paccius! Ik heb wat laat uw letteren ontvangen. Gij vraagt mij daarin u iets op te stellen over de juiste gemoedsstemming en tevens u enige moeilijke plaatsen in Timaeus van Plato op te helderen.
Nu wilde het toeval dat mijn vriend Eros in allerijl naar Rome op reis moest: hij had van onze brave Fundamus een brief gekregen, waarin deze –gij weet hoe haastig gebakerd hij is- hem verzocht onmiddellijk over te komen. Daar ik nu geen tijd had om mij te zetten voor de door u opgegeven onderwerpen, maar ’t ook niet over mij kon verkrijgen om iemand, die uit Chaerona kwam, met lege handen vóór u te laten verschijnen, heb ik over dat eerste onderwerp het een en ander bijeengezocht uit de aantekeningen, die ik voor eigen nut heb gemaakt.
Want ik meende dat gij een dergelijke verhandeling van mij verlangde niet met de bedoeling van iemand die naar een fraai klinkende voordracht gaat luisteren, maar met het oog op uw eigen leven en uw eigen welzijn. Daarbij verheugde het mij dat het u, die relaties hebt aan het hof en in roem als redenaar voor niemand onderdoet, niet gaat als dien Merops in de tragedie, wien het "heir bewonderaars den geest verbijsterd heeft."
Neen, gij hebt niet alleen geleerd maar ook onthouden, dat een senatorschoen geen geneesmiddel is tegen podagra, noch ook een kostbare ring iets helpt als je nagel is gescheurd, of een diadeem wanneer je hoofdpijn hebt.
Hoe zou dan voor opgeruimdheid des harten en een leven zonder stormen enige baat gevonden worden in rijkdom of roem of invloed aan het hof, zo daar niet bijkomt een dankbaar gebruik van dat alles wanneer het er is en het er buiten kunnen zodra ’t er niet is? Wat is dat anders dan een rede die gewend is en zich geoefend heeft om het hartstochtelijke en redeloze deel der ziel telkens wanneer het zich verheft dadelijk beet te pakken en het niet te laten voortdrijven op de golven van de voorspoed?
Xenophon gaf den raad om vooral bij voorspoed gedachtig te zijn aan de goden en hen te eren, daar wij dan, wanneer wij in nood komen, hen met een gerust hart kunnen aanroepen omdat ze ons reeds welgezind en genegen zijn. Welnu, zo moeten verstandige mensen, alvorens ze in leed komen, zich voorzien van een levensbeschouwing, die helpt tegen het leed; hoe meer ze daarvoor bijtijds hebben gezorgd, hoe meer baat ze er bij zullen vinden.
Want als kwade honden, die bij ieder geluid opvliegen, alleen door een stem, die hun bekend is, kunnen bedaard worden, zo is het niet gemakkelijk heftige driften der ziel te kalmeren tenzij men bij de hand heeft bekende en reeds gemeenzaam geworden beschouwingen, waarmee men zijn onrust kan aanpakken.

II[bewerken]

1. Een Ionisch wijsgeer heeft eens gezegd, dat wie in de juiste gemoeds- stemming wil verkeren zowel in het openbare als in het bijzondere leven, zich met niets moet bemoeien. Nu, die man maakt ons de juiste gemoedsstemming te duur, daar ze aldus alleen voor werkeloosheid te koop is. Stel u voor dat iemand aan iederen zieke den raad gaf, "blijf rustig liggen, stumper, in uw ledikant:" terwijl toch b.v. voor lichaamszwakte het niets-doen een slecht geneesmiddel is. Welnu, niet beter handelt de zielearts wanneer hij door middel van luiheid, werkeloosheid en het in den steek laten van vrienden en verwanten, ja van het hele vaderland, de ziel wil bevrijden van haar onrust en kwelling.
En bovendien, ’t is niet waar dat in de juiste gemoedsstemming verkeren allen, die zich niet bemoeien met de buitenwereld. Want dan zou die stemming beter moeten zijn bij vrouwen dan bij mannen: vrouwen toch leven meestal in haar binnenkamer. En wat zien wij gebeuren? "’t Teeder meisje aan moederszijde voelt de koude stormwind niet" zegt Hesiodus, maar ergernissen, onrust, moedeloosheid, gevolgen van jaloezie, bijgeloof en dwaze voorstellingen te vele om op te noemen, die sluipen wel degelijk het vrouwenvertrek binnen. Laërtes, twintig jaar in zijn eentje levend op het land "altijd alleen met zijn oude slavin, die hem voedsel en laafnis voorzette" ontvlood wél zijn vaderland, zijn huis, zijn koningschap, maar te midden van dat rustig en nederig bestaan had hij zijn verdriet tot blijvend gezelschap. Velen brengt juist het zich terugtrekken uit de wereld in een verkeerde stemming, gelijk wij daar lezen: "Wrokkend zat hij te neer bij zijn golven doorklievende schepen Peleus’ zoon van godlijk geslacht, de rappe Achilles. Noch in den raad verscheen hij, den raad die mannen verheerlijkt, Noch in den krijg: hij verteerde zijn hart, want steeds bleef hij zitten binnen zijn tent…….en snakte naar strijdroep en wapengekletter." En zich ergerend over dien toestand barst hij in de woorden uit: "‘k Zit bij de schepen ter neer; een nutteloze ballast der aarde!"
Zelfs Epicurus vindt rust niet absoluut aanbevelenswaardig: hij raadt eer- en roemzuchtigen aan hun natuur te volgen door zich met politiek te bemoeien en de openbare zaak ter harte te nemen, daar ’t in hun aard ligt om door een ambteloos leven nog meer verontrust en gekweld te worden, als ze niet erlangen waarnaar zij streven. Het enig zonderlinge in dien raad is, dat hij tot deelneming aan het staatsbestuur opwekt niet hen, die daarvoor de geschiktheid bezitten, maar hen die de rust van het ambteloze leven niet kunnen verdragen.
Ook is het verkeerd te menen, dat een goede en een verkeerde gemoedstoestand daarvan afhangt of men veel dingen dan wel of men weinig dingen verricht; ’t komt er alleen op aan of wát men doet schoon is of leelijk; het nalaten van goede handelingen veroorzaakt niet minder kwelling en onrust dan het doen van verkeerde dingen.

III[bewerken]

1. Nu zijn er dan mensen die zich verbeelden dat speciaal dít of dát leven smarteloos is, zo bijvoorbeeld dat van de landlieden, van jonge mannen, van koningen. Die kunnen een lesje gaan halen bij Menander, waar hij iemand laat zeggen: "‘k Leefde in de mening, Phanias, dat rijke lui, die van geen geld-opnemen weten, ook des nachts niet zuchten, noch, zich wentelend op hun legersteê, luid kermen soms, maar dat hun nachtrust ongestoord en zoet steeds is."
Als dan diezelfde persoon daaraan heeft toegevoegd dat hij de rijken aan dezelfde kwalen heeft zien lijden als de armen, gaat hij aldus voort: "Of is de smart ook soms met ’t leven saâmgegroeid? Zij gaat met weelde samen, zij verzelt de roem, En met armoedig leven wordt zij samen oud."
Welnu: evenals lui die last van zeeziekte hebben of daar bang voor zijn en nu menen dat ze er beter aan toe zullen wezen als ze uit hun bootje overstappen op een vrachtschip en van het vrachtschip op een galjoen, bij al die verandering geen baat vinden, omdat ze hun onpasselijkheid of hun angst met zich meedragen, zo ook nemen veranderingen van beroep niet uit de ziel weg de dingen, die haar kwellen en verontrusten.
Dat zijn: onervarenheid, onredelijkheid en het onvermogen of de onwil om een goed gebruik van de omstandigheden te maken. Die dingen teisteren rijken en armen, die kwellen getrouwden en ongetrouwden; ten gevolge van deze ontvliedt men eerst het marktgewoel en kan dan weer de stilte niet verdragen, jaagt men naar promotie aan het hof en tobt er over zodra men die heeft verkregen.
"De krank’ is nooit tevreên, hij weet niet wat hij wil:" Zijn vrouw verveelt hem, hij pruttelt over zijn dokter, hij klaagt over zijn bed. Het komen van een vriend en ’t heengaan hindert hem zoals Ion zegt. Maar is de ziekte geweken en een betere sappenmenging teruggekeerd, dan maakt de gezondheid alles weer welkom en liefelijk: wie gisteren een tegenzin had tegen eieren, koek en pain de luxe, eet vandaag gretig en met smaak een boterham met roggebrood en Leidsche kaas.

IV[bewerken]

Heeft de rede eenmaal bij iemand post gevat dan brengt die ten opzichte van iederen levensstand een dergelijke verandering en tevredenheid teweeg. Toen Alexander Anaxarchus’ voordracht hoorde over het oneindig aantal werelden, barstte hij in tranen uit, en, toen zijn vrienden hem vroegen wat hem scheelde, zei hij: “Zou ik niet wenen, dat ik, terwijl er oneindig veel werelden zijn, er nog niet één in mijn macht heb gekregen?” Crates daarentegen, die niets had dan een knapzak en een jas vol gaten, bracht schertsend en lachend het leven door als een festijn. Agamemnon had verdriet omdat hij over zovelen heerste: Kent gij niet Atreus’ zoon Agamemnon, dien meer dan elk ander Zeus in voortdurende zorg heeft gestort? Doch Diogenes stak, terwijl hij als slaaf verkocht werd, de draak met de afslager en bleef rustig liggen. Opstaan daar bedankte hij voor, hoewel die man het hem gelastte, maar hij antwoordde schertsend: “Wel man! Stel je voor dat je een vis te koop aanboodt.” Socrates philosopheerde met zijn vrienden terwijl hij in de gevangenis zat, maar Phaëthon, die opgestegen was ten hemel, huilde omdat men hem de paar- den en den wagen van zijn vader niet geven wou. Zoals de schoen zich voegt naar den voet en niet omgekeerd, zo maakt de gemoedsstemming van een mens diens leven aan zich zelven gelijk. Want het is niet waar wat iemand heeft gezegd dat, als een mens het beste leven heeft verkozen, de gewoonte voor hem dat leven tot een aangenaam leven maakt, maar de wijsheid maakt tegelijkertijd hetzelfde leven tot het beste en het aangenaam- ste. Laten wij dus de bron der goede stemming, die in ons zelven is, zuiver houden, dan zullen wij geen tegenzin hebben tegen de uitwendige omstandighe- den, maar ze zullen ons van zelf behagelijk en aangenaam worden: Gij moet u niet vertoornen op d’omstandigheên, die trekken zich daar niets van aan. Een wijs gebruik van haar gemaakt, dat is het wat geluk u schenkt.

V[bewerken]

Plato vergeleek het leven bij een spel trictrac, waarbij het aankomt èn op goede worpen èn op een goed gebruik van hetgeen men geworpen heeft. Van deze twee dingen hangt het werpen niet van ons af; maar wat men van de fortuin krijgt, goed op te nemen en aan alles de juiste plaats toe te wijzen, waarop hetgeen van pas komt het meeste voordeel zal aanbrengen, en het ongewenste hen die het treft het minst zal deren, dat is ons werk, als we tenminste verstandig zijn. Want wie niet de minste levenskunst en levenswijsheid bezitten, die gaat het als de zieken die aan hun lichaam noch warmte noch koude kunnen verdragen; voorspoed brengt hen buiten zichzelve, tegenspoed doet hen in hun schelp kruipen, maar door beide raken ze van de wijs of liever door zich zelf in beide en wel, in hetgeen men voorspoed noemt niet het minst. Theodorus, de atheïst bijgenaamd, placht te zeggen dat hij zijn wijsheid met de rechterhand presenteerde, maar dat de mensen, die hem kwamen horen, haar aannamen met de linker; welnu, de onverstandigen trekken vaak de fortuin, die rechts naast hen staat, om naar links en maken zich belachelijk, maar de verstandigen doen als de bijen wien de tijm, de bitterste en droogste aller planten, honing oplevert: uit de onaangenaamste omstandigheden nemen zij vaak iets dat hun te pas komt en van nut is. Dus: allereerst moet men zich hierop toeleggen en zich hierin oefenen om te kunnen spreken als die man, die een hond gooide met een steen, maar zijn stiefmoeder raakte. “Ook goed”, zei hij. Immers, men heeft de macht om het lot dat men niet wenste, te verkeren in een wenselijk lot. Diogenes werd verbannen; ook goed, want eerst na die verbanning ging hij zich op de wijsbegeerte toeleggen. Zeno van Citium had maar één koopvaardijschip meer over. Toen hij vernam dat dat met lading en al in den storm was omgekomen, riep hij uit: “Gezegend ongeluk, gij drijft mij naar de verblijfplaats der wijsgeren en hangt mij hun schamele mantel om!” Wat belet u deze mannen na te volgen? Gij zijt kandidaat geweest voor een staatsambt, maar hebt een échec geleden: welnu, nu kunt gij buiten gaan wonen en uw eigen goedje beheren. Gij hebt des keizers vriendschap gezocht maar zijt afgewezen: welnu, dat verschaft u een leventje zonder gevaren en bezwaren. Naderhand krijft gij een post, die veel moeite en zorg voor u meebrengt; zegt dan met Pindarus: ’t warme bad zelfs doet de zwakke leden niet zo lieflijk aan als roem en eer, gepaard met enige invloed: dan is arbeid licht en lieflijk, moeite die niet moeilijk is.

VI[bewerken]

Of aan de andere kant: laster en nijd doen tegen u een storm opsteken van vorstelijke ongenade; dan hebt gij een gunstige wind naar de Muzen en de Academie, zoals Plato toen hij schipbreuk had geleden aan het hof van Dionysus.

Daarom is ’t zo’n goed middel voor een goede stemming om eens te letten op de grote mannen en te vragen of hún soms ook hetzelfde is overkomen.

Bijvoorbeeld: wat u kwelt is uw kinderloosheid. Denk dan eens aan de koningen van Rome van wie er geen de regering aan zijn zoon heeft nagelaten. Gij hebt verdriet omdat gij zo arm zijt: wie van alle Beotiërs zoudt gij liever zijn dan Epaminondas, wie van alle Romeinen liever dan Fabricius? Of wel: uw vrouwtje is u ontrouw geworden. Hebt gij dan nooit in Delphi de inscriptie gelezen: Mij heeft gewijd koning Agis, de heerser te land en te water

En weet gij niet wat dien Agis is overkomen? Alcibiades verleidde zijn vrouw Timaea en deze noemde het kind dat ze kreeg vleiend (als ze met haar dienaressen alleen was) Alcibiadesje, iets wat niet belette dat Agis in zijn tijd de allerberoemdste en grootste der Grieken was.

Evenmin liet Stilpo zich door het losbandig gedrag zijner dochter weerhouden om genoeglijker en vrolijker te leven dan enig ander wijsgeer van zijn tijd. Toen Metrocles hem dat losbandig gedrag van die dochter voor de voeten wierp, zei hij: “Nu, is dat een fout van haar of van mij?”

Toen daarop Metrocles antwoordde: “het is haar fout, maar uw ongeluk”, vroeg Stilpo: “Kom aan, zeg mij eens: fouten, zijn dat geen misslagen?”

“Zeker”, zei Metrocles.

“En als mensen misslagen begaan”, vroeg Stilpo weer, “is dan niet mislukking hún deel?”

Ook dit stemde Metrocles toe.

“En mislukkingen”, zei toen Stilpo, “voor wie zijn dat ongelukken, voor degenen die door mislukkingen worden getroffen of voor anderen?”

Zo bewees hij door een kalme, wijsgerige redenering dat die smaad van den cynicus niets was dan ijdel geblaf.

VII[bewerken]

De meeste mensen worden niet alleen verbitterd en geërgerd door de gebreken hunner vrienden en verwanten, maar ook door die van hun vijanden. Immers: lust tot schelden, toorn, nijd, argwaan en kwaadwillige naijver dat zijn ongelukken voor de mensen, die er mee zijn aangehaald, doch gekweld en geërgerd er door worden de onverstandige. Zo bijvoorbeeld ook de kijfzucht van buren, kwaad humeur van verwanten, slechte praktijken van ondergeschikten. Als ik het wel heb, dan zijn ’t juist die dingen, die ik daar ’t laatst noemde, waar gij zoveel verdriet van hebt. En gij handelt als de geneesheren van wie Sophocles zegt: Met bitteren drank genezen zij de bittere gal. Want gij bestrijdt hun kwalen met wederkerige boosheid en maakt dat gij aan dezelfde bitterheid gaat lijden als zij. Dat is niet verstandig van u, want de administratie, die u is toevertrouwd, is van dien aard dat gij u er bij bedienen moet van helpers niet eenvoudig en oprecht van aard: ’t zijn geen rechte en gladde, maar merendeels verdraaide en getande instrumenten. Nu, die recht en glad maken dat is zeker niet uw werk, en het gaat ook niet best. Maar als gij ze gebruikt zoals ze zijn –stel u maar voor: ’t zijn de haken en tangen van den tandmeester- en u daarbij zoveel als mogelijk is zachtzinnig en gematigd betoont, dan zult gij van uw eigen stemming meer genoegen hebben dan dat de onvriendelijkheid en kwaadaardigheid van anderen u leed berokkent. Je moet maar denken: ‘als honden blaffen, dan doen de beesten wat in hun aard ligt.’ Dan houdt je van zelf op met allerlei ergernissen naar je toe te halen; maar ben je zwak en kleingeestig, dan maak je van je eigen ziel een holte, waar alles naar toe stroomt en die dus vol loopt van het kwaad van anderen. Sommige wijsgeren veroordelen het medelijden met ongelukkigen, want, zeggen zij, zijn naasten te helpen dat is goed, maar met hen mee verdriet te hebben en toe te geven aan het leed, dat is verkeerd. Wat meer is, ze willen niet eens dat men, als men de verkeerdheid zijner daden en de slechte gesteldheid zijner ziel opmerkt, daarover verdrietig of bedroefd is; zij verlangen dat men zijn geesteskwaal gaat behandelen zoals ’t behoort, zonder zich er mismoedig over te maken. Zou het dan niet al heel onredelijk zijn zich zelven prijs te geven aan droefheid en ergernis omdat de mensen, met wie men in aanraking komt, niet allen even geschikt en handelbaar zijn? Bedenk wel, mijn lieve Paccius, of wij op die manier niet zonder het zelf te merken de slechtheid onzer medemensen veroordelen en vrezen, niet omdat we in ’t algemeen een hekel aan slechtheid hebben, maar omdat wij zelf niet graag last hebben van de slechtheid van anderen. Al te hevige onrust ten opzichte der dingen van ’t maatschappelijk leven, een toewijding daaraan, groter dan ze verdienen, een overdreven jagen er naar, of wel een bovenmatige afkeer er van en tegenzin er tegen, dat is het wat bij ons opwekt achterdocht en ergernis tegenover deelen er van of wel ons er de nadelen van op den hals schuiven. Maar wie zich gewend heeft die maatschappelijke aangelegenheden kalmpjes en bedaard op te nemen, die wordt ook in den omgang met mensen geschikt en zachtzinnig.

VIII[bewerken]

Maar om op die maatschappelijke dingen zelve terug te komen: evenals wanneer wij koortsig zijn, het ons lijkt, dat alles wat wij in den mond steken, bitter en lelijk is van smaak, maar wij, zodra wij zien dat anderen datzelfde gebruiken en het niet lelijk vinden, de schuld geven niet meer aan spijs of drank, maar aan ons zelve en onze ziekte; zo zullen wij ook ophouden te schelden op de levensomstandigheden en er over te klagen als wij zien, dat anderen diezelfde levensomstandigheden aanvaarden, niet alleen zonder tegenzin, maar zelfs met een vrolijk gezicht. Bij ongewenste voorvallen is ook dit een middel voor welgemoedheid om niet over het hoofd te zien het goede en liefelijke dat wij hebben, maar het slechtere en het betere door elkaar te gooien en zo het slechtere minder zichtbaar te maken. Doch wat doen wij ? Ja, onze ogen die wenden wij van het schitterende dat pijn doet af en geven hun verzachting door te kijken naar een groen en bloeiend weiland, maar onzen geest dien houden wij strak gespannen op wat hem kwelt en wij dwingen hem te verwijlen bij ’t geen hem pijn doet, terwijl we hem zo goed als met geweld afrukken van al wat beter is. Hierop kunnen wij toepassen wat zo aardig is gezegd tot den bemoeial: wat hebt g’ een scherpen blik, o nijdigaard, voor ’t kwaad eens anderen en wat ziet g’ uw eigen kwaad voorbij! Wat kijkt gij, o mens, steeds naar uw kwaad en maakt dat steeds in ’t oog vallend en nieuw, maar op het goede, dat gij hebt, richt gij uw aandacht niet; gelijk de koppen, die de heelmeester zet, het slechtste uit het vlees naar zich toe trekken, zo trekt gij naar u zelven toe het slechtste van wat u behoort. Gij zijt niets verstandiger dan die man uit Chios, die veel goeden wijn had, maar dien verkocht aan anderen en nu voor zijn eigen dejeuner proefjes bocht liet komen en die zat te keuren. Toen iemand aan zijn knecht vroeg waarmee zijn heer op ’t ogenblik bezig was, antwoordde deze : “Met het kwade te zoeken, terwijl hij het goede heeft.” Zo lopen de mensen vaak het goede en aangename, wat zij hebben, voorbij en draven naar het slechte en onaangename. Een gans ander man was Aristippus: die wist steeds de balans van zijn leven te laten doorslaan naar den goeden kant. Toen hij een mooi landgoed had verloren, vroeg hij aan iemand, die hem erg beklaagde en medelijden met hem wou tonen: “Gij hebt immers één landgoed en ik heb er nog drie over?” “Ja”, zei hij, “Welnu”, zei Aristippus, “dan moet ik u condoleren.” ’t Is dwaas, verdriet te hebben over wat men verliest en zich niet te verheugen over wat men behoudt, en zo als kleine kinderen, wanneer men hun van veel speelgoed één stuk afneemt, al het overige tegen den grond gooien en zitten te huilen, aldus, wanneer de fortuin ons in één ding tegen is, al het andere door ons gejammer en geklaag waardeloos te maken.

IX[bewerken]

Maar wat hebben wij dan? zal iemand vragen. Vraag liever: wat hebben wij niet? De een roem, de ander fortuin, de derde een vrouw, de vierde een goeden vriend. Antipater van Tarsos vergat, toen hij aan ’t eind van zijn leven al het goede dat hem ten deel gevallen was overdacht, ook de voorspoedige reis niet, die hij had gehad van Cilicië naar Athene. Ook die algemene zegeningen moeten wij niet voorbijzien, maar er wel degelijk rekening mee houden: dat wij leven, dat wij gezond zijn, dat wij het zonlicht aanschouwen, dat er geen binnen- of buitenlandse oorlog is, dat, wie wil, veilig zijn land kan bebouwen en de zee bevaren; dat we mogen spreken en praktisch werkzaam zijn, maar ook (mogen) zwijgen en ons buiten alles houden. De aanwezigheid van al die voorrechten zal ons te blijmoediger stemmen, wanneer wij ons een voorstelling maken hoe het zijn zou, wanneer ze er niet waren. We moeten ons maar eens voor den geest brengen hoe reikhalzend zieken uitzien naar gezondheid en wie door oorlog worden verontrust naar vrede en wat iemand, die in zo’n grote stad als de uwe vreemd en onbekend is, er wel voor zou geven om er een geacht persoon te wezen en vrienden te bezitten. En dan ook hoe smartelijk het is van zulke zaken, als we ze eenmaal hebben, beroofd te worden. We mogen toch niet aannemen dat hetzelfde ding groot en kostbaar voor ons wordt, als het wegraakt, maar dat het niets waard is, zolang wij het behouden. Het niet zijn zet aan een zaak toch geen waarde bij? Ook moeten wij niet die zelfde dingen, die we trachten te verwerven als groote kostbaarheden, en waarvoor we sidderen van angst dat ze ons zullen ontgaan, zodra wij ze hebben over het hoofd zien en als nietswaardig versmaden, maar wij moeten ze gebruiken vooral met het doel om er genoegen en vreugde van te hebben opdat we in staat zijn om ook het verlies er van, zo dat ons treft, met gelatenheid te dragen. De meeste mensen echter, zoals Arcesilaus zeide, verbeelden zich wel dat ze gedichten en schilderijen en beelden van anderen nauwkeurig moeten gadeslaan en ieder detail er van met oog en geest aandachtig (moeten) nagaan, maar hun eigen leven, dat ook zo veel genoegelijks te beschouwen geeft, daar letten ze niet op, maar zien altijd naar buiten en bewonderen voorspoed en roem die niet de hunne is, evenals zedeloze mensen altijd kijken naar de vrouwen van anderen, maar aan hun eigen vrouwen niet denken.

X[bewerken]

Voor de ware gemoedsstemming is ook dit zeer nuttig dat men allerliefst alleen let op zich zelven en zijn eigen omstandigheden, of anders er ter vergelijking zijn minderen bijhaalt en niet doet als de meesten, die zich zelve altijd vergelijken met wie boven hen staan. Geboeide slaven prijzen ongeboeide gelukkig, deze de vrijen, vrijen de vol- burgers, vol-burgers de rijken, rijken de satrapen, satrapen de koningen, koningen de goden: ze zouden willen donderen en bliksemen. En aldus steeds verlangend naar wat ze niet hebben, zijn de mensen ondankbaar voor wat hun wel ten deel gevallen is. Ik maal niet om het goud door Gyges opgehoopt, Geen afgunst stoort mijn rust, ik zie der goden macht, Maar ik benijd hen niet; in mijn gezichtskring komt Geen weeld ’of overdaad, geen macht of heerschappij. ‘Nu, dat was dan ook maar een Thasiër, die zo sprak’, zult gij zeggen. Welnu, tegenwoordig zit iemand uit Chios, uit Gallië of Bithynië, niet tevreden dat hij in zijn eigen landje wat te zeggen heeft of wat beteekent, te kermen omdat hij geen senatoren-laarzen draagt; en ís hij senator, dat hij nog geen praetor is, of hij is praetor, dat hij ’t nog niet tot het consulaat heeft gebracht. En ís hij tot consul benoemd, dat hij niet als consul nr. 1 maar als consul nr. 2 is uitgeroepen. Wat is dit anders dan, doordat men voorwendsels tot ondankbaarheid tegen het lot bijeenzoekt, zich zelven te kwellen en te straffen? Maar hij, wiens geest bedenkt wat tot zijn heil strekt, zit niet, terwijl de zon myriaden mensen beschijnt die zoals wij, der aarde vruchten eten daar neder, teneergeslagen en jammerend dat hij minder rijk en aanzienlijk is dan sommigen, maar hij gaat zijns weegs God prijzend en zijn leven dat hij, met wat hij heeft, duizendmaal beter en betamelijker leeft dan duizend anderen. In Olympia kan men niet den prijs behalen terwijl men zijn tegenpartij uitzoekt; maar in het leven vergunnen ons de omstandigheden ons trots te zijn dat men overtreft, niet één bepaalden persoon maar zovelen men wil, en minder anderen te benijden dan zelf benijdenswaardig te zijn. Tenzij gij u zelven wilt maken tot een mededinger van Briareos of Hercules. Wanneer gij dus als uwen meerdere bewondert hem, die in een draagkoets wordt gedragen, kijk dan ook eens van onderen naar de dragers. En als gij, gelijk die man van den Hellespont, Xerxes voor gelukkig houdt, let dan ook eens op die mannen, die onder zweepslagen den Athos doorgraven en wien, omdat de storm de brug heeft losgeslagen, oren en neuzen zijn afgesneden; bedenk eens wat er in het hart van die mensen omgaat, hoe gelukkig zij u en uw lot vinden. Toen Socrates een zijner vrienden hoorde zeggen: ‘’t Leven in de stad is duur; Chiër-wijn kost 40 gulden, purper 120, een liter honing 2”, nam hij hem mede naar de korenmarkt en zei: “Vijf kop graan voor een dubbeltje, wat is ’t hier goedkoop”, toen naar de groenmarkt: “Twee centen een kop vijgen, wat kost in de stad alles toch een beetje”, toen naar de klerenmarkt: “Vier gulden een boezeroen, wat heb je hier toch weinig geld nodig.” Welnu, wij kunnen ook, als we iemand horen zeggen dat wij in erg nederige en verachtelijke omstandigheden leven, antwoorden: “wel neen, wij behoeven geen pakjes te dragen of bij iemand klap te lopen.”

XI[bewerken]

Doch daar wij, tengevolge van ons onverstand, gewoon zijn te leven meer met het oog op anderen dan op ons zelven, en onze aard, die vol is van jaloezie en afgunst, minder verblijd wordt door het eigene dan geërgerd door hetgeen een ander heeft, kijk daarom niet alleen naar wat die mensen, die gij zo benijdt en bewondert, (voor) schitterends en roemrijks hebben, maar open en schuif op zij het kleurig voorhangsel, d.i. het oordeel der mensen en den uiterlijken schijn en ga naar binnen; dan zult gij daar veel ergernissen en onaangenaamheden ontwaren. Die Pittacus, die zo beroemd was om zijn dapperheid, zijn wijsheid, zijn gerechtigheid, had eens gasten: maar zijn vrouw kwam boos aanstuiven en gooide de tafel om. Toen die gasten daarover ontstelden zeide hij: “Ieder onzer heeft zijn ongerief; wie ‘t mijne heeft is er nog best aan toe.” “Die man”, zegt de dichter, “heet op de markt gelukkig, maar zijn deur is nauw geopend of men ziet zijn jammerlijken staat, Zijn vrouw is daar de baas, zij kijft, zij commandeert; Veel zaken kwellen hem, die mij niet lastig zijn.” Zo heeft de rijkdom, de roem, het koningschap van allerlei waarvan de groote menigte niets merkt, want de uiterlijke praal belet dat te zien. O gij heerlijke Atride, gelukskind, lieveling der goden. Dat is een lofzang op het uitwendige, de wapenen, paarden, soldaten die om Agamemnon heenstaan; maar de stem van het verdriet getuigt van binnen uit tegen dien ijdelen waan: Zeus de Kronide heeft mij in een zware ellende gekluisterd En: Ik noem, oude man u gelukkig en elk, die daar zonder gevaar, zonder roem, zonder naam tot zijn levenseind komt. Door dergelijke overwegingen kan men heel wat afdoen van zijn ontevreden- heid tegen de fortuin en van zijn neiging om door zijn bewondering voor wat een ander heeft dat, wat men zelf heeft, klein te maken en verachtelijk.

XII[bewerken]

In niet geringe mate fnuikt dit de welgemoedheid dat men zeilen gebruikt te groot voor het schip, dat is dat men neigingen koestert die niet passen bij de vermogens, waarover men te beschikken heeft, en aldus strevend naar en hopend op te groote dingen, als ze mislukt zijn, de godheid en het noodlot beschuldigt en niet zijn eigen onverstand. Als iemand zou willen boogschieten met zijn ploeg of hazen jagen met zijn os, of als iemand met een fuik of een sleepnet tevergeefs beproeft herten te vangen, dan kan men toch niet zeggen dat hij tegenspoed heeft: al zulke mensen hebben tot hun vijand niet een of anderen bozen geest maar hun eigen dwaasheid, die streeft naar het onmogelijke. De voornaamste oorzaak van ongeluk echter is de ingenomenheid met zich zelven, die de mensen eergierig maakt, zodat ze in alles de eersten willen zijn en met een ware onverzadelijkheid alles tegelijk willen omvatten. Ze begeeren niet alleen rijk te wezen en tevens geleerd, sterk, prettig en geestig in den omgang, bevriend met het hof en machtig in hun staat, maar als ze daarbij niet ook de beste honden en paarden, de dapperste kwartels en hanen hebben, dat zijn ze verdrietig. De oude Dionysius was niet tevreden dat hij de grootste der toenmalige vorsten was, maar omdat hij niet beter verzen kon maken dan de dichter Philoxenus, noch ook het van Plato in ’t redeneren kon winnen, werd hij woedend en stuurde den een naar de steengroeven en den ander naar Aegina om als slaaf verkocht te worden. Dan deed Alexander anders: die werd boos toen hij meende te merken dat de hardloper Crison, met wien hij een wedstrijd hield, opzettelijk zijn vaart minderde. Wijs was het ook van Achilles dat hij, na gezegd te hebben: Want zoals ik was er geen van d’in ’t koper gepantserd’ Achaëers er dadelijk op liet volgen: Maar in den oorlog alleen; in den raad deed ik onder voor velen. Toen de Perzische satraap Megabyzus in het atelier van Apelles kwam en over kunst ging leuteren, snoerde de schilder hem den mond met te zeggen: “Zolang je zweeg, leek je een heel heer vanwege je goud en je purper, maar nu je aan ’t wauwelen bent gegaan, lachen zelfs de jongens, die verf voor me stampen, je uit.” Sommige mensen denken dat ’t van de Stoïcijnen maar gekheid is, wanneer ze hooren dat bij hen de wijze niet alleen verstandig, rechtvaardig, dapper heet te zijn, maar ook geldt voor den volmaakten redenaar, dichter, veldheer, voor een rijke en een koning. Doch zelf willen zij dat alles tegelijk wezen en als hun dat niet lukt zijn ze ontevreden. En toch, ook van de goden heeft de een de eene, de ander de andere macht: de een heet krijger, de ander de waarzegger, de derde de winstverschaffer. En als Venus zich mengt in den strijd, stuurt Zeus haar weg om zich met huwelijksaangelegenheden te bemoeien.

XIII[bewerken]

Immers sommige dingen, waarnaar men streeft, werken niet met elkaar mee, maar werken elkaar tegen. Bijvoorbeeld, oefening in de welsprekendheid en bestudering der wetenschappen vereischen een rustig leven en vrijen tijd, maar macht in den staat en vriendschap met machthebbers krijgt men niet zonder drukte en bedrijvigheid. En verder ‘wijn en een sterke vlees-voeding’ zoals de wijsgeer zegt, maken ’t lichaam sterk maar den geest zwak; voortdurende zorg voor zijn vermogen en bewaking van geld vermeerdert den rijkdom, doch minachting en verwaarlozing van dit alles is leeftocht voor de wijsbegeerte. Niet allen valt alles ten deel: men moet horen naar de vermaning van Delphi en zich zelven leren kennen. En dan zich zelven gebruiken voor dat, waarvoor men geschapen is, niet zich zelven slepen van ’t ene beroep naar het andere en aldus zijn natuur verkrachten: Vóór de koets draaft het paard, maar een os trekt den ploeg, Naast het schip zwemt de vlugge dolfijn, Als g’een ever wilt dooden, zo zoekt u een hond, Die het werk van de jacht heeft geleerd. Maar wie jammert en treurt omdat hij niet tegelijkertijd een leeuw is Op de bergen gevoed, op zijn krachten vertrouwend en een schoothondje, dat door een oude juffrouw wordt opgekweekt, die is gek.En niet verstandiger dan deze is hij, die tegelijkertijd een Empedocles wil wezen, een Plato, een Democritus en (wil) schrijven over het heelal en het wezen der dingen en als Euphorion een rijke weduwe het hof (wil) maken of als Medius de drinkgelagen van Alexander (wil) nalopen en met hem (wil) feestvieren en die ’t zich aantrekt en er smart over heeft dat hij niet bewonderd wordt om zijn rijkdom als Ismenias en om zijn dapperheid als Epaminondas. De wedlopers zitten toch ook niet moedeloos neer omdat ze niet de kransen der worstelaars behalen, maar ze zijn trots op de kransen, die hun zelven ten deel vallen, en hebben daar vreugde over. ‘Sparta is uw land, wees Sparta tot roem’ zegt het spreekwoord. En Solon zegt: Maar ik wil met hen niet ruilen: rijkdom krijgen, geven deugd; Want de deugd blijft altijd bij u, rijkdom gaat van hand tot hand. Toen Strato de physicus hoorde dat Menedemus drie- of viermaal zoveel leerlingen had als hij, zeide hij: “Wat wonder dat het getal dergenen, die een bad willen nemen, groter is dan dat der worstelaars?” En Aristoteles schrijft aan Antipater: “Niet alleen Alexander heeft het recht trots te zijn omdat hij heerst over vele mensen; daartoe hebben niet minder recht zij, wien het te beurt valt omtrent de goden te denken wat behoort.” Wie aldus in de hoogte steken wat zij zelve hebben, die zullen niet gekweld worden door hetgeen anderen hebben. Maar wat doen wij? Ja, van een wijnstok verlangen wij geen vijgen en van een olijf geen druiven, maar als wij zelf niet tegelijkertijd hebben de voorrechten der rijken en der geleerden, der krijgslieden en der wijsgeren, der vleiers en der vrijmoedigen, der zuinigen en der verkwisters, dan beschuldigen wij ons zelven en zijn ondankbaar en minachten ons eigen leven als onvolledig en onbeduidend. En toch, wij zien hoe de natuur zelve ons een lesje geeft: want gelijk zij het eene dier laat leven van dit en het ander van dat, en niet alle dieren heeft geschapen als vleescheters, zaadpikkers of wortelgravers, zo geeft zij ook den mens velerlei middelen om te bestaan Schaapherder moge hij zijn of ploeger of vogelverschalker of zijn onderhoud zoeken op zee. Ieder moet kiezen het werk wat hem past en zich daarmee bezighouden, maar een ander het zijne laten en niet tot een bewijs (laten) strekken dat Hesiodus zich onvolledig heeft uitgedrukt met te zeggen: Nijd heerst tussen pottebakkers, nijd heerst tussen timmerlui. Want niet alleen doordat men zijn vakgenoten en zijns gelijken benijdt, kwelt men zich zelf en verstoot zijn eigen levensgeluk, maar rijken staan geleerden aan te gapen en noemen hen gelukkig, beroemde mannen bewonderen rijkaards, rechtsgeleerden mooipraters, ja vrijgeborenen en aanzienlijken zien hoog op tegen comedianten, die succes hebben op het toneel, tegen balletdansers en hofbedienden.

XIV[bewerken]

Dat een iegelijk in zich zelven de voorraadschuren heeft van opgeruimdheid en van neerslachtigheid en dat de vaten van goed en kwaad niet liggen in Zeus’ woning, maar in de ziel, dat blijkt uit het onderscheid in aandoeningen bij den een en bij den ander.

De dwazen zien het goede voorbij, ook terwijl het er is, en verwaarlozen het doordat al hun aandacht gevestigd is op de toekomst, de wijzen daarentegen maken voor zich zelve ook, wat er niet meer is, door hun herinnering tot iets aanwezigs. Het tegenwoordige toch, dat zich slechts een zeer kort tijdsdeeltje laat aanraken en (dat) dan aan de waarneming ontsnapt, daarvan vinden de dwazen dat het ons niet meer aangaat en niet meer het onze is.

Zij doen ons denken aan het schilderij van dien man in de onderwereld, die een touw zit te vlechten, maar steeds het eind, dat hij gevlochten heeft, prijs geeft aan een ezel die het opeet: een vergeten, even dom en ondankbaar als die ezel, vangt op en verslindt alles van hen; het doet in ’t niet verdwijnen iedere handeling, ieder succes, iedere voordracht die in den smaak is gevallen, iedere prettige bijeenkomst, ieder genoegen, en belet dat het leven één wordt, iets wat alleen kan geschieden wanneer het verledene wordt samengevlochten met het tegenwoordige: alsof het leven van gisteren niet hetzelfde was als dat van heden, en wederom dat van heden niet hetzelfde als dat van morgen, zo rukt dat vergeten ons leven uiteen en maakt al wat ontstaat dadelijk tot iets wat er nooit geweest is, doordat het alle herinnering wegneemt.

De geleerden, die in de scholen allen groei ontkennen, bewerende dat de substantie in een voortdurenden stroom is, maken door hun geredeneer ieder onzer tot telkens een ander; maar wie met hun herinnering het vroegere noch vasthouden noch opnemen, maar laten wegvloeien, die maken met der daad zich zelven dag aan dag arm en ledig en dermate afhankelijk van den dag van morgen alsof verleden jaar, eergisteren, gisteren hun niet aangaan, ja alsof zij dat alles nooit hebben gehad.

XV[bewerken]

Dat is dus één verstoring van de welgemoedheid. Maar een veel ergere is het wanneer mensen, evenals vliegen op den spiegel afglijden van de gladde plekken, maar aan oneffenheden en krassen zich vasthouden, van alwat liefelijk is en aangenaam los worden en zich verkwikken in de herinnering aan het onaangename. Beter nog kan men hen vergelijken met de kevers in Olynthus, van wie men beweert dat als ze terechtkomen in een dalletje, dat den naam ‘keverdood’ draagt, er niet uit kunnen komen, maar er steeds in rond vliegende en draaiende, daarin dood gaan: want aldus willen die mensen, als ze eens verzonken zijn in de herinnering van het kwaad, daar het hoofd niet uit opsteken of op adem komen. Neen, men moet in zijn ziel de vriendelijke en vrolijke gebeurtenissen, als de heldere kleuren op een schilderij, in ’t licht en op den voorgrond stellen, en daardoor de sombere drukken en overschaduwen, want ze geheel uitwissen is onmogelijk. ‘Evenals van een lier en een boog, zo bestaat het wezen der wereldorde in spanning en terugspanning”, zegt de wijsgeer. En geen van al de menselijke zaken is rein en onvermengd. Maar evenals er in de muziek diepe en hooge tonen en in de taal klinkende en klankloze letters zijn, en niet hij een musicus of taalkundige is, die een van die beide soorten haat en vermijdt, maar hij, die ze beide weet te gebruiken en tot een juiste samenvoeging te vermengen (weet), zo moet men ook, daar het leven allerlei tegenstellingen heeft –immers terecht zegt Euripides: niet afgezonderd van elkaar zijn kwaad en goed: vermenging heeft er plaats van beide….. zóó is ’t wel- zich niet door één soort van lotgevallen laten ontmoedigen en tot wanhoop (laten) brengen, maar, als toonkunstenaars, steeds het slechte door het betere krachteloos makend en het kwade omvattend met het goede, van zijn leven een gepast en heilzaam mengsel maken. Want het is niet zoals staat bij Menander: Aan ieder mens bij zijn geboorte staat ter zij Een goede daemon, die hem leidt door ’t leven heen Als vriend, maar veeleer zoals Empedocles leert dat tweeërlei schikgodinnen en demonen een iegelijk onzer als hij ter wereld komt, pakken en wijden tot hun dienst: Daar stond d’Aardse, maar ook de Zonnige, glanzend van ogen, Bloedige Strijd en daarnaast de bezadigde, stemmige Eendracht, Schoonste en Lelijkste ook en Draaister en nevens haar Talmster, Lieflijke Zekerheid was er en Twijfel met donkere vruchten.

XVI[bewerken]

Daar dus onze geboorte de zaden van al dergelijke lotsbedoelingen dooreengemengd heeft ontvangen en dientengevolge allerlei ongelijkmatigheid medebrengt, daarom bidt een verstandig mens het betere, maar hij verwacht ook het slechtere, en beide gebruikt hij, het te veel er afnemend. Want niet alleen is ’t waar wat Epicurus leert, dat wie het minst verlangt naar den dag van morgen dien dag op de prettigste wijze tegemoet gaat, maar ook rijkdom, roem, macht en heerschappij verblijden het meest hen, die het minst bang zijn voor het tegendeel. Immers, een al te hevig verlangen naar deze dingen verwekt ook een heftige vrees dat ze niet blijven zullen, en maakt daardoor het genot er van zwak en onstandvastig als een kaarsvlam, die in den wind staat. Maar wien de rede vergunt om zonder vrees of beving tot het lot te zeggen: Brengt gij mij wat, ’t is mij lief, maar de smart is gering zo gij weg gaat die kan, hetgeen hij heeft, in den waren zin des woords genieten, doordat hij gerust is en het verlies er van niet vreest als iets wat niet te dragen is. Want die kan, de gemoedsgesteldheid van Anaxagoras, waarmee hij bij den dood van zijn zoon uitriep: “ik wist dat ik een sterveling had verwekt”, niet alleen bewonderend maar hem ook navolgend, bij alle gaven van het lot zeggen: “Ik weet dat ik mijn rijkdom heb voor een dag en niet voor de eeuwigheid”, “ik weet dat wie mij heerschappij hebben gegeven, mij die ook kunnen afnemen”, “ik weet dat mijn vrouw braaf is, maar (ook) dat ze een vrouw is”, “ik weet dat mijn vriend een mens is, een wezen van nature licht veranderlijk”, zoals Plato zeide. Dergelijke voorbereidingen en stemmingen des gemoeds, die als er iets gebeurt dat men niet wenscht, maar wel heeft verwacht, geen plaats geven aan uitdrukkingen als: ‘wie had dat kunnen denken’, of ‘ik hoopte toch zo’, of ‘dat had ik niet verwacht’; zij nemen als ’t ware weg de kloppingen en bonzingen van het hart, en brengen spoedig alle dwaze beroeringen tot rust. Carneades placht bij ’t spreken over groote gebeurtenissen er steeds aan te herinneren dat het een en het al, wat smart en verslagenheid wekt, gelegen is in het onverwachte. Bij voorbeeld: het rijk der Macadonische koningen ging eenige malen op in het wereldrijk der Romeinen. En toch, toen Perseus Macedonië had verloren, jammerde hij over zijn lot en werd door ieder gehouden voor den deerniswaardigsten aller mensen. Maar die hem overwonnen had, Paulus Aemilius, die werd, toen hij zijn krijgsmacht, waarmee hij om zo te zeggen meester was geweest over alle land en zee, had overgegeven aan een ander, bekranst, bracht offers, werd gelukkig geprezen; terecht, want hij wist bij ’t ontvangen van zijn macht dat die zou moeten worden afgestaan, maar die ander verloor de zijne, zonder dat ooit verwacht te hebben. Homerus heeft ook met een goed voorbeeld geleerd hoe groot de macht van het onverwachte is: Ulysses kreeg tranen in de ogen toen hij zijn hond zag kwispelstaarten, maar toen hij zat bij zijn wenende vrouw overkwam hem niets dergelijks. Want bij zijn vrouw kwam hij, toen hij reeds al zijn aandoeningen onder de macht der rede gebracht had, maar in die neiging tot wenen verviel hij tengevolge van het onverwachte, dat daar zo plotseling vóór hem stond, zonder dat hij er op had gerekend.

XVII[bewerken]

In’t algemeen, daar van de ongewenste zaken sommige door haar natuur en aard het smartelijke en verdrietelijke aanbrengen, maar we omtrent het meeste, ten gevolge van de gangbare mening, ons aanwennen en leren er verdriet over te hebben, is ’t niet onnuttig ten opzichte van deze steeds bij de hand te hebben het vers van Menander:

Het kwaad, dat gij ontveinzen kunt, dat trof u niet.

Immers wat, dat noch uw vlees, noch uw ziel raakt, gaat u aan? B.v. de onedele geboorte uws vaders, het wangedrag van uw vrouw, het verlies van een onderscheidng of een vooraanzitting? Al heeft een mens die dingen niet, dan belet toch niets hem om én lichamelijk én geestelijk in den besten welstand te verkeeren. En ten opzichte van die andere, die heeten door haar aard smartelijk te zijn, ziekte en pijn, verlies van vrienden en kinderen, dat van Euripides:

Ach, ach…..waarom dat ach? Mij trof een menselijk lot!

Want geen gedachte houdt onze gemoedsstemming, waar die zich laat meeslepen en gaat afglijden, zo goed tegen als de gedachte, die ons herinnert aan de natuurlijke noodwendigheid, waarin de mens verkeert….. door zijn lichaam, wat dan ook het eenige is waarmee hij aan het lot vat op zich geeft, terwijl hij voor zijn belangrijkst en meest eigen deel onwankelbaar blijft staan.

Toen Demetrius de stad der Megarensers had overweldigd, vroeg hij aan Stilpo of er ook van hem iets geplunderd was. En Stilpo antwoordde: “Ik heb niemand gezien die iets droeg wat het mijne was.” Want al plundert en rooft het lot ook al het andere, in ons zelve hebben wij. Iets wat d’Achaeërs noch weg kunnen dragen, noch weg kunnen voeren.

Dus moeten wij onze eigene natuur niet al te laag stellen of die ganselijk minachten alsof zij niets sterks en standvastigs had, niets wat boven het lot verheven is. Integendeel, wij moeten, wetende dat het zwakke en vergankelijke deel des mensen, het deel waar het lot vat op heeft, slechts een klein deel van hem is, maar dat wij over het beste deel zelf baas zijn, dat deel waarin onze grootste goederen gevestigd zijn, nl. goede meningen, kundigheden en op deugd uitlopende wijsheid, goederen die ons niet kunnen worden ontnomen en die onverderfelijk zijn.

Dat wetende moeten wij tegenover de toekomst onoverwinnelijk zijn en onbevreesd, tot het lot zeggend wat Socrates, terwijl hij deed alsof hij tegen zijn aanklagers sprak, zeide tot zijn rechters: “Anytus en Meletus kunnen mij dooden, maar kwaad doen kunnen zij mij niet.”

Immers het lot kan ons in een ziekte storten, ons beroven van onze bezittingen, ons bij volk of vorst in een kwaden naam brengen, maar den brave, kloeke, hooggezinde, edele kan het niet tot een slechte, een lafaard, een lage en onedele ziel, een nijdigaard maken, noch hem zijn karakter ontnemen dat hem altijd bijblijft en hem tegenover het leven van meer nut is dan de stuurman tegenover de stormen op zee. Want de stuurman kan noch de woeste golven noch den wind bedaren, noch waar hij maar wil een haven vinden, noch zonder eenigen angst of beven afwachten wat er gebeurt, maar zolang hij niet allen moed opgeeft, gebruikt hij zijn kunst en tracht zich te redden ‘inhalend ’t groote doek’, doch zodra ‘des afgronds golven stromen over ’t dek’, zit hij neer, bevend en sidderend.

Doch de gemoedstoestand des wijzen verschaft kalmte aan al wat tot zijn lichaam behoort, daar hij door zelfbeheersing, sobere levenswijze en matige inspanning aanslagen van ziekten op hem zoveel mogelijk verijdelt. En doet er zich een uitwendige aanleiding van krankheid op, een klip in zee, dan vaart hij, zoals Asclepiades zegt, daar voorbij met ‘vlugge en lichte zeilen’. Maar overvalt hem een heftige ziekte –een die hem de baas wordt- dan is de haven dichtbij, waarheen men zwemmen kan, daar zijn bootje, het lichaam, lek geworden is.

XVIII[bewerken]

Den dwaze doet niet de begeerte naar het leven, maar de vrees voor den dood hangen aan het lichaam, waaraan hij zich vastklemt als Ulysses aan den wilden vijgeboom, daar hij bang is voor de Chrybdis onder hem. Waar g’ om den storm niet blijven kunt, noch hijschen ’t zeil zo is de dwaas ontevreden met deze wereld en bang voor die andere. Maar wie ook maar enigszins rekening houdt met de natuur der ziel en overweegt dat zij bij den dood verandert in iets beters dan zij nu is of overgaat tot het niets, die heeft in zijn onbevreesdheid voor den dood een niet geringen voorraad van blijmoedigheid ten opzichte van het leven.

Want hij, wien het gegeven is om, zolang de lotsbedeeling voor het meerendeel strookt met zijn aard en wezen, genoeglijk te leven, en zodra hetgeen met zijn natuur in strijd is de overhand heeft, onbevreesd heen te gaan met het woord op de lippen: De god zelf zal mijn boeien slaken zo ik ’t wil.

Wat ergs, onaangenaams, verbijsterends kunnen we ons denken dat hèm zou kunnen overkomen? Wie zeggen kan: “O lot, ik ben u vóór geweest en heb u alle kansen tot binnensluipen benomen”, die heeft zijn kracht gevonden niet in grendels, sleutels, muren, maar in grondstellingen en gedachten, die bereikbaar zijn voor ieder, die ze begeert.

En aan de kracht van zulke gezegden moet men niet wanhopen noch ze wantrouwen, maar ze bewonderend, ze nastrevend, en mededweepend met wie ze hebben gesproken tevens de proef van zich zelven nemen en zich zelven bij het kleinere onderzoeken met het oog op het grootere; dat grootere niet vliedend noch de gedachte daaraan afstootend van zijn ziel, door zijn toevlucht te nemen tot gezegden als: ‘’t zal zo’n vaart niet loopen’, want zo’n goedmoedigheid des geestes, die altijd blijft bij het gemakkelijkste en steeds uit het ongewenschte wegvliedt naar wat het aangenaamste is, baart verlamming en ongeoefende weekelijkheid.

Doch de ziel die zich oefent om de voorstelling van ziekte, moeite of ballingschap te verduren en die dwingt alles te beredeneeren, zal in al dat zogenaamd onaangename en vreeselijke veel gelogens, ijdels en onbeduidends vinden, gelijk de beschouwing van ieder geval afzonderlijk hem leert.

XIX[bewerken]

En nu zijn er veel mensen wien dat woord van Menander schrik aanjaagt: Geen levend mens kan zeggen: “dat gebeurt mij nooit” Niet wetend hoe ’n uitstekend middel voor vrijdom van smart gelegen is in het zich voorbereiden en in het met geopend oog kunnen aanzien van het lot en in het niet in zich zelf aankweeken van ongeharde, weekelijke voorstellingen, gevoed als ’t ware en gekweekt door allerlei verwachtingen die steeds wijken en nooit stand houden. Doch dit kunnen wij Menander antwoorden: Geen levend mens kan zeggen: “dat gebeurt mij nooit” Dat is waar, maar een levend mens kan wél zeggen: “dat doe ik nooit: ik zal nooit liegen, luieren, bedriegen of gemeene dingen doen.” Dat is in onze eigen macht en dat geeft niet weinig, maar zeer veel blijmoedigheid, gelijk aan de andere kant ’t bewustzijn dat mij drukt van ’t kwaad door mij verricht in de ziel achterlaat wat een wonde plek is voor het lichaaam, n.l. berouw dat altijd bloedt en altijd pijn veroorzaakt. Want andere smarten neemt het nadenken weg, maar datzelfde nadenken verwekt juist het berouw, wanneer de ziel onder een gevoel van schaamte wordt gekweld en getuchtigd door zich zelve. Want gelijk zij, die koud of warm zijn door koorts, grooter kwelling ondervinden en er slechter aan toe zijn dan zij die dezelfde gewaarwording ondergaan door uitwendige koude of warmte, zo brengt al wat het lot ons toevoegt minder smart met zich, daar die als ’t ware van buiten komt. Maar dat men bij tegenspoed diep uit zijn borst jammert: Niemand draagt een deel mijner schuld, alleen ik ben schuldig dat maakt door de schande het verdriet te grooter. En dus: noch kostbaar huis, noch menigte van goud, noch aanzien van geslacht, noch grootte van macht, noch bevalligheid van taal of macht des woords verschaft aan het leven zulk een vrede en kalmte als een ziel die rein is van booze daden en overleggingen en die de bron des levens, her karakter, rustig houdt en onbezoedeld. Daaruit stroomen de schoone daden, daden van bezielde, vroolijke, fiere werkzaamheid, die een herinnering met zich brengen liefelijker en verstandiger dan de hoop, het voedsel des ouderdoms volgend Pindarus. Want, als ’t waar is wat Carneades zegt, dat wierookvaten, ook nadat ze zijn geledigd, nog langen tijd een liefelijke geur van zich geven, dan mag men niet aannemen dat in de ziel des verstandigen zijn goede daden niet steeds een liefelijke en steeds frissche overdenking nalaten, waardoor de vreugde wordt besproeid en frisch blijft en spot met hen die jammeren over het leven en het smaden als een oord van ellende en ballingschap hier aan de zielen toegewezen.

XX[bewerken]

Ook vind ik voortreffelijk dat gezegde van Diogenes, die, toen hij zag dat zijn gastvriend in Sparta zich voorbereidde voor een feest en daarvan veel werk maakte, vroeg: "Maar viert een man, die is zoals ’t behoort, dan niet iederen dag feest?"
Ja, en wel een zeer schitterend feest als wij ’t goed overdenken. Want de wereld is de heiligste en goddelijkste tempel; in dezen wordt de mens door zijn geboorte binnengeleid niet als een beschouwer van met handen gemaakte en onbewegelijke beelden maar van de zinnelijk waarneembare nabootsingen van het gedachte, zoals de godheid die vertoont, (gelijk Plato zegt), welke in zich hebben de ingeschapen kiem van leven en beweging: de zon, de maan en de sterren, de rivieren die steeds versch water uitstorten, de aarde welke voedsel opzendt voor planten en dieren.
En daar het leven een inwijding is en een opleiding tot recht begrip der schouwspelen welke de godheid geeft, behoort het vol blijmoedigheid en vreugde te zijn. Het geheele leven!……de meeste mensen (echter) wachten op Kronos-feesten, Zeus-feesten, Panathenaeën en andere dergelijke dagen om vroolijk te wezen en een lach te doen hooren die gekocht is, want ze betalen er geld voor aan tooneelspelers en pantomimen.
En toch ook daar zitten wij ordelijk en welgemoed. Niemand immers jammert er bij de mysteriën of houdt een klaagzang bij ’t zien der Pytische spelen of bij het drinkgelag op de kermis. Maar die feesten, die de godheid voor ons inricht en waarin de godheid ons inwijdt, die maakt men te schande door zijn leven door te brengen in weeklachten, zwaarmoedigheid en kwellende kommer. Men heeft behagen in instrumenten, die een aangename klank geven, in vogels die liefelijk zingen, men ziet graag dieren, die spelen en dartelen, maar houdt niet van beesten, die brullen, balken en onvriendelijk zijn.
Doch hun eigen leven zien zonder glimlach en terneergeslagen, steeds gedrukt en gekweld door de onaangenaamste kwaden, lasten en zorgen waaraan geen einde komt, verschaffen de mensen niet alleen zich zelf geen verademing of verkwikking, maar nemen ook het woord van anderen, die hen willen bemoedigen, niet aan, het woord waarnaar men zich slechts heeft te gedragen om het tegenwoordige zonder klacht te aanvaarden, het verleden dankbaar te herdenken en met blijde, opgewekte verwachting zonder vrees of argwaan de toekomst tegemoet te treden.