Eenheid/Nummer 381/Thijs de Stralende

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Thijs de Stralende’ door A.H. Feis
Afkomstig uit Eenheid, nr. 381 (zaterdag 22 september 1917), [p. 3]. Publiek domein


[ 3 ]

Thijs de Stralende.

Hij was een enkeling en droeg daarom de geheele wereld. Hij alleen beteekent zooveel als de geheele wereld. Hij was een enkele en trachtte zich daardoor te verbergen tusschen de millioenen eener wereldstad, opdat men hem niet zoude vinden, maar zijn geest straalde als een zoeklicht hoog boven het gewoel en het moorddadig gedoe van het hedendaagsche Europa. Daardoor zag men hem.

Hij haatte zijn’ tijd, wiens basis bedrog, moord en immoraliteit is en zal toch genoemd blijven worden als misschien de eenigste kunstenaar „van zijn tijd”. Hij ontstak het licht in zijn kamer en sloot de blinden, maar hij hield geen rekening met de kracht van het licht, die door de reten der blinden heenstraalde. Daardoor zag men hem.

Men zegt van hem, dat hij „in vuil” leefde, maar dat zal waarschijnlijk even legendarisch zijn als de ton van Diogenes en de pij van Tolstoy. Een mensch kan niet in vuil leven en tegelijk „kuisch” zijn en licht stralen. Matthijs Maris zal lichamelijk wel evenzoo geleefd hebben als ieder ander, maar hij wilde niet dat men daarover sprak en daarom zwijgen wij.


Hij was de ware kunstenaar, zooals er door alle eeuwen en alle kunstbewegingen heen enkele sporadische figuren hoog uitblinken, die als berg niets te maken hebben met het gewirwar aan hun voet van „nieuwe bewegingen”, welke sterven tegelijk met hun schepper en niets achterlaten dan een hoopje stof.

De nieuwe beweging kan door den maker niet worden bepaald. Die wordt geconstateerd door het nageslacht.

De ware kunstenaar werkt en schept zijn geest om tot kunst. Dat is het eenigste waarmee hij te doen heeft. Met niets anders. Hij leeft, werkt en schept. En bekommert zich verder om niets.


De hedendaagsche nieuwe beweging in de schilderkunst maakt haar eigen doodkist. Zij timmert haar van uitgelezen hout en versiert haar met gouden naamplaat. Hierin begraaft zij haar eigen lijk. Zij is te voorbarig. Daardoor teekent zij haar doodvonnis en is al gestorven vóór zij leefde.

De kunstenaar schept, maar critiseert niet. De critiek is de dood van zijn’ geest.


Matthijs Maris was een schilder. Hij schilderde met verf. Maar die verf schiep hij om tot stralenden geest.

Hij was een toovenaar. In zijne vingers smolt de verf en werd tot licht.

Hij was een sprookjesmaker, maar hij schiep het sprookje van het leven. Daarom was hij een waar kunstenaar. Een kunstenaar van de eeuwen. Dat wist hij niet. Dat weten wij alleen, die na hem leven. En als hij het wist, dan sprak hij er niet over. ’t Was voor hem dan zóó gewoon als de tien vingers aan zijne handen.


De ware kunstenaar en in dit geval Matthijs Maris, was voor zichzelf een mensch, die arbeidde met verf. Meer niets. Hij was voor zichzelf noch groot, noch klein, noch nieuw, noch oud. Hij werkte en was een schilder.

Maar voor ons is hij Thijs de Stralende.

A. H . FEIS.      

Amsterdam, 15 Sept. ’17.