Flanor en Petrus Herman Scheltema/Het schilderen der huizen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het schilderen der huizen
Auteur(s) Flanor en Red.
Datum Zaterdag 9 april 1910
Titel Het schilderen der huizen. (Ingezonden.)
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 45, 15, 114-115
Brontaal Nederlands
Bron libserv.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[114]


114


[...]


Het schilderen der huizen.


(Ingezonden.)


      „Die zijn huis wil verkoopen, schildert den gevel,” las ik laatst in een spreekwoordenboek uit het begin der 18e eeuw. (1)
      Daaruit blijkt dus, dat het al van ouds gebruikelijk was, om de huizen door ze te schilderen een beter aanzien te geven; wat eigenlijk wel vanzelf spreekt. Die bedoeling wordt evenwel tegenwoordig heel dikwijls niet bereikt. Wat eenigszins vreemd schijnt daar men toch veel werk maakt van het schilderen.
      Wanneer men nu echter nagaat hoe niet alleen het schilderwerk maar ook het uiterlijk der huizen, in ’t algemeen langzamerhand is veranderd, dan blijkt al spoedig waarom het schilderwerk nu veel minder voldoet dan vroeger. Het meest opvallende van het schilderwerk waren de raamkozijnen, de omlijsting der voordeur en de kroonlijst boven aan het huis. Dit was alles met een geelachtige kleur gedaan, zoogenaamd bentemer, wat natuurlijk eene verbastering van Bentheimer is. Oorspronkelijk was het dan ook een nabootsing van gehouwen steen, wat bovenin ook daaruit blijkt, dat hetgeen men in die kleur schilderde vroeger ook uit Bentheimer of wel andere steen werd vervaardigd. Voor alles wat klaarblijkelijk niet van steen kon wezen gebruikte men het dan ook niet.
      Hoewel het nu over ’t algemeen geen aanbeveling verdient om iets het aanzien van een andere grondstof te geven, stond toch die ouderwetsche kleur heel goed, zoolang als de huizen betrekkelijk eenvoudig waren, maar toen men ze met allerlei quasi-ornamenten ging voorzien, voegde het volstrekt niet meer, vooral daar het meestal duidelijk zichtbaar was, dat al het bentemer geschilderde geen steen zijn kon.
      Ook met betrekking tot de zeer gebruikelijke blauwgrijze kleur zou ongeveer hetzelfde gezegd kunnen worden.
      Oorspronkelijk was het zooals bekend is ook een namaak van steen.
      Bij de ouderwetsche huizen werd het dan ook bepaald daarvoor gebezigd. O. a. gaf men de liggende dorpels onder de ramen die kleur. Wat dan ook niet misplaatst was. Maar om nu aan nieuwerwetsche gevels, dunne houten dorpels of iets anders dat blijkbaar geen steen is zoo te schilderen heeft volstrekt geen zin, daar deze kleur gewoonlijk met het overige werk in ’t geheel niet harmonieert, en het toch niet de illusie van steen kan geven.
      Gedeeltelijk maakt men dus uit een soort sleur aan de nieuwe huizen nog gebruik van ouderwetsche verf en toch worden er ook weer op fantastische wijze allerlei kleuren naast elkaar aangebracht. Dit bont schilderwerk heeft nu niet alleen het nadeel om alles behalve mooi te wezen,
—————
      1) Carolus Tuinman, Nederlandsche spreekwoorden; 1727.


[115]


115


maar ook nog dat degelijk materiaal wat kleur betreft er zeer bij afsteekt. Het gevolg daarvan is, dat het op een zekeren dag ook maar met de kwast behandeld wordt. Zoo ziet men dan b.v. mooi zandsteen prijken in een gewaad van zeegroen, grijs, lichtblauw of wel citroen-geel. Opmerkelijk is bij die neiging tot bontheid, dat daar, waar door verschil in grondstof en vorm eene afwisseling in kleur gemotiveerd zou zijn, men er geen gebruik van maakt. Bijvoorbeeld door houten jalouzieën of wel ijzer hekwerk onder aan ramen dezelfde steenkleur te schilderen als de aangrenzende muren.
      Eenen algemeenen regel op te geven hoe de huizen geschilderd moeten worden, is bij de groote verscheidenheid in constructie niet mogelijk. Voor de ouderwetsche huizen zou echter zeker ook de ouderwetsche manier van schilderen veel beter wezen dan de harde kleuren die er in den laatsten tijd dikwijls worden aangebracht.
      Voor nieuwe gebouwen is bentemer of grijs ook wel te gebruiken, maar daar deze uit materialen van zeer uiteenloopende kleuren zijn saamgesteld en zeer geornamenteerd zijn, zal men vooral trachten moeten om onaangename scherpe tegenstellingen te vermijden en zullen stemmige en weinig sprekende kleuren raadzaam wezen en wanneer de gevel geheel, de muren en alles, geschilderd moet worden, is het het beste om daarvoor eene enkele niet al te harde kleur te kiezen. Daardoor toch zal men eene onaangename bontheid vermijden en het huis zal er degelijker en massiever uitzien, als wanneer vele afstekende kleuren naast elkaar gezet worden, zooals nu soms gebeurt. Evenwel is het niet te ontkennen, dat bij bestaande gebouwen het schilderen soms moeilijkheden oplevert. Bij nieuw te bouwen huizen is het echter zeer goed mogelijk om wat dat betreft rationeeler en smaakvoller te werken dan nu doorgaans geschiedt.
      Het beste zou zeker wezen de huizen zoo te construeeren, dat er in ’t geheel geen schilderen bij te pas kwam. Dit schijnt misschien wel wat al te radicaal, maar is toch heel goed uitvoerbaar. Er zijn immers zelfs al gebouwen, zoowel oude als nieuwe, waaraan geen schilderwerk te zien is of waaraan het zich tenminste tot weinig in het oog loopende onderdeelen bepaalt. (2)
      (Er wordt soms wel beweerd, dat men moet schilderen om bederf van de materialen tegen te gaan. Dat hout en zelf steen spoedig vergaan wanneer men het niet met eene laag verf bedekt. In enkele gevallen kan dit waar wezen, maar over ’t algemeen genomen is dit een fictie. Ondeugdelijk materiaal bederft ook onder een verflaag, en dat van goede qualiteit is houdt zich ook zonder dat wel goed. Op brons, koper, zink, vormt zich wel een dun laagje van een soort oxyde, maar overigens verteert het aan de buitenlucht blootgesteld niet bijzonder snel. Houtwerk, tenminste zooals men het tegenwoordig gebruikt, is dikwijls binnen eenige jaren geheel verteerd, niettegenstaande het geschilderd was, en ongeschilderd kan het soms ook zeer lang goed blijven.)
      Al zal het nu misschien moeilijk zijn om van dit principe nooit af te wijken, dan kon men er zich toch tenminste toe bepalen om alleen schilderwerk aan te brengen, dat niet opvallend en als ’t ware schreeuwend is en enkel bij uitzondering als nabootsing van een of andere grondstof te gebruiken, wanneer dit namelijk niet bemerkt kan worden.
      Er zijn ook verscheidene gebouwen, die men wat dat betreft als voorbeeld zou kunnen noemen. Het station van de Hollandsche Spoor, (een gebouw dat over ’t algemeen een aangenamen indruk maakt) geeft o.a. in dat deel wat voor personenverkeer bestemd is, wat men, meen ik, het eiland-station noemt, duidelijk te zien, hoe men in die richting ook wel iets goeds kan maken. De kroonlijst van het gebouw, dat maar een verdieping hoog is, dus niet eens erg ver van het oog verwijderd als men op het perron staat, is geschilderd overeenkomstig met de kleur van de steen aan pilasters en op andere wijze gebruikt, en wel zoo, dat ik eerst bij eene vernieuwing bemerkt heb, dat ze geschilderd was. Dat dit geen echt steen is, valt dan ook in ’t geheel niet op, wat echter bij de kozijnen van deuren en ramen wel het geval zou wezen als men die in steenkleur geschilderd had, waarom men daarvoor dan ook wijselijk een stemmig bruin gekozen heeft.
      In tegenstelling met dit goede voorbeeld heeft men, in de laatste jaren, bij eenige gebouwen van onmiskenbaar architectonische waarde, nog breede bentemer geschilderde houten kozijnen aangebracht, en dat wel terwijl er overigens een ruim gebruik van gehouwen steen gemaakt is. Het zou toch zeker veel beter gestaan hebben wanneer men daarvoor òf werkelijk steen genomen had, òf wanneer men voor de constructie bepaald hout moest bezigen, dat dan de grondstof ook duidelijk zichtbaar was gebleven. Misschien meent men dat deze ouderwetsche gele kleur, bij de oude stijl, waarin de bedoelde gebouwen zijn opgetrokken, behoort. Wanneer het werkelijk oude gebouwen geldt is zoo iets te verdedigen, maar bij geheel nieuwe werken, die wel geacht kunnen worden door de oude architectuur geïnspireerd te zijn, maar die zeker geen nauwkeurige copie van het oude leveren, is eene dergelijke navolging volstrekt niet noodig. Bovendien komt het mij voor, dat dit niet eens het geval is. Bij restauraties die onder goede leiding plaats hebben gehad heeft men dergelijk geel geschilderd houtwerk dan ook niet aangebracht, men heeft het integendeel, wanneer het er was, juist verwijderd.
      Als een soort verontschuldiging voor het aanbrengen van het bonte schilderwerk wordt wel eens aangevoerd, dat wij hier in een zoo veel ongunstiger conditie zijn als in andere landen, waar gehouwen steen veel goedkooper is te krijgen. Dit is wel eenigszins, maar niet geheel, juist. De gebouwen in andere landen zijn ook niet enkel van gehouwen steen gebouwd. Dikwijls schijnt dit oppervlakkig wel zoo, maar bij nader onderzoek blijkt toch, dat men er ook hout, een of ander kunststeen, zink en ijzer aan verwerkt heeft. Maar door alles een met het steen overeenstemmende kleur te geven, valt het niet dadelijk op. Dit is ongetwijfeld beter dan het hier gebruikelijke bonte werk, op het eerste gezicht zal het tenminste doorgaans vrij goed voldoen, al is een gebouw geheel van echt steen natuurlijk beter, want later zal men toch gaan bemerken, dat alles niet is wat het verbeelden moet, ook al is het nog zoo goed nagemaakt. Bij vochtig weer b.v. neemt gehouwen steen een eigenaardige donkere kleur aan, terwijl een andere grondstof, die steenkleur geschilderd is, natuurlijk niet verkleurt, of tenminste niet op dezelfde wijze, en heeft men een gebouw eens in zulk een ongunstige omstandigheid gezien, dan is voor ’t vervolg de illusie voor goed bedorven.
      Waarom geeft men aan de kozijnen altijd een andere kleur dan aan de ramen, en zijn de kozijnen der ramen weer anders, bij sommige huizen, als die van de deur, al is de uitwendige vorm van beide geheel gelijk en dus geheel ongemotiveerd genoemd kan worden?


      Den Haag, April 1910.


FLANOR.


      De schrijver van bovenstaande regelen is geen architect en geen schilder. Niettemin kwamen zijne dikwijls juiste opmerkingen ons belangrijk voor, om er de aandacht van de mannen van het vak op te vestigen. Wij zijn niet altijd onbevangen in ons oordeel en het kan geen kwaad, nu en dan eens de meening te vernemen van iemand, die, buiten het vak staande, meent te mogen zeggen, wat hij er van denkt en te mogen vragen naar hetgeen hem onverklaarbaar lijkt.


Red.


—————
      2) Het oudste gedeelte van het stadhuis in Den Haag, het postkantoor in Amsterdam en vele andere.