Frederik van Eeden/Lioba/Deel 4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deel 3 Lioba van Frederik van Eeden

Deel 4

Deel 5


IV
RAADZAAL OP SCHALTHEIM.

Koning Harald op een hoogzetel. Bij hem Sintbertus, Horic, Hemming, Osfred, Agandeon, Warsten en andere edelen op zetels rondom.

HARALD.

Ik, Harald Reginfriedszoon, door de hand
des één'gen Gods gesteld tot Soeverein
van 't Neerlantsch Rijk en menig machtig volk,
koning van Denen, Friezen, Abotriten,
van Franken, Saksers, Beieren, Soraben,
Wilzen, Smeldingiers, Avaren, Britten,
Bulgaren, Langobarden en Wasconen—
ik die de kristenkoning wordt genaamd,
daar 'k verder legde Christi zachte juk
op 's heidens nek, dan eenig vorst, ja zelfs
dan Karl, de groote Frankenkeizer, 't deed,
daar 'k samenklonk tot één Rijk alle rijken
door zonen van mijn norenvolk gesticht,
daar 'k wat in 't Noorden Harald Schoonhaar won,
Rollo in Galliën, Rorik in Rusland,
Knoet in Brittanje, Roger in Siciliën,
met 't Friezenland door keizer Hludwig mijnen
voorvader Harald Halfdanszoon beleend,
Walacria, Flardinga, Mereweda,
Kinhem en Rostringen—tot één domein
versmolt en leerde^er Christi vredewoord—
ik riep u saam, mijn broeders, en u eed'len,
om zwaar beraad.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

      Mijn voetwond heelt niet meer,
een zwart bederf vreet voort in vleesch en been,
mijn hand kan niets meer dragen, 't eigen wicht
is haar te veel,—zoo wordt des denkens vracht
mijn hoofd te zwaar, daar 't giftig bloed er ruischt
brommend als water in spelonken,—soms—
als nu—scheur ik den sluier met geweld
en hef de loomë oogleên van voor de^oogen,
aanschouwend klaar des Rijks en mijnen staat,—
weldra ontzinkt die kracht weer—en mijn geest
drijft smartloos, machtloos, met des levens ebbe
op duistren stroom van droomen, als een kind,
en wacht, eerlang voorbijgaand aan Gods voeten,
Zijn reddende gebaar. Ziet mij, de schaduw
herkent ge des nabijën Doods.
             Zoo neemt
mijn dank voor trouw, wier heugenis verheldert
de lichtere^uren van mijn ondergang.
Maar ook bekomm'ring weegt als zware damp
op mijn gedachten. Staat den koning bij
trouw tot in de^einding van zijn aardsche werk.

Toen koning Frodi, duizend jaren her,
Gothland beheerschte, tijdens Jezu leven,
toen, zeggen Skalden, lag een gouden ring
veel jaren lang op de Jalangerheide,
daar er geen dief meer was in Frodi's rijk
om hem te nemen, en geen mensch deed meer
den ander schade, zelfs niet waar hij vond
dooder van vaar of moer, los of gebonden.

Zoo waar de staat mijns Rijks, had ik mijn wil
aan kracht verzaden kunnen.
               Ruw als rots,
wreed als vorst kou en wild als wind is 't volk
dat voert, in mij, thans 's werelds regiment,
waar harde weerstand van natuur en lot
zijn kracht geweldig prikkelt tot geweld,
maar onder vrede's blauwen hemel bloeit het
met oogst van gouden deugden wonder mild.

In roof en doodslag zoekt de man zijn roem,
zoolang zijn woest en onontgonnen hart
voelt kracht en strijdlust, maar nog niet de vrede
als 't wit zijns wils en 't eind van allen strijd,—
zoolang hij kent de pracht van 't roode bloed
op 't schittrend schild en 't helmenbrekend zwaard,
d' opvlammende vervoering van 't gevecht,
maar nog niet zag een stiller, blanker licht
boven rood fonklende^oorlogsvelden stralen,
met dieper lichtheid, en standvast'ger pracht,
de gloriën van vrede^en broederschap.

Hem nu is sterkste sterkte, die 't verband
aller begeerte^en wilde krachten kent,
en richt hen naar één éénig evenwicht.

Maar als voor zwakker oogen 't lichtste licht
is duisternis, zoo lijkt den ruwen man
vrede verachtlijk en verderf van kracht,
macht is hem 't hoogst, evenwichts eeuw'ge storing,
stoflijk geweld is hem der sterkte maat,
zinlijke praal der schoonheid uiterst eind,
hem is de daad reëeler dan aanschouwing,
en niet aanschouwing sterker dan de daad.

Ik heb gekampt, met kracht, om vredes wil,
luid deed mijn zwaard der heid'nen schilden zingen,
hard stak mijn speer barbaren, moorsch en noorsch,
Odins en Allah's bloed besproeide knechten,
met oorlog sloeg 'k wat oorlog wou bestend'gen,
den bloedwolf heb 'k in 't eigen bloed gesmoord,
't woest Wikinger bedrijf heb ik betoomd,
den rooversnaam van faam tot blaam gekeerd
en op 't wijd meeuwenveld de drakenvlag,
eertijds Land schrik, doen kennen als Land zegen.

Want mijn hand was een moker den geweld'gen,
maar zacht den hoor'gen, en der knechten schild.
Zij brak den slaven boei, die mensch aan mensch,
als hond of paard, met lijf en leven hecht.
Ik heb de^onvrije^en boerenstand versterkt
als de twee zuilen, waar der eedlen huis
mee staat op d' aard gevest,—geen band erkende^ik
dan die aan d' aard, ons aller voedster bindt,
en 't web van recht en wet, dat even mazig,
voor heer en huisman één, mijn rijk omspant,
en houdt de woeling al dier volken strak.
Halsring en ketens heb ik losgemaakt
van wie geen kwaad deed, van der Friezen strot
den wilgen strik. Ik ben een vorst van vrijen.

Ja, dit acht ik mijn roem, dit heb 'k gewild,
koning te zijn van mannen, niet van slaven,
koning van koningen, elk heer voor zich
van lot en leven, zoover God 't gehengt,
mij huld'gend met verstand en vrijen wil,
mij, daar ik sterkst en waardigst was te dragen
't embleem van aller eenheid, kroon en zwaard,
te zijn de sluitsteen in 't gewelf van wet
dat aller maaksel is en aller schut,
te voeren, schoon der eigen broosheid kundig,
symbool en staat van den volmaakten mensch.

Al menschenwerk vergaat,—alével streeft
de mensch zijn God, ook zonder uitzicht, na
En wil bestendigen der werken duur.

Helaas!—mijn blik rust bij 't verscheiden niet
op welbeveiligd werk, op hechten bouw
waarvan het storten door almacht'gen tijd
buiten den zichtkring ligt van menschlijk oog.
'k Heb die voldoening bij mijn heengaan niet
dat 'k duurzaam wrochtte, zij 't naar menschenmaat.

Ik mocht geen zoon die zwaar verworven wijsheid
mijns levens geven, als in de^open hand,
dat kracht in teerheid 't huis der toekomst bouwt.

Toen mijn vrouw Thora stierf, en Rolf de Reus,
mijn boos, oproerig kind, de wetten brak,
mij dwong hem te vervolge^en te verslaan
en voor mijn oogen, onder Valland's kust
zonk met zijn zeepaard, kiezend 't graf in zee,
zijn woest domein, boven den troon in 't mijne,
toen zonk ook voor mijn oog het glansrijk beeld
der toekomst weg, en grondslag van mijn bouw.

Van troost verstoken, als een renner, ziend,
dichtbij victorie, schoonsten prijs ontgaan,
ging ik, in ramp gedwee, Gods wijzing na,
en deed, deemoedig, wat eens konings is,
zege^op mijn doen niet wachtend.
                             Maar God zond
een zijner englen op mijn weg, zóó schoon
had nooit alkracht'ge teerheid mij gelicht,
als uit Lioba’s ooge^en wondren mond,
toen heb 'k mijn ramp vergeten en geloofd
in blijer toekomst—in een zoon, een zoon
vereenend moeder's liefde^en vaders kracht.

Helaas! Helaas!—welhaast verslui'ren zich
voor goed mijn ooge^en hebben 't niet gezien.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

't Vonkjen vertrekt, de vensterkens gaan dicht—
hun dienst heeft uit en 't schoonste^is niet gedaagd.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Hij zwijgt lang.

Horic, mijn broeder, ridderlijke held,
schrander in krijgsraad, in gevecht geweldig,—
voor dezen ring der edelsten van 't Rijk
vraag ik uw woord.—Zult gij, als na mijn dood
de dagen zijn verstreken der verwachting,
en alle hoop op nakroost is verdoofd,
vervangen Harald's en Lioba's zoon,
sterk maar vol teederheid, mild en gestreng,
schut den geringen, vreeze den geduchten,
pijler van recht, twist dooder, vrede held,
bazuin van Christi woord, voorbeeld der goeden,
mijn vrouw tot hoeder, 't Rijk tot wijs regent?
Ik ken uw hoogen aard wel, maar ons scheiden
veel jaren, en de tijd brengt deemoed aan
en matiging. Gedenk de woorden nu
van uwen broeder, neem des Konings wijsheid
met Konings macht, en maak mijn neergang licht
door woord, gegeven voor den ring der Eedlen.

een zwijgen.

HARALD tot den monnik.

Is er gesproken?

SINTBERTUS.

Niemand sprak.

HARALD.

De zee dreunt in mijn ooren.—
Waarom zwijgt ge, broeder?

HORIC.

Vraag mij niet, Harald.

HARALD.

              Weigert gij den eed?

HORIC.

Waartoe een krachtwoord? Kent mijn broer mij niet?
'k Ben hard metaal en simpel, 'n bronzen klok,
elk weet den zang dien 'k zing, wat mij ook raakt!
Heb vree, geen zorg, sterf blij'lijk, Heer en Broeder!
Weigerde^ik ooit, of week ik, waar zwaar werk
mij toeviel? Zie, is dan mijn hand te klein
voor den Rijks appel—vrees niet, 'kdraag met luister
uw kroon—met kracht en eere^uw zwaard.

HARALD luid.

Heb ik gefluisterd?—Werd ik niet verstaan?
Dit is het antwoord niet.

HEMMING opstaand.

              Bij Asathorr!
hoor dan het antwoord! Bastaardij bedreigt
het Rijk. Wie zal door eed en spreuk zich binden
te dulden zulken smaad? Niet graag ontrusten
we^uw sterfbed door de twee erbarminglooze
sombere raven nijd en spijt. Maar 't moet,
waar gij vraagt hulde^en oorlof voor wat kind
Lioba baren mocht.—U soeverein,
wereld beheerscher, veldheer zonder blaam
blijven wij huld'gen, tot den dood loyaal,
tot uw laatst woord, zoo 't helder tot ons komt,
van koorts walm vrij. Maar niet zijn wij gezind
narren te zijn van haar vileine spel.
U deert het nauw, beschaduwd door de vleug'len
van d' eeuwigheid—Wij hebben nog te leven.

DE EDELEN.

Fij, Hemming! Hemming!

HARALD na een wijle

Waar 's die muziek?

stilte.

               Vergeef mij, broeder Hemming,
mijn aandacht wordt door vreemd gerucht gebonden
en hoort niet naar mijn dwang, als 't kind dat leeft
in spanning van wat wondren gaan genaken.
Spreek kort en scherp, tref stellig, dat het raakt.

HEMMING.

Deze hier smalen, wijl ik u niet gun
scheiden in zoet niet weten. Maar ik acht
u zoo gering niet, dat gij zoudt behoeven
nu, dichtbij dood, een zoete leugenkost,
die waarheid hard tot brood uws levens eischtet.
Versta dan dit, dat Lioba, de teedre,
is valsch, als alle teedren, en dat Tancolf
de dweper, zwak is, zooals dwepers zijn,
want als een luttel koper in puur goud,
voegt hardheid en bezonnenheid in trouw,
of bei zijn onnut, deugdloos, week en broos.
En weet, dat ik niet laster, bij geruchte,
maar zag, en als gedaagd getuige klaag.

HARALD zacht.

Wees stil nu, Hemming, gij hebt wel geraakt.

een stilte.

Is mijn vrouw hier?

SINTBERT.

Neen, Heer.

HARALD.

Agandeon! zoek waar de koningin is, roep haar hier.

AGANDEON.

Koning! men zegt, ze^is weg.

HARALD.

Doe naar mijn woord.

Agandeon vertrekt.

HARALD, opeens na lang zwijgen.

O, Vader! Vader in uw hemelsch huis!
Wat sart ge 't kind dat voor zijn poorten staat
en u te roepen bij den Vadernaam
nooit angstiger verlangde.
                Onze Vader!—
ben 'k dan nog niet, na zooveel vlijts, zóóver
dat 'k de^aanvangswoorden Uwer heil'ge les
kan spreken met volmaaktheid van begrip?

Hij zwijgt, maar heft meermalen de gevouwen handen op.

OSFRED, opstaande.

'k Bid mijnen goeden Heere, wees 't getroost,
bedroef u en ons niet zoo zeer, dit schrijnt
meer dan geritste wonde na 't gevecht,
en als die handvouwing, die uit ons harden
zelfs tranen perst, Alvader niet vermurwt,
wáár waar dan 't door den Zoon gestaafd erbarmen?

Gedenk hoe jeugd is, en hoe ijdel 't heil
op vrouwe trouw gebouwd,—hoe een veel vaster
w deel is, roem onsterflijk, de triomf
van een gansch blaamloos leven, en een werk
met godenkracht verricht. Verrafel niet
in bittren twijfel 't wel geweven kleed,
vast groeit de toekomst als een levend woud
uit het door u geplantte. Waarvoor vreest ge?
Niet als eens Rome^in een beweeglijk meer
van ongetemde horden vol geheim,
maar veilig in natuurlijke begrenzing
van zee, woestijn en bergen rust uw Rijk.
Constantinopel viel, 't Warager volk,
ons eigen bloed, woont van der Dwina monding
waar Other landde, tot den Hellespont.
Tot ver in 't westen over de Oceaan
bracht Erich Rauda Noorsch beheer en volk
en Groenland, Markland, Wynland eert uw wet.
Welhaast verjaagt graaf Ruotrik uit Iberiën
den laatsten Moslim. Waarvoor vreest ge, Heer?

WARSTEN.

Kunt ge dan niet als Ragh'nar lachend sterven?
terwijl de slangen u in 't harte bijten?
als hij, in meer dan vijftig slagen streedt ge
en Fala's paarden hebben niet gevast
achter uw legers, 't heeft nooit waar gij streedt
aan buit ontbroken den geelvoet'gen arend.—
Eia! sterf blij, als koning Horic leidt
Hilda's getrouwen tot den mis der lansen,
dan knarst het vleuglig ijzer weer op 't pantser,
dan schrijft de blanke griffel roode runen,
dan bijt de wonden gulz'ge draak in staal,
dan waadt de raaf in bloed.
Vrees voor uw koningrijk niet, koning Harald,
't staat vaster dan 't gestort Kerlinga land,
wij zijn zijn steenen wallen, stalen schilden,
wij blijven strijdbaar, koning Horic trouw.
Zoudt gij dan niet als Ragh'nar lachend sterven?

DE EDELEN, met de wapens kletterend.

Hoort!—een woord!—een goed woord!

HARALD.

Kinderen zijt gij!—warsche kinderen!—
Eén broze stee in 's Rijks verborgen spil,
één fijne breuk in 't recht,—één kleine feil
in wie verhoogd als aller oerbeeld troont—
nauw zichtb're berst in d' ideale kern—
en wat baat muur of schild, of staal, of steen!—
't valt al, hoe hecht, tot gruizels.
Was er ooit rijk voor ondergang te groot?
Wie sluit bederf door zee en bergen uit?
Verrotting komt uit 't hart, en spreidt naar buiten.

Stilte.

LIOBA door het gordijn tredend aan den ingang der zaal.

Gij riept mij, Heer?

HARALD.

Kom hier.—

Zij nadert.

          Waart gij mij trouw?

LIOBA.

Mijn lijf was 't,—mijn ziel niet.
Mijn lijf gaat waar ik wil. Het doet wat 'k wil.
'k Wou trouw zijn, en mijn lijf liet zich gezeggen.
Maar mijn ziel niet. Dit 's vreemd, want wil is ziel.
Ben ik nu schuldig, Heer?

HARALD na een wijle.

Neen, gij zijt niet.

SINTBERTUS zacht.

Gij dwaalt.

DE EDELEN.

Gij dwaalt—Ze^is 't wèl.

HARALD.

             Neen, zij is niet.
Priester! mij kleedt het naderende Licht
in wijding van geen lager rang dan de^uwe.
Ik spreek haar vrij. Niet schuld'ger dan ikzelf.
Door mij wel 't laatst te richten, die haar blindde
met glans van rozen en juweelen licht
eer zij mij tot zich liet:—haar één'ge schuld.

HEMMING.

Geloof haar niet. 'k Zag haar met haar lief samen
bij nacht in 't duin.

HARALD.

           Lioba, antwoord niet.
Hong gansch mijn daadzwaar leven in balans
tegen één zilvren klank drop van uw stem,
deze^overwoog, 'k vond dieper vastheid hier,
'k achtte^éér al 't andre logen en een droom.

LIOBA bij hem knielend.

O goed, grootmoedig Heer! o goede koning,
mijn mantel van genade^en van geloof!
nooit wilde ik u verlaten. O mijn schild,
dat blijft getrouw der argwaan scherpte^en kilte
afweren van 't zwak hart dat u begaf.
Laat mij den dood nu van ú weren af,
verplege^uw wond, herstellen, wondren doen,
voor 't onherstelbaar kwaad ten zoen.
Mag 'k blijve'^en u genezen Heer? Ik smeek 't?

HARALD.

Gij moogt.—Laat ons alleen, gij allen, breekt
en raadskring.

De edelen rijzen, met dreigend gemompel.

HORIC.

Harald, zijt ge dan al blind!

STEMMEN.

Verraad!—Verraad!

AGANDEON.

Zie toe, de havik kringt—

HEMMING.

Ai! 't valkjen valt.

WARSTEN.

De wolf speurt leeuwen aas!

HEMMING. Zoo maakt te smeeige nerf een kindschen dwaas
en vrouwe speelgoed van den strammen held.

HARALD, zich oprichtend

Gaat!—ik gebied u!—en vertast u niet
aan den nog rappen leeuw. Hoedt u, die telt
zieltoger al tot aas, dat gij niet ziet
mirakelen, en 's dooden klauw u velt.

De edelen gaan zwijgend.