Frederik van Eeden/Lioba/Deel 7

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deel 6 Lioba van Frederik van Eeden

Deel 7

Inhoud en personen

VII
AAN HET ZEESTRAND BIJ DEN SCHELDEMOND.
ZONS ONDERGANG. HOOG WATER.

Koning Horic met groot en praalrijk gevolg. Hemming, Osfred, Agandeon, Warsten, Bisschop Hadebald, Sintbertus, Fastrade, edelen, krijgers, monniken, edelvrouwen. Een laag schip, versierd met zwart floers, hulst en sparregroen, ligt in de branding. Op het dek, op een grooten stapel groen naaldhout, Haralds lijk, met blinkende wapens er naast. Draken-standaarts wapperen van ‘t schip en bij Horic’s gulden zetel.

HORIC.

Dit 's meede^en witbrood mijnen koningstrots!
Midde^in den wijden halfkring van getrouwen
stralend van rijkdom, mans kracht, vrouwe schoon,
zien we^onzen troon als edelsteen gevat
in diadeem van gouden loyauteit.
Ons wijdst domein en tevens rijkst vasal,
de perkenlooze, gloedbeschenen zee
kust hulde ruischend, 't zand voor onzen voet,
en wijkt sleepvoetend, van haar durf verschrikt.
Wij, macht'ger dan onze^over oudoom Knoet,
gebieden haar te deinzen, ná den vloed.
Zoo 's wijsheid macht, begrip meer dan gezag.
Daar voor ons, droef, maar schoon tafreel, het lijk
des grooten broeders, wachtend 't wrekend recht
en plechtige^uitvaart, naar aloude zede.

'k Herdenk hoe hij, nu laag op groene baar,
lang voor de star zijns kristen naams verrees,
eens met mij, hoog te paard, ten veldtocht reed
uit Heidabaer, 't voorvaderlijk kasteel,
en, wijzende^op een hof vol kruisen, sprak:
“Sluit mij, als 'k Kristen sterf—en dat geschiedt—
in een dier vunze, houten doozen niet,
verbeelding gruwt van 't vuil en eng verblijf,
waar 'k als verstopt, verrot, afzichtlijk ding
ontwij der levenden herinnering.
Christo mijn ziel! aan Ran en Loki 't lijf!
Geef dat, naar Wikings wijs—zweer 't in dit uur!—
der vrije zee en 't snel verterend vuur.”

't Geldt hier dus onzen eed, en broederplicht.
Zeilree voor Haralds laatste^en verste reis li
gt 't groen omslingerd schip, om straks bij d' ebbe
't zwart zeil te^ontrollen voor den avendwind.
Wie bouwt hem grootscher koningsgraf, voorwaar!
Wat crypt of tombe kan deze^evenaren!
Wat priesterzang der golven doodenklacht!
Sol's bloedoog wacht en staart, de hemelwelven
omkoeplen goud bevlamd 't rood gloeiend veld
waar Aegirs vuur gerugde rossen steig'ren
van ongeduld den vaak getorsten ruiter
te dragen naar het land van eeuw'ge rust.

Wat uitvaart voegt den Kristenkoning meer,
de zon der wereld, aller volkren licht?
Werd niet aldus der Goden lichtste^en liefste,
die was als Christus, vreugd van aarde^en hemel,
verslage^ook, als de Kruisgod, door verraad,
bij luid gejammer der ontroostbare^Asen
op zijn schip Hringhorn zee en vuur gewijd?

Nu dan! Heer Bisschop Hadebald—volbreng
wat Thor bij Balders uitvaart deed, en wijd
den stapel met uw staf.

HADEBALD.

Heer koning! Ragnarockur is volstreden,
God Bald'r is dood, maar koning Jezus leeft,
en dit ontdoet de wetten zijner kerk.
Der aarde zij des menschen stof gegeven.
Want als de dag des laatsten oordeels doemt
geeft zee en aarde de gebeenten op,
maar 't vuur behoudt ze^als satans element.

HORIC.

Formeert God mensche^uit aas en niet uit asch?

HADEBALD.

Geheimvol is 't verbond van vleesch en geest
voor u en ieder onzer. Hun ont-eenen
als hun verbinden volgt verborgen Wet
waarin des menschen hand niet strafloos grijpt.
Hij moge richten wat zijn geest doorgrondt,
maar late 't God, het ondoorgrondbaar leven
te richten naar Zijn wetten van natuur,
in vorming en vergaan. Dus leert de Kerk.
Ontzie haar Sacramenten, breek niet roekloos
het broze, vreemd bemaalde glas, waarin
zij 't vlottend licht van Gods mysteriën sluit.
's Grootsten gezag, des schrandersten verstand
voert hem in rouw, waar hij 't alléén vertrouwt.
En boog de gansche wereld voor uw hand
maar gij voor God niet, ik ontvlood uw rechtskring
en zocht den Zijnen, waar 't eer veilig is.

HORIC.

Ei, vlucht! Heer Bisschop, 'k let u 't heengaan niet.

Hadebald gaat heen, gevolgd door alle monniken.

HORIC.

Ha! mannen, 't zwartwild rijst,—maar laat ze rennen.
Het klaart de sfeer. 'k Mocht lang hun lucht niet lijden.
Dit 's d' eerste zuiv'ring.—Breng Lioba hier!
dat 'k voor de schim mijns broeders rust erlang.

Lioba, straf gebonden, wordt op een draagbaar vóór Horic gebracht. Murmuur onder mannen en vrouwen.

Wat ligt gij, slang, nu als uw prooi gestrekt?
Kunt gij niet staan of knielen,—waar ik zit?

LIOBA.

Ik kan noch staan, noch knielen, Heer!—
Mij heeft ruw volk, door lasterlijk gerucht verwoed,
gesleurd uit 't heiligdom waar 'k waakte^en bad,
en bei de voeten overdwars gebroken.

HORIC.

Zoo breekt men hooggerezen slang den rug.
Helaas, te laat,—de beet was toegebracht.

LIOBA.

Dan doodt men haar. 't Is al wat ik verlang.

HORIC.

Oorlof!—Dus zijt gij schuldig?

LIOBA.

Ik ben schuldig.

FASTRADE.

Hoort! hoort! die sprak van laster! 't lastrend ondier!
Giftig gedrocht!—

DE EDELEN EN VROUWEN.

Monster!—ter dood!—ter dood!

OSFRED.

God zij 'r genadig!—Waar 's een hart zóó zwart!

HORIC.

Wee!—gij bekent!—gij hebt met gift'gen wijn
gedood uw' Heer en Koning, den zwaarkranken,
hem, die u hief en weldeed,—en die daad
gepleegd uit overspeel'ge min.

LIOBA.

Dit 's laster.
Door liefde smart verlamd, kon 'k hem niet redden.

 HORIC.

Gij wendt het zoetlijk naar uw valschen aard.
Maar 't Recht laat zich door woorddraai niet verlammen,
waar koningswil staat voor geschreven wet.
Om Tancolf was 't?

FASTRADE.

Koning, betrouw haar niet!

HORIC.

Zwijg, vrouwe!—Waar was 't zoetelief, Lioba?
Wat wist hij van den moord?—Waar is hij nu?
Men zegt hij 's hier geweest voor kort? Hij 's nóg?
Lieg niet!—of 'k doe u breken, wat nog heel!

LIOBA.

Gij vreest den braven ridder zeer t' onrecht.
Niets wist hij van mijn liefdesmart. Noch heb 'k
mijn zoetelief gezien na Harald's dood.
Wis is hij ver.

FASTRADE.

Zoo is 't, hij doolt in Sleeswijk.

HORIC.

'k Zal haar om u, Fastrade, niet betrouwen.
Hier, knechten, pijn schaf waarheid.—Maak een vuur.

Tancolf op Gardrofa komt van ‘t duin rijden.

Hallo!—een gast op 't feest!—Daar komt gerend
een, wien 't jolijt dunkt zich den hals te breken.
Kent gij 't zwartpaard, Fastrade?—Is 't hier Sleeswijk?

TANCOLF rijdt hard vóór Horic en smijt zijn handschoen neer.

Wie neemt dit pand?—Ik Tancolf Harnidszoon
daag tot een kamp op leve^en dood, elkeen
schildboortig en van zuivre riddereer
die 't waagt den naam der hooge vrouw Lioba
te smetten of haar deugd verdenkt.— Zoo waarlijk
help mij Jezus en de Maagd.

HEMMING.

't Is mijn!

HORIC.

Hou op!—Wie is hier Heer?—Gij knaap!
kent g'uwen Koning niet, dat gij niet knielt,
noch vraagt ons machtwoord voor zoo trotsch bedrijf?

TANCOLF.

Mijn Koning zal ik kennen, waar 'k hem zie
met koninklijke waarde^en hoofschheid slaken
de ruwe banden van een teedre vrouw.

DE VROUWEN EN EDELEN.

Hoort!—een hoog woord!—een edel woord!

HORIC tot Lioba’s bewakers.

Bindt los!—

Tancolf stijgt af en buigt de knie.

Gij durft, mijn jongen—Hemming, leg hem neer!
of beulshand doet het. En hij 's beter waard.
Erkent ge^als strijder voor uw veege recht,
Lioba, dezen ridder?

LIOBA de losgebonden armen uitstrekkend.

Ja, Heer koning.
'k Erken het vrij, nu zie 'k mijn zoetelief,
met wien 'k in hoogste liefde blijf vereend
voor 't leven en daarna. Toch is zijn deugd
gansch zonder blaam en dus zijn zaak gerecht.
Daar hij vrijwillig van mij ging, nog éér
hij 't teer geheim vond, dat 'k nu allen geef.

TANCOLF.

Zij is 't, niet ik—hoort allen!—door wier deugd
mijn zaak gerecht blijft, 't zij ik sta of val.
Zij wees mij weg voor immer, toen 'k haar smeekte
met mij te gaan,—bleef haren Heer getrouw.
En toen de dood haar echtband brak, en ik
in vuur'ge drift haar weg te voeren kwam, h
eeft mij die hand—God zegen d' arme hand!—
geslagen in 't gelaat.—

HORIC tot de edelvrouwen.

Ei, vrouwkens, snikt ge?
Straks was 't gedrocht en monster?—Nu geschrei?
Hoe goed dat 't Recht niet rust bij weeke vrouwen
smijdig als riet—maar in der Goden hand.
Hoe is 't, mijn broeder Hemming, blijft ge ree?
Of zwenkt ge^ook op elk zuchtjen van gevoel?

HEMMING.

Niet ik, Heer Broeder.—Hemming Reginfridszoon
heet Lioba ontrouw en valsch, en zal 't
volhouden met den zwaarde^op leve^en dood.
Zoo helpen mij dë Asen Freyr en Njördr!

HORIC tot Osfred.

Paal dan de kalDpplaats af, vijf el in 't vierkant.
Kiest elk een wapendrager en drie schilden.
Dit zij een holmgang naar oud Wikings recht.
O Harald! glanzend wordt uw doodenfeest!

Osfred paalt de kampplaats af. Twee pages dragen de schilden. De strijders worden geplaatst en vechten. Tancolfs schild wordt gekloofd.

OSFRED.

Hou in,—bloed droop op 't zand.

De strijders staken.

Wilt gij nu vrede?
't Gods oordeel sprak.

HEMMING.

Mij wèl. 't Is Tancolfs bloed.

TANCOLF.

Sla, man!—Kunt gij geen bloed zien?—Dood en leven!

Zij vechten.

FASTRADE knielt voor Horic.

Heer koning!, doe hen staken. Dit 's geen recht.
Zie! hij is ziek. 't Zwaard kantelt in zijn hand.
Zijn schild arm beeft, geen adem heeft hij, nauw
richt hij zijn slag—hij, anders stram als rots,
zoo vast van hand en blik. Hij reed van ver,
en rustte niet. Noemt gij dit Godsgericht?
Is God een God van vleesch en been en bloed?
Legt Hij Zijn Recht in spieren, niet in geest?
Zit gij hier ten gerichte, met uw ziel,
uw rede, wil, verstand, 't onsterflijk deel
dat God u schonk tot oefning van zijn Recht,
lijdzaam en werkloos, en laat spieren richten?

Tot Lioba.

En o gij teedre, met uw weeke hart,
die kust de bloemkens, en de vliegjens redt;
die wonde vogelkens beschermt en pleegt,
ziet gij dit bloedig werk gelaten aan
en lamenteert niet naar uw aard—fij! fij!
Zie, 't is uw Liefs bloed dat daar stroomt, uw Lief,
een mensch! geen beest!—Nu zwijgt ge^en vindt geen klank
dier zilvren stem, die koningen verwon.
Waar 't om een wesp, een pad, een visch—gij weendet!
O stalen teederheidl—O ijz'ge liefde!
Laf, hard gemoed!—Weekhartig ongevoel!
Verliefde, teedre duivelin!—Wee! wee!
Mijn zoon! mijn kind!—En dat om haar! om haar!

Tancolf valt.

OSFRED.

Genoeg!

HORIC.

Hij heeft zijn deel!

AGANDEON.

          Wat schooner dood
wenscht zich een man? Wie kiest laag veilig leven
vóór helder sterven in een heerlijk licht,
voor 't Lief, voor 't Recht, met een verrukten geest?

TANCOLF.

Mijn recht staat hoog en heilig, schoon ik viel.
Mijn Koning, nu 'k dra schaad'loos ben, gedoog
als laatste gunst, dat mij mijn Liefste kust
voor 't eerst in haar rein leven, en voor 't laatst.

HORIC.

't Is recht, mijn jonge^en 't zal de vrouwkens roeren.
Wilt gij, Lioba?

TANCOLF.

        Ai, zij wil, zij wil,—
zij dee 't mijn paard, 'k ben haar toch meer dan 't paard.
—Neem gij Gardrofa, Hemming, pleeg 't dier goed.—
Ach arme! waarom draagt men u?

LIOBA door Osfred gedragen.

Mijn voeten zijn stijf van 't binden. Morgen is 't al heel....
Heb dank, mijn Lief. Deze^aard heeft droever nooden
dan wonde^en dood in gloed van hoogste min.
Ik volg u gauw. Vergiff'nis heeft geen zin
van ziel tot ziel, waartussche^al troeblen vloden,
't omwolkt bestaan vol ruwe misverstanden
vervloeit met 't bloed, een éénig Licht blijft branden.

Zij kust hem.

TANCOLF.

Mijn Koning, wees genadig, laat haar wonen
tot haar stil eind, in 't
Sint Ursula sticht te Utrecht,
waar ze uit 't vensterken den schoonen
Dom-bouw kan zien, zoo heerlijk opgericht
in 't hart mijns lands....

hij sterft.

FASTRADE.

       Wee!—Zijn adem vlood—
zijn borst blijft stil!—Wat blijft mij, oud karkas,
verdorde huls!—uitgebrand vuur!—Hij was
al 't leven mij! Schim word ik door zijn dood.

HORIC.

De dag gaat om. Hou ree uw vuur. De bal
der zon dijt op de kim, haar roode lonk
wordt loom geloken. Haast u. Eer zij zonk,
schrijde door Glasirs goudbebladerd woud
held Harald tot de poorten van Walhall
en reik hem Saga's hand de kroes van goud.
Hij stierf door 't staal, doch niet blijve^ongewroken
Lioba's kwaad,—'t Gods oordeel heeft gesproken.
Genadig wil ik zijn, maar in genade
niet onbedacht, wel wikkend zoen en schuld,
dies wijs ik dat in Ursel's sticht Fastrade
zich 't barre hart weer met Gods liefde vult—
maar Trouw ten uiterst redde^ontrouwe ziel:
Lioba sture op laatste vaart die kiel.

LIOBA.

Heb dank, God, die in 't hart mijns vijands legt
wijsheid tot wijzing zóó schoon en gerecht!
Dat 'k mag bijblijven wien dit lijf behoort
en dienend ingaan met hem vreed'ger oord.
De heem'len bouwen om me^een hoog paleis
van gouden trouw, nu zal, na korte reis,
aan tijdloos stille stranden
ons schip wel veilig landen.

HORIC.

Breng haar aan boord. Geef 't roer haar in de hand,
opdat zij vare^als Nanna, Balder's vrouw,
met haren man. Den stapel steekt in brand.
Hijscht zeil, en kapt het touw.

Hij wordt gehoorzaamd. Het schip, losgemaakt, drijft, brandend, langzaam weg.

LIOBA op ‘t schip, zingt.

Ik heb op aarde wonderlijk
gewankeld her en der,
toch lichtte mij bizonderlijk
een vaste, stille ster.

Nu wijst die mij genadiglijk
evenwichts licht begin,
nu vaart mijn schip gestadiglijk
stormlooze haven in.

REI aan ‘t strand.

Vlamvogels kwettren, schittren uit, en fladdre^om mast en spant,
de rook wolkt somber los en stolt aan blanken hemelwand
tot trotschen donkeren kolom, naar walm op walmen schuift,
tot over gansch de gouden zee een zwarte rouw-boog huift.

LIOBA EN ONZICHTBAAR KOOR.

Jam vitae flamina
rumpe, o anima!
Ignis ascendere
gestit, et tendere
ad coeli atria:
Haec mea patria! #1

Voetnoot[bewerken]

1 ‘t Slotkoor is uit de hymne Maria sponsum quaerens.

.