Gezelle/'t Is stille (Tijdkrans)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
't Is stille van Guido Gezelle
Uit Tijdkrans

‘t Is stille. Rustig ligt
en slaapt het altemaal,
dat leute en leven was,
dat locht- en vogeltaal.
Geen windeken en waakt:
november houdt den staf,
en stelpt dat wekken mocht
het eindloos duister graf
des aardrijks. Ongebaand
en dood zijn weg en straat;
de voet alleen verwekt,
en ‘t stappen van die gaat,
een doof gerucht in ‘t loof,
dat, afgevallen, plekt
den grond, dien ‘t in een' spree
van doodsche varwen dekt.
‘t Is stille. Gij alleen,
o vlugge en vlijtig ding,
dat, langs den natten tak
geklaverd, uw gepink
laat hooren, fijn en snel,
ge ontsnapt en snetst alom:
"Ik leef nog: piep! Ik leef,
spijts ‘s winters winterdom!"


Guido Gezelle
(14/11/1890)