Gezelle/Alleen uit aller oogen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Alleen uit aller oogen van Guido Gezelle
Uit Tijdkrans

Alleen, uit aller oogen
     zitte ik, in den hoogen
hemel kijkend, sterrenvol;
     alle ding is duister,
     uitgeweerd den luister
van ‘t verheven stergerol.

Hoe kleen, o God, hoe kleene,
     donker en alleene,
ligge ik in dien grooten al
     van uw licht verloren,
     lijk een ongeboren
kind, dat niemand baren zal!

o Ondoorgrondbre sterren,
     die ‘k niet overkerren,
die ‘k niet overkijken ‘n kan;
     ziet gij, van de thronen
     waar gij pleegt te wonen,
mij, of de aarde, of iet daarvan?

Aanschouwt uw licht en hev'et,
     daar het zit en bevet,
ziele, of aême, of oogenstraal,
     om mij te achterhalen,
     in deze aardsche dalen,
mij, van in uwe opperzaal?

Wat ben ik u, o sterren,
     die zoo hooge en verre en
wijd van mij zit? Ben ik iet,
     dat gij kunt ontwaren,
     daar ik u zie varen:
weet gij dat mijn ooge u ziet?

Gij roert, ik zie u wandelen;
     leeft en kunt gij handelen?
Zijt gij geest? Onsterfelijkheid?
     Of, is uw geflonker,
     lijk het eeuwig donker,
stom, en tot geen taal bereid?

Gesprakig is al ‘t wezen
     dat de wil van Dezen
die het Woord is worden liet;
     stom en zijn uw' stralen,
     sterren, niet, en talen
doen ze, meê in ‘t eeuwig lied!

Eenpariglijk omzingt gij,
     choorewijs omringt gij
‘t Wezen, dat nooit aan en ving;
     en, zoo ik een reke
     zingend ben, of spreke,
zingen doe ‘k med alle ding!

Wij, - ik en gij - belijden,
     wij, door alle tijden,
wij, door alle ruimten heen,
     wij, van Hem begonnen,
     zielen, sterren, zonnen,
‘t woord van zijn almachtigheên!

Gekend, geloofd, geprezen
     zij dat eeuwig Wezen
van ‘t oneeuwige, en van al
     ‘t doende, ‘t zijnde, ‘t staande,
     ‘t stervende en ‘t vergaande,
dat ooit was of wezen zal!


Guido Gezelle
(mei 1883)