Gezelle/Cytisus laburnum

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Cytisus laburnum van Guido Gezelle
Uit Laatste gedichten

Gevlerikt, na der vliegen aard;
     gereesemd, al omleegewaard;
eenvervig, en van goude fijn,
     des goudenregens blommen zijn.

Zij staan in krabben, lang en smal
     van lijve; en recht een regenval
gelijken zij, van goude, ... neen,
     van zijde en licht en edelsteen.

‘t En is van al dat bloeit entwat
     zoo geluw, in geen blommenstad;
‘t is geluw, naast aan ‘t groen,... ‘t en doet,
     ‘t is groen, ten geel'wen uitgezoet.

Als, ievers in den hof gestaan,
     de goudenregens opengaan,
de duisterheid van ‘t groen verdwijnt,
     "het regent en de zunne schijnt."

Hoe jammer, dat zoo gauw voorbij
     uw' vlagen gaan van goude, en gij,
o gulden regen, al te broos
     van leven zijt ge, en tijdeloos!

Gij strooit den weg, nen dag nadien,
     of twee, dat wij u open zien:
zoo derf is dan uw dood gelaat,
     als kaf, daarop den vlegel slaat!

En, eens dat eene aan ‘t vallen is,
     de stervenstijd van allen is
gekommen: geen een blomme en kan ‘t
     meer houden: ‘t goud is uitgebrand.

O goudenregen, heel en al
     het jaar, zoo heet gij regenval;
doch regenval van goude, aleer
     het meien zal, en zijt gij meer.

‘k Verlange al, eer de maand daar is
     weêromme, en tend de hoven, frisch,
vol goudeware en zonneschijn
     geregend door uw' blommen zijn.

24/5/1897