Gezelle/De doornenboom

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De doornenboom van Guido Gezelle
Uit Laatste gedichten

     De schamele, oude boom,
die, midden in de vaten,
     veracht en ongetroost,
     des olieboeters staat;
     hij weet dat ‘t zomer is
en zou hij, zou hij ‘t laten,
     te bloeien, nu dat al
     dat blomme is opengaat?

     Gestapeld, rondom hem,
zijn tonnen, tonnen, tonnen,
     die olie zweten al,
     en stinken. Schouwen ook,
     verheven boven ‘t dak
des oliebouws, en jonnen
     maar bitterheid den boom,
     en afgerolden rook.

     Hij bloeien zal nochtans,
en, blij, de zonne bieden
     de vreugde van zijn hert:
     maar éénen keer in ‘t jaar
     en wilt het zomer zijn,
en mag ‘t den boom geschieden
     te bloeien, in den dwang
     van al die tonnen daar.

     Hij bloeit en staat in ‘t wit
getooid, langs alle kanten
     één vlage blommen duikt
     zijn' takken, scheef en krom;
     de bietjes zie ‘k er zog
van zuiver zeem in zanten,
     de blommen in en uit,
     en uit en in, weêrom.

     Bloeit helder, helder op,
o boom, en luide pralen
     laat al uw lief gewaai,
     deur dikke en dunne! Neen ‘t
     t' en is maar éénen keer,
dat ‘t meie is; hillen dalen
     zijn blijde: blijde zijt,
     genoeg, genoeg geweend.

     De tonnen staan alom
gestapeld: zwarte, zware
     gedaanten, ongehier
     van leelijkheid. Welaan
     o taaie doornenboom,
daar midden in, verjare
     nog menigmaal uw hoofd,
     vol bloeiend wit gelaân!

16-17/5/1897