Het Vaderland/Jaargang 55/29 januari 1923/Avondblad/Diligentia

Uit Wikisource
(Doorverwezen vanaf Henri Borel/Diligentia)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Diligentia
Auteur(s) H.B.
Datum Maandag 29 januari 1923
Titel Diligentia. Dada
Krant Het Vaderland
Jg 55
Editie, pg Avondblad B, 2
Opmerkingen Koos Speenhoff vermeld als Speenhoff, Nelly van Doesburg als Mevr. v. Doesburg, Willem Kloos als Kloos, Herman Gorter als Gorter, Theo van Doesburg als v. Doesburg
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

DILIGENTIA.
DADA.


      Toen ik, nog geheel dada van het gedeeltelijk dada-publiek, even ergens de Groene ging lezen, vond ik toevallig een versje van Speenhoff over eenzelfde dada-uitvoering in Amsterdam, waarvan de 4 eindregels volkomen mijn indruk van dezen middag weergeven:

            „Niemand wil de waarheid hooren
            En we maken reuze-gein
            Als de dadaïsten toonen
            Hoe dada we zelf wel zijn.”

      Inderdaad, als deze dadaïsten (die niet eens raschechte dadaïsten zijn) hadden willen demonstreeren, hoe dada het publiek is, zoo is hun demonstratie volkomen gelukt. De menschen zaten te brullen, te gillen, te blaffen, te miauwen, te snorken, op fluitjes en clarinetjes te blazen als een troep volslagen krankzinnigen en één meneer, die toch werkelijk wel behoorde te weten wat humor is, Mr. Kamp, werd nijdig en begon gedacht op te spelen tegen Kurt Schwitters. Het was een herrie van belang. Merkwaardig, hoe hij bij zoo’n gelegenheid menschen, die toch geacht kunnen worden de vormen te kennen, zich niet ontzien grof te zijn tegenover een dame (vindt u dit woord te bourgeois, zet er dan in elk geval voor: een vrouw) die een pianosolo speelt, en laat ik er bij verzekeren: zeer goed speelt. Men gierde het uit toen werd aangekondigd: „De doodenmarsch van een vogel” en „Militaire marsch van een mier”, en daar het ’t laatste nummer was, ging men joelende en protesteerende en lawaaiende onder ’t spelen heen. Maar als morgen Schäfer of Bauer of Grainger precies dezelfde stukken spelen, en men eerst op ’t programma heeft gelezen, wie Erik Satie is, hoe hij een der hoofden is van een zeer bekende muzikale Parijsche school en een hoogst serieus componist (al heeft hij zulke allerkomiekste scènes uit de kinderwereld gecomponeerd) dan vindt men dienzelfden vogel- en mierenmarsch (die werkelijk van Satie zijn) o! zoo aardig en o! zoo geestig. Daar men nu echter aan dadad bezig was, meende men ook dit te moeten bejoelen en beridiculiseeren, en toen, na allerlei dadanonsens opeens een der aandoenlijkste gedichten werd voorgedragen (ik geeft toe: allesbehalve mooi) die ooit in de oud-Duitsche volksziel geleefd hebben, namelijk Es fiel ein Reif in der Frühlingsnacht, en mevr. v. Doesburg er bescheiden maar schoon begeleidend een Etude van Chopin bij speelde, begon het gebrul en gemiauw opnieuw; zonder eenig benul van wat er gespeeld en voorgedragen was.
      Wat nu dada eigenlijk is? Als dat te definieeren was zou het al niet meer dadad zijn. Maar in de catastrofale tijden van vernietiging en vulkanische eruptie op allerlei gebied, waarin wij thans leven, is er niet veel wat niet dada is. De politiek, de litteratuur, het tooneel, de schilderkunst, de filosofie, noem maar op: dada! dada! dada! Lijkt de geheele wereld, zooals die tegenwoordig is, soms niet op een gekkenhuis? Dada! dada! Het tragische, en heel niet komische er van is alleen dat de menschen het niet inzien. Dezelfde menschen, die nu zaten te blaffen en te miauwen, laten zich op het tooneel, van katheders, van parlementaire, soms zelfs van professorale gestoelten, uit boeken en kranten, in danszalen en cabarets („attracties!”) wáár al niet, de grootste „dada” nonsens voorzetten, véél erger en vooral véél gevaarlijker dan die zoo straks in Diligentia verkocht werd, maar dien nonsens nemen ze voor ernst op, en laten er zich door bedotten. Hetzelfde Indianengehuil is aangeheven, ik heb het beleefd, toen Kloos eerste sonnetten verschenen, toen Gorter’s Mei in de Nieuwe Gids verscheen, en het wordt nog steeds aangeheven bij alles wat te groot is om direct door de massa begrepen te worden. Ik heb tooneel, schilderkunst, litteratuur, voordrachten, romans hooren toejuichen en bejubelen, die volstrekt niet minder nonsens zijn dan het nonsensikale verhaal, dat Schwitters deed van ’t nut van een kachel. Om niet eens van de dikke woorden en holle frazen te spreken van politici en volksredenaars.
      Wat de Dadaïsten, die narren in de groote tragedie van Europa’s ondergang, willen? Niets, zullen ze misschien zeggen, maar àls ze wat willen, is het zeker ons het „dada” van onze catatrofale tijden voorhouden, het dragen van den spiegel, waarin wij onze dwaasheid kunnen zien. Dada is.... onzin en houdt op waar men haar begrijpt, de Dadaïst houdt van onzin, maar weet dat het onzin is, de niet-Dadaïst houdt ook wel degelijk van onzin, maar beseft nièt dat het onzin is, en dat scheelt nog al zoo wat. Ik méén dat Schwitters zoo ongeveer dit heeft willen zeggen in zijn telkens door gehuil onderbroken toespraak.
      Of ik dan zijn geleuter over die kachel en zijn half geloeide, half geblafte, met cijfers en alfabet onderbroken gedichten mooi vond? Neen, allesbehalve maar wat ik wèl mooi vond is de manier, waarop hij de menschen er mede blééf staan treiteren toen ze hem bemiauwden en aanblaften, en als er hier iets dada was, dan was het niet hij, maar waren het die poesjes en hondjes. Om zóó iets nijdig worden! Hebben wij, dubbelgebeide Hollanders, dan geen gevoel voor den humor van dit geval? En niet ’t minste benul van den ernstigen achtergrond van dezen nonsens? Juicht men soms niet voordragende en dansende juffrouwen en meneeren toe die volstrekt niet minder ridicuul zijn? Er ging een gebrul op, toen op het doek een gestyleerde pop verscheen die een Egyptischen gestyleerden dans uitvoerde. Maar morgen draagt men bloemenwinkels aan en klapt men zich de handen stuk voor een malle juffrouw die ’t zelfde, alleen maar wat leelijker, doet. Alzoo: dada! dada! En men shimmy’t en slept er lustig op los, zonder het dada te voelen. Ziehier de indruk en de gedachten, die ik van dezen merkwaardigen middag heb meegenomen. Lach maar, lach maar, lieve menschen, om al dit dada-gedaas, maar het dada, waar wij niet om lachen, is heusch om te huilen.
      De heer ter Hall verliet luidruchtig de zaal en riep „Nou! nou!” (reclame voor zijn nieuwe dada-[onleesbaar] die zoo heet). En met recht: nou! nou! .!
      Ons leven, onze kunst ,onze moderne dansen, onze litteratuur, onze politiek, onze pers, onze overtuigingen, alles in èn om en aan ons, nou! nou! zit het eigenlijk niet vol dada, en zou het kwaad kunnen als wij het ons eindelijk in een spiegel herkennen en uitroepen: dada! Is heel Europa niet dada? Was de beestachtige moordpartij van den oorlog soms niet dada? Is àlles, wat thans in Europa heksenketelt en ettert en laait en stuiptrekt en ziedt en broeit soms niet dada? Waarom dààr dan niet om gelachen en gemiauwd en geblaft van ergernis? Omdat...... wij tè dada zijn dada te erkennen. Trouwens, dèden we dat, het zou ophouden dadad te zijn.....

      Ten slotte nog even, wat later de heer Huszár mij zeide, aangevuld door de heeren Schwitters en v. Doesburg: Oorspronkelijk was het plan, om in den Kunstkring te demonstreeren, wat de groote Dadaïsten als Tzara, Picabia, Arp e. a. op tooneelgebied presteeren, voornamelijk den decoratieven en beeldenden kant er van. Wij lieten, zeide hij mij, daartoe voor één avond Schwitters komen, die...... nog niet eens een echte Dadaïst is, evenmin als van Doesburg. (Alzoo: wat zou er voor een pandemonium ontstaan als er eens èchte Dadaïsten optraden!) Toen is er in den Knstkring zóó’n heidensch kabaal en gebrul en gemiauw ontstaan dat wij opeens voelden wàt de menschen eigenlijk hebben wilden. En dàt krijgen ze nu.
      Waarop niet veel anders valt te antwoorden natuurlijk dan: dada! dada!


!      H. B.