Het verslag van mijn onderzoek/Boek III

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Crystal txt.png   Nog te hertalen
Deze tekst is (gedeeltelijk) een verouderde Nederlandse vertaling. Ze moet hertaald, of indien mogelijk zelfs opnieuw vertaald worden.

Boek III: Thalia[bewerken]

1. Tegen deze Amasis trok Cambyses, zoon van Cyrus, op, ook de anderen, over welke hij heerste met zich voerende, en van de Hellenen de Ioniërs en de Aeoliërs, om de volgende reden: Cambyses had een heraut naar Egypte gestuurd en Amasis zijn dochter gevraagd; hij vroeg deze op aanraden van een Egyptisch man, die dat uit wrok tegen Amasis zo deed, daar deze hèm juist onder alle artsen in Egypte van zijn vrouw en kinderen losgescheurd en ten geschenke naar de Perzen had gezonden, toen Cyrus tot Amasis had gezonden en hem een arts voor de ogen had gevraagd, die de beste was in Egypte. Uit wrok daarover dan drong de Egyptenaar aan met zijn raad, Cambyses aanzettende Amasis zijn dochter te vragen, opdat hij òf haar geven zou en smart hebben, òf haar niet geven zou en aan Cambyses gehaat worden. En Amasis, bezorgd en in vrees voor de macht der Perzen wist niet of hij geven zou of weigeren: want wel wist hij, dat Cambyses haar niet als vrouw zou houden, doch als bijzit. Na overleg over die dingen dan deed hij het volgende: er was van Apriës, den vorigen koning, een dochter, zeer groot van gestalte en schoon, de enige overgeblevene van zijn geslacht, en haar naam was Nitetis. Dit meisje dan tooide Amasis met gewaad en goud en zond haar naar de Perzen, als zijn eigen dochter. Na enige tijd, toen Cambyses haar begroette, haar toesprekend naar haar afkomst, zeide het meisje tot hem: "o koning, ziet ge niet in, dat ge bedrogen zijt door Amasis, die mij met tooi sierde en wegzond, alsof hij zijn eigene gaf, mij, die in waarheid de dochter was van Apriës, welken gene, zijn eigenen heer, doodde, in opstand met de Egyptenaars." Dit woord dan en die reden dreven Cambyses, Cyrus´ zoon, in grote toorn naar Egypte. Zóó nu zeggen de Perzen.

2. De Egyptenaars echter eigenen zich Cambyses toe, bewerend, dat hij uit diezelfde dochter van Apriës zou geboren zijn; want dat Cyrus het was, die tot Amasis zond om zijn dochter en niet Cambyses. Doch dat zeggende, zeggen zij niet goed. Want niet voorwaar is het hun verborgen (want indien ook anderen, kennen ook de Egyptenaars de perzische zeden goed), dat, vooreerst, de zede bij de Perzen geen bastaard koning laat zijn, als er een echte zoon is, en ten tweede, dat Cambyses de zoon was van Cassandane, dochter van Pharnaspes, uit het huis der Achaemeniden, maar niet van de egyptische. Doch zij verdraaien de zaak, daar zij voorgeven aan het geslacht van Cyrus verwant te zijn. En dit nu is zoo.

3. En ook dit verhaal wordt verhaald (mij geenszins gelofelijk), dat een Perzische vrouw de vrouwen van Cyrus bezocht, en toen zij schone en grote kinderen bij Cassandane staan zag, was zij in bewondering en gaf veel lof; doch Cassandane, die de gemalin was van Cyrus, zeide het volgende: "mij, de moeder van zulke kinderen, houdt Cyrus in minachting, doch die hij uit Egypte er bij gekregen heeft, die eert hij." Dat zeide zij, in wrok tegen Nitetis, en de oudste van haar zoons, Cambyses, zeide: "daarom dan, o moeder, zal ik, als ik man ben geworden, in Egypte wat boven is onder keren, en wat onder is boven." Dat zeide hij, tien jaren oud ongeveer, en de vrouwen verbaasden zich; doch hij onthield het, en daarom dan, toen hij man was geworden en de heerschappij had verkregen, maakte hij den veldtocht tegen Egypte.

4. En tevens geviel ook nog iets anders te geschieden in betrekking tot dien veldtocht: onder de hulptroepen van Amasis was een man, van afkomst een Halicarnassiër, zijn naam was Phanes, flink in verstand en in oorlogszaken moedig. Deze Phanes nu, uit enige wrok tegen Amasis, vluchtte op een schip weg uit Egypte, verlangend een onderhoud met Cambyses te hebben. Daar hij nu onder de hulptroepen van niet geringe betekenis was en alles over Egypte op het nauwkeurigst wist, vervolgde Amasis hem met grote ijver om hem te vangen, en hij vervolgde hem, daar hij met een trireem den getrouwsten van zijn gesnedenen hem nazond, die hem in Lycië greep, doch na het grijpen niet naar Egypte bracht: want Phanes bedroog hem door slimheid. Want hij maakte de wacht dronken en ontkwam naar de Perzen. En tot Cambyses gegaan, die zich gereed maakte tegen Egypte op te trekken, doch verlegen was over den tocht, hoe hij de woestijn zou doorkomen, verhaalde Phanes genen ook andere zaken van Amasis, en ook den doortocht legde hij uit, dezen raad gevend, dat Cambyses tot den koning der Arabieren zou zenden en vragen den doortocht veilig voor hem te maken.

5. Want daardoor alleen is een bekende toegang tot Egypte. Want van Phenicië tot de grenzen der stad Cadytis behoort het land aan de Syriërs, die de Palaestiners heten. Van de stad Cadytis, die, naar mij dunkt, niet veel kleiner is dan Sardis, van deze stad af zijn de handelsplaatsen aan de zee tot aan de stad Iënysus van den Arabische koning; doch van Iënysus af is het land wederom van de Syriërs tot aan het Serbonische meer, waarlangs zich het Casische gebergte naar de zee uitstrekt; en van het serbonische meer, waarin volgens het verhaal dan Typhon verborgen ligt, van daar eerst is het Egypte. Maar wat nu gelegen is tussen de stad Iënysus en het Casische gebergte en het Serbonische meer, en dat is geen geringe streek lands, doch ongeveer drie dagen lang, dat is vreselijk waterloos.

6. Wat nu weinigen van de op Egypte varenden hebben opgemerkt, dat zal ik gaan verhalen. Uit gansch Hellas en bovendien uit Phenicië wordt aarden vaatwerk naar Egypte ingevoerd vol wijn, tweemaal in ieder jaar, en geen enkel ledig wijnvat, om zoo te zeggen, kan men daar zien liggen. Waarvoor dan, zal iemand vragen, worden die gebruikt? Ook dat zal ik verhalen. Iedere overheidspersoon moet uit zijn eigen stad alle vaatwerk verzamelen en naar Memphis sturen: die in Memphis dan sturen het vandaar vol water naar de woestijn van Syrië. Zoo wordt het aardewerk, dat in Egypte komt en geledigd wordt, naar het oude in Syrië gezonden.

7. Zoo dan hebben nu de Perzen den toegang naar Egypte ingericht, op de gezegde wijze die streek met water voorziende, zodra zij Egypte veroverd hadden. Maar toen, daar er geen water voorhanden was, zond Cambyses, na inlichting van den halicarnassischen vreemdeling, boden naar den Arabier en verkreeg op zijn verzoek veiligheid voor den doortocht, trouw gevende en van genen ontvangend.

VIII[bewerken]

De trouw nu eren de Arabieren onder mensen zozeer als die ze het meeste eren. En zij sluiten ze op de volgende wijze: als twee een bond willen sluiten, gaat een ander man midden tussen hen in staan, en snijdt met een scherpe steen de binnenzijde van de handen naast de duimen open bij hen, die de trouw willen sluiten; daarna neemt hij van ieders mantel een vlok en besmeert met het bloed zeven voor hen liggende stenen, en dat doende roept hij Dionysos aan en Urania. Als hij dit volbracht heeft, dan stelt de sluiter van de trouw aan zijn vrienden den vreemdeling voor, of de stamgenoot, indien zij met een stamgenoot gesloten is, en dan achten de vrienden ook zelf de trouw te moeten eren. Van de goden erkennen zij alleen Dionysos en Urania, en zij beweren het haar op de zelfde wijze te scheren, zoals ook Dionysos zelf geschoren is: zij scheren het in een kring om het hoofd weg, terwijl zij rondom de slapen de haren wegnemen. Zij noemen Dionysos Orotalt, en Urania Alilat.

9. Toen nu de Arabier met de van Cambyses gekomen boden trouw had gesloten, verzon hij het volgende: hij vulde kameelhuiden met water en belastte daarmede al zijn levende kamelen, en daarna trok hij naar de woestijn, en wachtte daar het leger van Cambyses op. Dit nu is het meest geloofwaardige verhaal, dat verteld wordt, doch ook het minder geloofwaardige, daar men het toch verhaalt, moet gezegd worden. Er is een groote stroom in Arabië, wiens naam Corys is; hij stroomt uit in de dusgenaamde Roode Zee. Uit dezen stroom nu zou de koning der Arabieren, uit ossenhuiden en andere vellen een leiding samennaaiende, die in lengte naar de woestijn reikte, door deze leiding dan het water gevoerd hebben, doch in de woestijn groef hij groote vergaarputten, die het water zouden opnemen en bewaren. Van de rivier naar de woestijn is de weg twaalf dagen lang. En naar drie verschillende plaatsen zou hij door drie leidingen het water gebracht hebben.

10. Bij den dusgeheten pelusischen mond van de Nijl sloeg Psammenitus, de zoon van Amasis, zijn kamp op, en wachtte Cambyses af. Want Amasis zelven vond Cambyses niet levend, toen hij naar Egypte trok, doch Amasis stierf, vier en veertig jaren koning, in welke hem geen enkel groot onheil overkomen was. Na zijn sterven en zijn balseming werd hij begraven in het graf in den tempel, dat hij zelf had gebouwd. Doch terwijl Psammenitus, zoon van Amasis, over Egypte regeerde, geschiedde den Egyptenaars een overgroot wonder voorwaar: het Egyptische Thebae werd beregend, terwijl het vroeger nooit beregend werd, noch later tot op mijn tijd, zoals de Thebanen zelf zeggen. Want Boven-Egypte wordt in ´t geheel niet beregend: doch ook toen werd Thebae slechts met droppen beregend.

11. Toen de Perzen de woestijn waren doorgetrokken, legerden zij zich dicht bij de Egyptenaars om met hen samen te treffen. Toen verzonnen de hulptroepen van de Egyptenaars, Hellenen zijnde en Cariërs, uit toorn tegen Phanes, dat hij een vreemd leger naar Egypte had gevoerd, de volgende daad: Phanes had knapen in Egypte achtergelaten; dezen brachten zij naar het kamp, en in het gezicht des vaders plaatsten zij een mengvat midden tusschen beide kampen in, en voerden daarna de knapen één voor één naar buiten en slachtten hen in het mengvat. Toen zij alle knapen hadden geslacht, goten zij wijn en water in hetzelfde vat, en alle hulpkrijgers dronken van het bloed, en zoo dan troffen zij samen. Na een heftig gevecht, waarin velen in getal van beide legers vielen, wendden zich de Egyptenaars op de vlucht.

XII[bewerken]

1. Een groot wonder zag ik daar, dat ik eerst van de mensen van het land vernam: want terwijl de beenderen van de aan beide zijden in die strijd gevallenen gescheiden van elkaar opgestapeld zijn, - want de beenderen van de Perzen liggen afgezonderd, zoals zij terstond afgezonderd werden, en op een andere plaats die van de Egyptenaren -, zijn de schedels van de Perzen zó zwak, dat, als je ze met één steentje treft, je ze zou doorboren, doch die van de Egyptenaren zo sterk, dat met een grote steen ze beukend jij ze met moeite zou verbrijzelen. De reden daarvan is, zeiden zij, en zij overtuigden mij licht, dat de Egyptenaars terstond van kind af aan zich het hoofd scheren, en het been in de zon hard wordt. Datzelfde is ook de oorzaak van het niet kaal worden: want van alle mensen zal men bij de Egyptenaars de minste kaalhoofdigen vinden. Dat nu is voor hen de oorzaak, dat zij zulke sterke schedels hebben, doch voor de Perzen, dat zij zwakke schedels hebben, is de oorzaak deze: zij verweken het hoofd, daar zij van jongs af aan vilten tiara´s dragen. Dit nu zag ik zo. En ik zag ook andere gelijke dingen in Papremis, bij hen die met Achaemenes, de zoon van Darius, door Inarus, de Libiër, werden verslagen.

13. Toen de Egyptenaars zich uit den strijd omwendden, vluchtten zij zonder enige orde. En als zij in Memphis opgesloten waren, zond Cambyses een mytilenaeïsch schip den stroom op, met een perzisch man als heraut, die de Egyptenaars tot een vergelijk uitnoodigen zou. Doch dezen, toen zij het schip in Memphis komen zagen, stortten zich in grooten getale uit de vesting, hieuwen de bemanning als slachters aan stukken en brachten ze in de vesting. Daarop werden de Egyptenaars belegerd en zij gaven zich na enige tijd over, doch de naburige Libyers, uit vrees voor wat in Egypte geschied was, gaven zich zelven over zonder strijd, en zij lieten zich een schatting opleggen en zonden gezanten. Zoo ook deden de Cyrenaeërs en de Barcaeërs, het zelfde vreezende als de Libyers, van hun kant hetzelfde. Cambyses nu nam de geschenken van de Libyers gekomen welwillend aan, doch die van de Cyrenaeërs kwamen, minachtte hij, daar, naar het mij schijnt, zij onaanzienlijk waren (want de Cyrenaeërs hadden vijfhonderd minen zilver gezonden), en hij nam ze en verstrooide ze met eigen hand onder zijn leger.

14. Op den tiende dag, sinds hij de vesting van Memphis veroverd had, liet Cambyses ter beschimping van de koning der Egyptenaars, Psammenitus, die zes maanden geregeerd had, liet hij deze met andere Egyptenaars in de voorstad neerzitten, en stelde zijn zielskracht op den proef, het volgende doende: hij kleedde zijn dochter in slavinnengewaad en zond haar met een waterkruik naar buiten om water te halen, en mèt haar zond hij ook andere maagden, kiezende deze uit de dochters der eerste mannen en ze kleedende evenals die des konings. Toen de maagden met klagen en geween langs hun vaders voorbij gingen, riepen de andere vaders luid en klaagden, daar zij hun kinderen in mishandeling zagen, Psammenitus echter zag toe en vernam en boog zijn gelaat ter aarde. Toen de waterdraagsters waren voorbij gegaan, zond Cambyses de zoon van genen met tweeduizend egyptische jongelingen van de zelfde leeftijd, de nek met een touw ombonden, de mond dichtgesnoerd. Zij werden weggevoerd om boete te betalen voor de Mytilenaeërs, die in Memphis met het schip waren omgekomen: want dit hadden des konings rechters als vonnis gegeven, dat voor iedere man tien van de eerste Egyptenaars zouden sterven. En gene zag hen voorbijgaan en aanschouwde zijn zoon ter dood gevoerd wordende, en terwijl de andere bij hem gezeten Egyptenaars weenden en luid jammerden, deed hij hetzelfde als bij zijn dochter. Toen ook deze waren voorbijgetrokken, geviel het dat een van zijn drinkgenoten, een oud man, die al zijn vermogen verloren had en niets meer bezat, dan wat een bedelaar heeft, de soldaten om een gift smeekte en langs Psammenitus, den zoon van Amasis, kwam en de Egyptenaars, die in de voorstad zaten. Toen Psammenitus dit zag, klaagde hij luid, en zijn vriend bij den naam noemende, sloeg hij zich het hoofd. Doch er waren verspieders bij hem, die alles wat hij deed bij iedereen voorbijgang aan Cambyses meldden. En Cambyses, in verbazing over het gebeurde, zond een bode en vroeg hem, zeggende: "Uw meester Cambyses, Psammenitus, vraagt u, waarom gij uw dochter gesmaad en uw zoon ter dood schrijdende zaagt, en niet jammerdet, noch weendet, doch den bedelaar, die u niets aangaat, naar hij van anderen verneemt, zoo geëerd hebt?" Hij nu vroeg deze dingen, doch gene antwoordde: "O zoon van Cyrus, mijn eigen rampen waren te groot om ze te bewenen, doch het ongeluk van mijn vriend is tranen waard, daar hij toch vallende uit vele en grote schatten tot bedelen gekomen is op den drempel der grijsheid." En toen dit door den bode overgebracht was, scheen het Cambyses schoon gezegd te zijn; en zoals de Egyptenaars verhalen, weende Cresus (want ook deze had Cambyses naar Egypte gevolgd) en de aanwezige Perzen weenden, en ook Cambyses zelven beving enig medelijden, en terstond beval hij den zoon van genen uit de veroordeelden te redden en genen zelven uit de voorstad te halen en tot hem te brengen.

15. Den zoon evenwel vonden de uitgezondenen niet meer in leven, doch hij was het eerst neergehouwen, doch Psammenitus zelven haalden zij en brachten hem tot Cambyses: daar leefde hij verder zonder enig leed te lijden. En indien hij het ook verstaan had zich rustig te houden, zou hij ook Egypte gekregen hebben om er landvoogd over te zijn, daar de Perzen gewoon zijn de zoons der koningen te eren, en ook als dezen tegen hen opgestaan zijn, geven zij toch het bestuur aan hun zoons. Uit vele andere gevallen nu kan men bewijzen, dat zij dit zoo plegen te doen, en daaronder ook uit dat van Thannyras, den zoon van Inarus, die het bestuur kreeg, dat zijn vader had gehad, en ook uit dat van Pausiris, den zoon van Amyrtaeus, want ook deze kreeg het bestuur van zijn vader: en toch had niemand den Perzen meer kwaad aangedaan dan Inarus en Amyrtaeus. Doch nu brouwde Psammenitus kwaad en ontving zijn loon. Want hij wilde de Egyptenaars tot opstand brengen en werd betrapt; en toen werd hij overtuigd door Cambyses, en dronk stierenbloed en stierf terstond. Zoo dan kwam deze aan zijn einde.

16. Cambyses ging van Memphis naar de stad Saïs, in de zin hebbende te doen, wat hij dan ook deed. Want toen hij in het huis van Amasis was gekomen, beval hij terstond het lijk van Amasis uit het graf naar buiten te halen. En toen dit op zijn bevel geschied was, beval hij het lijk te geeselen en de haren uit te trekken en het met prikkels te slaan en op alle andere wijzen te schenden. En toen zij zich ook daarin afgemat hadden (want daar het lijk gebalsemd was, bood het weerstand en ging gans niet in stukken) beval Cambyses het te verbranden, bevelende, wat niet vroom was: want de Perzen achten het vuur een god. Het verbranden van lijken is dus voor geen van beiden in de zede; voor de Perzen om wat reeds gezegd is, daar zij zeggen dat het niet goed is aan een god het lijk van een mens toe te deelen, en bij de Egyptenaars wordt het vuur beschouwd als een levend dier, dat alles opvreet wat het ook aangrijpt, en van voedsel vol met het gevretene mede sterft. En nu is het bij hen geenszins zede een lijk aan de dieren te geven, en daarom balsemen zij het, opdat het niet neerliggend door de wormen verteerd worde. Zoo dan beval Cambyses te doen, wat voor geen van beide volken in de zede was. Naar echter de Egyptenaars beweren, was het Amasis niet, die dat leed, doch een ander van de Egyptenaars, van den zelfden leeftijd als Amasis, en dezen schendende meenden de Perzen Amasis te schenden. Want zij zeggen, dat Amasis, uit een orakelspreuk leerende, wat na zijn dood met hem gebeuren zou, zóó dan, om het naderende onheil te voorkomen, dien mens nu, die door de Perzen gegeseld werd, na diens dood bij de deur in zijn eigen graf begroef, en aan zijn zoon beval, hem zelven zoveel mogelijk in den binnensten hoek van het graf neer te leggen. Doch die bevelen van Amasis over zijn begraving en over dien mens, schijnen mij geenszins werkelijk geschied te zijn, doch de Egyptenaars verzinnen dat uit pralerij zonder grond.

17. Daarna overwoog Cambyses drie veldtochten, tegen de Carthagers, tegen de Ammoniërs, en tegen de langlevende Ethiopiërs, die in Libye bij de zuidelijke zee wonen. En na overweging besloot hij tegen de Carthagers zijn zeemacht te zenden, tegen de Ammoniërs een keur van zijn voetvolk, doch naar de Ethiopiërs eerst verspieders, welke bij die Ethiopiërs de volgens de berichten aanwezige zonnetafel zouden zien, of die werkelijk daar is, en daarbij ook het andere bespieden zouden, in naam geschenken aan den koning brengend.

18. De zonnetafel nu wordt gezegd zóó te zijn: in de voorstad is een weide vol gekookt vleesch van alle viervoeters, waarop des nachts de dan regeerende overheden der stad, het vleesch zorgvuldig neerleggen, terwijl over dag ieder, die wil, komen kan en spijzen: de mensen van het land zeggen, dat de aarde dat telkens voortbrengt. Die dusgeheeten zonnetafel zou dus zoo zijn.

19. Toen Cambyses nu besloten had de verspieders te zenden, liet hij terstond uit de stad Elephantine Ichthyophagische mannen komen, die de ethiopische taal verstonden. Terwijl men dezen haalde, in dien tijd beval hij zijn zeemacht naar Carthago te varen. Doch de Pheniciërs weigerden dat te doen; want door groote eeden waren zij gebonden, en zij zouden doen, wat onvroom is, tegen hun eigen zonen optrekkende. En toen de Pheniciërs niet wilden, waren de anderen niet sterk genoeg voor den strijd. De Carthagers dan ontgingen zoo de slavernij door de Perzen. Want Cambyses achtte het niet goed den Phoeniciërs geweld aan te doen, daar zij zich aan de Perzen gegeven hadden en geheel de zeemacht van de Phoeniciërs afhing. Ook de Cypriërs hadden zich aan de Perzen gegeven en waren tegen Egypte opgetrokken.

20. Toen de Ichthyophagen uit Elephantine bij Cambyses gekomen waren, zond hij hen naar de Ethiopiërs, en beval hen, wat zij moesten zeggen, als geschenken medenemende een purperen gewaad en een gouden halsketen, en armbanden, en een albasten vat met zalf en een vat palmwijn. Deze Ethiopiërs, tot welken Cambyses boden zond, worden gezegd de grootste en de schoonste van alle mensen te wezen. Zij leven ook in de andere wetten, zegt men, gansch anders dan de andere menschap, en dan ook in het koningschap onder de volgende: wien zij van de burgers den grootsten achten, en in kracht naar die grootte, dien kiezen zij tot koning.

21. Toen de Ichthyophagen dan tot deze mannen waren gekomen, gaven zij hun geschenken aan den koning en zeiden het volgende: "de koning der Perzen, Cambyses, vriend en gast van u willende worden, heeft ons gezonden, bevelend tot u te spreken, en hij schenkt u deze geschenken, in wier bezit ook hij zelf zich het meest verheugt." Doch de Ethiopiër, begrijpende, dat zij als verspieders kwamen, zeide tot hen het volgende: "Noch heeft de koning der Perzen u als dragers van geschenken gezonden, uit groot verlangen mijn gast te worden, noch spreekt gij de waarheid (want als verspieders van mijn rijk komt gij), noch is hij een rechtvaardig man: want ware hij rechtvaardig, niet zou hij een ander land begeeren dan het zijne, noch mensen tot slavernij willen brengen, door wien hem niets kwaads is aangedaan. Nu echter, geeft hem dezen boog en zegt hem het volgende: de koning der Ethiopiërs raadt den koning der Perzen, wanneer de Perzen zóó gemaklijk bogen spannen van zulke grootte, dan met overmacht van volk tegen de langlevende Ethiopiërs op te trekken; doch tot zolang de goden dank te weten, die het den zonen der Ethiopiërs niet in den geest brengen ander land bij het hunne te willen verwerven."

22. Dit zeggende en den boog spannende, gaf hij hem aan de gekomenen over. En hij nam het gewaad, het purperen, en vroeg wat het was, en hoe gemaakt. En toen de Ichthyophagen de waarheid hadden gezegd over het purper en de verwing, zeide hij, dat bedrieglijk de mensen waren, en bedrieglijk ook hun gewaden. Vervolgens vroeg hij over den gouden keten, het halssieraad, en over de armbanden; en toen de Ichthyophagen hem hun kunstige vervaardiging verklaard hadden, lachte de koning, en van meening dat het boeien waren, zeide hij, dat zijzelven boeien hadden sterker dan deze. In de derde plaats vroeg hij over de zalf; en toen zij verhaald hadden van de bereiding en de zalving, zeide hij hetzelfde woord als over het gewaad. Doch toen hij aan den wijn was gekomen en zijn bereiding had gehoord, verheugde hij zich zeer over den drank en vroeg, wat de koning at, en hoeveel tijd een Pers op het langst leefde. Zij zeiden, dat hij brood at, en verklaarden de groeiing van het graan, en dat tachtig jaar levens als verste doelwit de mens gegund was. Daarop zeide de Ethiopiër zich geenszins te verbazen, indien zij mest etende, weinige jaren leefden; want zij zouden niet eenmaal zolang kunnen leven, indien zij zich niet verversten door den drank, en hij wees de Ichthyophagen op den wijn: want daarin waren zij zelven minder dan de Perzen.

23. Toen de Ichthyophagen van hun kant den koning over den duur en zijn wijze van leven vroegen, zeide hij, dat de meesten van hen tot honderd en twintig jaren kwamen, en sommigen dit nog overtroffen, en dat hun spijs gekookt vleesch was en hun drank melk. De verspieders toonden groote verbazing over de jaren, en toen bracht gene hen, naar de verspieders verhaalden, bij een bron, met het water van welke zij zich wieschen en glanzend werden, alsof de bron er een van olie was, en een geur stroomde er van als van viooltjes. En het water van die bron was zoo teer, naar de verspieders dan verhaalden, dat niets er op kon drijven, noch hout, noch wat lichter is dan hout, maar alles zakt naar de diepte. En indien dat water inderdaad zoo bij hen is, als gezegd wordt, daardoor dan, dat water steeds gebruikende, zouden zij langlevend zijn. En toen zij van de bron kwamen, bracht hij hen naar een gevangenis van mannen, waarin allen in gouden boeien geboeid waren. Bij deze Ethiopiërs is van alles het koper het zeldzaamst en het meest geëerd. En toen zij de gevangenis gezien hadden, zagen zij ook de dusgeheten zonnetafel.

24. En daarna zagen zij ten slotte ook hun graven, die gezegd worden uit glas op de volgende wijze bereid te worden. Wanneer zij het lijk uitgedroogd hebben, hetzij dan evenals de Egyptenaars, hetzij op een andere wijze, bestrijken zij het geheel met gyps en versieren het met beschildering, waarbij zij de gestalte zoveel mogelijk nabootsen; daarna omgeven zij het met een holle zuil, uit glas gemaakt (deze stof wordt in menigte bij hen opgegraven en is goed te bewerken), en, midden in de zuil zijnde schijnt het lijk door, zonder enige onaangename geur te geven, noch iets anders lelijks; en alles toont het even duidelijk, als het lijk zelf. Een jaar lang nu houden de naaste verwanten de zuil in hun huis, en deelen haar van alles mede en brengen offers aan haar; daarna brengen zij ze weg, en plaatsen ze bij de stad.

25. De verspieders, na alles gezien te hebben, keerden terug. En toen zij dat hadden overgebracht, ontstak Cambyses in toorn en trok terstond op tegen de Ethiopiërs, zonder enige inslag van levensmiddelen te bevelen, zonder zichzelf te zeggen, dat hij naar het uiterste der aarde zou trekken; doch als ware hij razend en niet bij zinnen, toen hij de Ichthyophagen gehoord had, trok hij op, de Hellenen van zijn leger bevelende daar te blijven, doch al zijn landmacht medevoerende. Toen hij op zijn tocht in Thebae was gekomen, zonderde hij ongeveer vijftienduizend van zijn leger af, en aan dezen beval hij de Ammoniërs slaaf te maken en het orakel van Zeus te verbranden, en zelf ging hij met het overige leger verder tegen de Ethiopiërs. Doch voor het heer het vijfde deel van den weg had afgelegd, was reeds alles, wat zij van spijs bij zich hadden, opgeraakt, en na de spijs raakten ook de lastdieren, die gegeten werden, ten einde. Indien nu Cambyses, dit ziende zich bezonnen had en zijn leger teruggevoerd, dan ware hij, ook na zijn eersten misslag, nog een verstandig man geweest; doch nu lette hij er gans niet op en ging altijd verder. En de soldaten, zolang zij iets uit de aarde konden krijgen, leefden van kruiden, doch toen zij in de woestijn waren gekomen, deden sommigen van hen een gruwelijke daad. Want door het lot kozen zij één van hen uit ieder tiental en aten hem op. Cambyses vernam dit, en uit vrees voor de onderlinge slachting, liet hij den tocht tegen de Ethiopiërs varen, keerde terug, en kwam in Thebae, velen van zijn leger verloren hebbend. Van Thebae daalde hij af naar Memphis, waar hij de Hellenen naar huis liet varen.

26. De tocht tegen de Ethiopiërs dan had zulk een afloop; doch die van hen, die uitgezonden waren om tegen de Ammoniërs te trekken, braken op uit Thebae en gingen met gidsen, en kwamen, dat weet men, in de stad Oasis, bewoond door Samiërs, die van den Aeschrionischen stam zouden zijn, en een zevendaagse weg door de woestijn van Thebe af wonen; deze streek heet in de Helleense taal Makaroon Nêsos (d.i. het eiland der gelukzaligen). In deze streek moet, naar gezegd wordt, het leger gekomen zijn, doch daarna weet niemand, behalve de Ammoniërs zelven en die het van dezen hoorden, iets over hen te zeggen: want noch bereikten zij de Ammoniërs, noch keerden zij terug. Het volgende echter wordt ook door de Ammoniërs zelf gezegd: nadat genen uit dat Oasis door de woestijn tegen hen opgetrokken waren, kwamen zij ergens ongeveer midden in tusschen de Ammoniërs en Oasis, en daar zij aan het ontbijt waren, woei een groote en ongewone zuidewind tegen hen aan, aandragend golven van zand, en bedolf hen, en op zulk een wijze verdwenen zij. Zoo nu zeggen de Ammoniërs, dat het met dat leger is gegaan.

27. Toen Cambyses in Memphis was gekomen, verscheen Apis aan de Egyptenaars, dien de Hellenen Epaphus noemen, en bij zijn verschijning droegen de Egyptenaars terstond de schoonste kleederen en leefden in feesten. Cambyses zag de Egyptenaars dat doen, en in de vaste meening dat zij dit feest vierden over zijn onheil, riep hij de overheid van Memphis, en toen zij voor zijn aangezicht waren gekomen, vroeg hij, waarom vroeger, toen hij in Memphis was, de Egyptenaars niets van dien aard deden, en nu wel, daar hij er was na verlies van een groot deel van zijn leger. Zij antwoordden, dat de god hun verschenen was, zoals hij hun na een lang tijdsverloop placht te verschijnen, en wanneer hij kwam, dan verheugden zich alle Egyptenaars en vierden feest. Cambyses dit hoorende, zeide dat zij logen, en als leugenaars strafte hij hen met den dood.

28. Toen hij dezen gedood had, riep hij vervolgens de priesters voor zijn aangezicht, en toen de priesters het zelfde zeiden, antwoordde hij, dat hij spoedig zou weten of er een tamme god tot de Egyptenaars was gekomen. Dat zeggende beval hij de priesters den Apis tot hem te brengen. En zij gingen om genen te brengen. De Apis, deze Epaphus, komt ter wereld als het kalf van een koe, die niet meer in staat is een andere vrucht in het lijf te ontvangen. De Egyptenaars zeggen, dat een straal uit den hemel de koe treft, en zij daardoor Apis baart. Dit kalf nu, het Apis geheetene, heeft de volgende teekenen: het is zwart, en op het voorhoofd heeft het een witten driehoekigen vlek, doch op den rug het beeld van een adelaar; aan den staart heeft het dubbele haren en op de tong een kever.

29. Toen de priesters den Apis gebracht hadden, trok Cambyses, daar hij toch reeds eenigszins dol was, zijn dolk, en den Apis in den buik willende treffen, trof hij hem in de heup. En lachend sprak hij tot de priesters: "o ellendige schepsels, zijn de goden dan zóó, van bloed en van vleesch, en luisterend naar het ijzer? Voorwaar, deze god is de Egyptenaars waardig. Doch gij zult mij niet ongestraft bespotten." En na deze woorden beval hij de daarmee belasten de priesters te geeselen, en wien van de andere Egyptenaars zij aan het feestvieren zouden vinden, dien te dooden. Het feest der Egyptenaars werd dan zoo afgebroken, de priesters ondergingen den straf, en de Apis, in de heup getroffen, stierf weg, liggende in den tempel. En toen hij aan de wond gestorven was, begroeven de priesters hem buiten weten van Cambyses.

30. Doch Cambyses, naar de Egyptenaars zeggen, verviel terstond door die misdaad tot razernij, ook tevoren reeds niet wel bij zinnen zijnde. En het eerst nu doodde hij Smerdis, zijn broeder, die van den zelfden vader en de zelfde moeder was, en dien hij uit Egypte naar Perzië had gezonden uit nijd, dat hij, de enige der Perzen, met twee vingers den boog had gespannen, dien de Ichthyophagen van den Ethiopiër hadden medegebracht; van de andere Perzen was geen daartoe in staat. Toen Smerdis nu naar Perzië was gegaan, zag Cambyses in den slaap het volgende gezicht: hij meende, een bode uit Perzië kwam hem melden, dat Smerdis op den koninklijken troon zich gezet had, en met het hoofd den hemel aanraakte. Daardoor voor zich zelf vreezend, dat zijn broeder hem zou dooden en heerschen, zond hij Prexaspes tot de Perzen, die de getrouwste der Perzen was, om genen te dooden. En deze naar Susa getogen doodde Smerdis, naar sommigen zeggen, toen hij hem op de jacht had medegenomen, doch naar anderen beweren, bracht hij hem naar de Roode zee en verdronk hem daar.

31. Met deze misdaad nu, zeggen zij, is Cambyses het eerste begonnen; daarna verdierf hij zijn zuster, die hem naar Egypte gevolgd was, welke hij ook gehuwd had, en die van beide zijden zijn zuster was. Hij had haar op de volgende wijze getrouwd, want geenszins pleegden de Perzen vroeger hun zusters te huwen. Cambyses was verliefd op een van zijn zusters, en daarna, wijl hij, van zins haar te huwen, iets ongebruikelijks voornemens was te doen, riep hij de koninklijke rechters en vroeg, of er een wet was, welke hem, die dat wilde, toestond met zijn zuster te trouwen. De koninklijke rechters zijn uitgekozene mannen van de Perzen, die rechters blijven tot zij sterven, of van enige onrechtvaardige daad overtuigd worden, tot zolang; dezen geven recht aan de Perzen en zijn uitleggers van de overgeleverde gebruiken, en alles wordt voor hen gebracht. Toen nu Cambyses dat vroeg, antwoordden zij hem naar billijkheid en veiligheid, zeggende dat zij geen wet vonden, die een broeder veroorloofde zijn zuster te huwen, doch dat zij een andere wet hadden gevonden: den koning der Perzen stond het vrij te doen wat hij wilde. Zoo dan hieven zij niet uit vrees voor Cambyses de wet op, en opdat zij zelven niet door handhaving van de wet zouden omkomen, vonden zij een andere wet tot zijn steun, als hij zijn zuster huwen wilde. Toen dan trouwde Cambyses, die hij beminde, doch niet veel tijd later nam hij een andere zuster. De jongste van dezen dan, die hem naar Egypte gevolgd was, die doodde hij.

32. Omtrent haar dood, wordt evenals over Smerdis, een dubbel verhaal verteld. De Hellenen zeggen, dat Cambyses een leeuwenwelp met een jongen hond liet vechten en ook die vrouw dat aanzag, en dat, toen de hond overwonnen werd, zijn broeder, een andere jonge hond, zijn keten verbrak en genen te hulp kwam: en mer hun beiden zoo dan bedwongen de honden den welp. En Cmabyses zag het en verheugde zich, doch zij, naast hem gezeten, weende. Cambyses bemerkte dat, en vroeg haar, waarom zij weende, en zij antwoordde, dat zij, den hond zijn broeder ziende wreken, geweend had, in gedachte aan Smerdis en wetende, dat gene door niemand gewroken was. De Hellenen nu zeggen, dat om dit woord Cambyses haar gedood heeft, doch volgens de Egyptenaars zou de vrouw, toen men aan tafel was, een latuw genomen, dien de bladeren afgeplukt en toen haar man gevraagd hebben, of de kale dan wel de volle latuw schooner was; hij antwoordde: "de volle", en zij zeide: "en toch hebt gij dezen latuw nagebootst, het huis van Cyrus ontbladerend." Toen toornde hij en trapte haar, terwijl zij in den buik droeg, en zij baarde ontijdig en stierf.

33. Zoo woedde Cambyses in razernij tegen de zijnen, hetzij dan door Apis, hetzij door andere redenen, daar toch vele rampen de mensen plegen te overvallen, want van zijn geboorte af had Cambyses, naar verhaald wordt, de ziekte, die sommigen de heilige noemen. En het was dan ook geenszins onbegrijpelijk, dat bij zoo groote ziekte des lichaams, ook de geest niet gezond was.

34. Het volgende nu bedreef hij in razernij tegen de andere Perzen. Want hij zeide, naar verhaald wordt, tot Prexaspes, dien hij het meeste eerde, - en deze bracht zijn boodschappen over, en zijn zoon was wijnschenker van Cambyses, en ook deze eer was niet gering -, hij zeide dan, naar men zegt, het volgende: "Prexaspes, voor wat voor een man houden de Perzen mij, en welke verhalen doen zij over mij?" En gene antwoordde: "o heer, in alle andere zaken wordt gij grootelijks geprezen, doch aan het wijngenot, zeggen zij, zijt ge al te zeer overgegeven." Hij dan zeide dit over de Perzen, doch gene toornde en antwoordde: "nù dan zeggen de Perzen dat ik, aan den wijn overgegeven, raas en van zinnen ben, - niet dus waren hun vroegere woorden waar." Want vroeger eens, toen de Perzen en Cresus bij hem zaten, vroeg Cambyses, welk een man hij scheen, vergeleken met zijn vader, en genen antwoordden, dat hij beter was dan zijn vader; want hij had alles van genen en bezat bovendien Egypte en de zee. De Perzen nu zeiden dit, doch Cresus, die er bij was en niet tevreden met dat antwoord, zeide tot Cambyses het volgende: "mij echter, o zoon van Cyrus, schijnt gij niet aan uw vader gelijk te wezen, want nog hebt gij geen zoon, zulk eenen als hij in u naliet." Cambyses verheugde zich dit hoorende, en prees het antwoord van Cresus.

35. Daaraan nu dacht hij, en hij zeide in toorn tot Prexaspes: "gij dan, leer of de Perzen waarheid spreken, of dat zij ook zelf zoo sprekende niet bij zinnen zijn. Want als ik uw zoon, die daar in den voorhof staat, midden in het hart tref, dan zeggen de Perzen blijkbaar niets; mis ik hem echter, zeg dan, dat de Perzen waarheid spreken en ik niet bij verstand ben." Dit zeide hij en zijn boog spannend trof hij den knaap, en toen de knaap viel, beval hij hem open te snijden en de wond te onderzoeken, en toen de pijl in het hart werd gevonden, sprak hij tot den vader van den knaap, met gelach en vol vreugde: "Prexaspes, dat ik niet raas en de Perzen van zinnen zijn, is u gebleken; zeg mij nu, wien van alle mensen zaagt ge wel zoo goed het doel treffen met de pijl?" En Prexaspes, een man voor zich ziende niet bij zinnen, vreesde voor zich zelf en antwoordde: "heer, zelfs de god, meen ik, zou zoo schoon niet treffen." Dat dan volbracht hij toen, doch een andermaal liet hij twaalf Perzen, met de eersten gelijk, om geen reden van eenig belang grijpen en levend begraven, het hoofd naar onder.

36. Toen hij deze dingen deed, achtte Cresus de Lydiër het goed hem te raden met de volgende woorden: "o koning, geef niet in alles aan uw jeugd en uw toorn toe, doch houd u in en beheersch u zelf: schoon is de bedachtzaamheid, en verstandig de voorzorg. Gij nu doodt uw eigen burgers, om geen enkele reden van eenig belang ze grijpend; gij doodt ook hun zoons. Als gij vele zulke dingen doet, zie toe, dat de Perzen niet van u afvallen. Mij heeft uw vader Cyrus opgedragen, met vele woorden bevelende u te raden en aan te duiden, wat ik goed mocht bevinden." Hij nu toonde zijn genegenheid, daar hij dit aanraadde, doch gene antwoordde aldus: "gij ook durft mij raad geven, die zoo goed voor uw eigen land gezorgd hebt, zoo schoon ook mijn vader geraden, hem aansporend de rivier de Araxes over te trekken en tegen de Massageten te gaan, terwijl zij naar ons land wilden overtrekken; en uw eigen vaderland hebt ge als een slecht heerscher verdorven, verdorven ook hebt gij Cyrus, die u volgde. Doch niet tot uw welzijn, daar ik toch reeds lang een voorwendsel tegen u vinden wilde." Dit zeggende nam hij zijn boog om genen neer te schieten, doch Cresus vluchtte weg en liep naar buiten; en de ander, toen hij hem niet raken kon, beval zijn dienaren hem te grijpen en te dooden. Doch de dienaren, zijn aard kennende, verborgen Cresus om deze overweging, dat, als Cambyses berouw kreeg en naar Cresus zocht, zij hem voor den dag zouden halen en geschenken zouden ontvangen als reddingsprijs voor Cresus; doch indien hij geen berouw had, noch genen miste, dan zouden zij hem ombrengen. En Cambyses nu miste Cresus niet langen tijd daarna, en de dienaren bemerkten dit, en berichtten hem, dat Cresus in leven was. En Cambyses zeide zich te verheugen, dat Cresus nog leefde; genen echter, die hem redden, die zouden dat niet om hem gedaan hebben, doch dooden zou hij hen. En hij deed dat.

37. Met vele zulke dingen dan raasde hij tegen de Perzen en hun bondgenooten, en in Memphis blijvende brak hij ook oude graven open en bezag de lijken. Zoo dan ging hij ook naar den tempel van Hephaestus en dreef veel spot met het godenbeeld. Want het beeld van Hephaestus gelijkt zeer veel op de phenicische Pataecen, die de Pheniciërs aan den voorsteven van hun triremen met zich voeren. Wie ze niet gezien heeft, dien zal ik ze verklaren: het is de nabootsing van een pygmee. En hij ging ook in den tempel van de Cabiren, waarin het niemand dan den priester geoorloofd is te komen, en die beelden bespotte hij veel en verbrandde ze zelfs. Ook deze beelden zijn evenals die van Hephaestus, en men zegt, dat zij diens kinderen zijn.

38. Op alle wijzen nu is het mij duidelijk, dat Cambyses grootelijks waanzinnig was: want niet zou hij anders getracht hebben heilige dingen en oude gebruiken te bespotten. Want indien iemand alle mensen gebood, hen bevelende zeden te kiezen, de schoonste uit alle zeden, zou een ieder na overweging zijn eigene kiezen: zoo zeer meenen alle mensen, dat hun eigen zeden verreweg de schoonste zijn. Niet dus is het natuurlijk, dat een ander dan een waanzinnige met zulke dingen den spot drijft. Dat alle mensen zo menen over de zeden, kan men met vele andere bewijzen aantoonen, en daaronder ook met het volgende. Darius riep onder zijn regeering de aanwezige Hellenen tot zich en vroeg hen, voor welken prijs zij hun vaders na hun dood zouden opeten: zij antwoordden, voor geen prijs zouden zij dat doen. Daarna ontbood Darius Indiërs, de dusgeheeten Callatiërs, die hun ouders opeten, en vroeg hen, terwijl de Hellenen er bij waren en door een tolk het gesprokene verstonden, voor welke belooning zij hun gestorven vaders met vuur zouden willen verbranden, en genen riepen luid en smeekten hem niet goddeloos te zijn. Zoo dan is de zede, en terecht schijnt Pindarus mij toe gedicht te hebben, zeggende dat Nomos de koning van allen is.

39. Terwijl Cambyses tegen Egypte optrok, maakten ook de Lacedaemoniërs een tocht tegen Samos en Polycrates, zoon van Aeaces, die bij een opstand Samos gewonnen had, en eerst de stad in drie deelen deelde en ze met zijn broeders Pantagnotus en Syloson bestuurde, doch daarna den eenen van hen doodde, en den jongsten, Syloson, verdreef, en toen gansch Samos in zijn macht had, en dit hebbende sloot hij een gastverbond met Amasis, den koning van Egypte, geschenken tot hem zendend en andere van hem ontvangend. In korten tijd werden de zaken van Polycrates terstond zeer groot en zijn macht weerklonk door Ionië en het overige Hellas; want waarheen hij zich met een krijgstocht richtte, daar liep alles gelukkig voor hem af. Hij had honderd vijftigriemers en duizend boogschutters, en hij plunderde en verwoestte bij allen zonder onderscheid, want hij beweerde aangenamer aan een vriend te zijn, door terug te geven wat hij genomen had, dan als hij in 't geheel niets nam. Vele der eilanden dan veroverde hij, en ook vele steden op het vaste land, en onder meer nam hij ook de Lesbiërs, die met al hun macht de Milesiërs waren te hulp gekomen, nadat hij hen in een zeeslag had overwonnen, en dezen groeven als gevangenen de gansche gracht om de burcht in Samos. 40. En aan Amasis bleef de voorspoed van Polycrates zeker niet verborgen, doch hij was er bezorgd over. En toen die voorspoed nog veel meer was toegenomen, schreef Amasis den volgenden brief en zond dien naar Samos: "Amasis zegt Polycrates deze woorden. Zoet is het te vernemen, dat een man, vriend en gast, in welvaart is; mij echter voldoet uw groote voorspoed niet, mij, die weet dat de godheid wangunstig is. En daarom wensch ik, èn dat ik zelf èn dat die mij ter harte gaan, deels slagen in hun zaken, deels tegenspoed ondervinden, en dat zij liever zoo in wisseling hun leven doorbrengen, dan in alles geluk hebben. Want van niemand hoorde ik verhalen, die niet gansch en al slecht eindigde, zoo alles hem goed ging. Gij daarom, gehoorzaam mij en doe het volgende tegen uw voorspoed: overleg, en wat gij bevindt u het meeste waard te zijn en door welks verlies gij het zeerst uw ziel bedroeven zult, werp dat weg, zóó, dat het nooit meer onder de mensen komt. En indien daarna uw voorspoed en uw ongevallen niet in wisseling geschieden, genees u wederom op de door mij aangegevene wijze."

41. Polycrates, dit gelezen hebbend, overtuigde zich, dat Amasis hem goed ried, en hij zocht door het verlies van welke zijner kostbaarheden hij zijn ziel het meest bedroeven zou, en bij zoeken vond hij het volgende. Hij had een in goud gevatten zegelsteen, dien hij droeg; van smaragd was deze en bewerkt door Theodorus, Telecles´ zoon, den Samiër. Toen hij nu besloten had dezen weg te werpen, deed hij het volgende. Hij bemande een vijftigriemer en steeg er in, en daarna beval hij hem in de zee te voeren. Toen hij ver van het eiland gekomen was, nam hij ten aanschouwen van alle medevarenden den zegelsteen van den vinger en wierp hem in de zee. Na deze daad voer hij weg, en in zijn huis weder gekomen, was hij zeer ongelukkig.

42. Den vijfden of zesden dag daarna geviel hem het volgende te geschieden. Een visscher, die een groote en schoone visch ving, besloot die aan Polycrates ten geschenke te geven, en hij droeg ze naar het paleis, en zeide voor Polycrates´ aangezicht te willen komen, en toen hem dit was gelukt, gaf hij de visch, en zeide: "o koning, ik ving deze visch en wilde hem niet naar de markt brengen, hoewel ik leef van mijn handen; doch zij scheen mij u en uw heerschappij waardig te zijn; aan u daarom breng ik en geef ik ze." En gene in blijdschap over het gezegde antwoordde aldus: "zéér goed hebt gij gedaan en dubbel is mijn dank èn voor uw woorden èn voor uw geschenk; en wij noodigen u ten maaltijd." De visscher nu schatte dit hoog en ging naar huis, doch de dienaren de visch opensnijdende, vonden in haar buik den zegelsteen van Polycrates. Zoodra zij dien gezien en genomen hadden, brachten zij hem vol vreugde naar Polycrates, en gaven hem den zegelsteen, en verhaalden op welke wijze hij gevonden was. En daar hem de zaak als een goddelijke beschikking voorkwam, schreef hij in een brief alles wat hij gedaan had en wat hem overkomen was, en na het schrijven zond hij den brief naar Egypte.

43. Amasis nu las den brief, die van Polycrates kwam, en zag in, dat het een mens onmogelijk is een mens van het komende lot te redden, en dat Polycrates niet goed ten einde zou komen, daar hij in alles voorspoed had, en zelfs terugvond, wat hij had weggeworpen. En hij zond een heraut naar Samos en zeide, dat hij de gastvriendschap verbrak. Dit deed hij daarom, opdat niet, indien vreeselijk en groot onheil Polycrates aangreep, hij zelf zijn ziel zou bedroeven over een gastvriend.

44. Tegen dezen Polycrates dan, den in alles voorspoedigen, trokken de Lacedaemoniërs ten strijde, geroepen door de Samiërs, die naderhand Cydonia op Creta gesticht hebben. Want Polycrates had buiten weten der Samiërs een bode gezonden naar Cambyses, Cyrus´ zoon, toen deze een leger tegen Egypte bijeenbracht, en hem gevraagd, dat gene ook tot hem naar Samos zou zenden en om een leger vragen. En Cambyses dit hoorende, zond gaarne naar Samos en vroeg Polycrates om zijn zeemacht met hem tegen Egypte te sturen. En deze koos van de burgers hen uit, die hij het meest van zucht tot afval verdacht, zond hen weg met veertig triremen, en droeg Cambyses op hen niet terug te zenden.

45. Sommigen verhalen nu, dat de door Polycrates weggezonden Samiërs Egypte niet bereikt hebben, doch toen zij op hun vaart bij het eiland Carpathus gekomen waren, overlegden zij en besloten niet verder te varen; anderen verhalen, dat zij in Egypte gekomen en bewaakt wordend, van daar wegvluchtten. Toen zij echter naar Samos terugvoeren, ging Polycrates hun met schepen tegemoet en geraakte in gevecht; de terugkeerenden nu overwonnen en landden op het eiland, doch daar leden zij in een landgevecht den nederlaag, en zóó dan voeren zij naar Lacedaemon. Er zijn er die zeggen, dat de uit Egypte ontwekenen Polycrates overwonnen hebben, niet juist zeggende, naar mij voorkomt; niet toch behoefden zij de Lacedaemoniërs in te roepen, indien zij zelf krachtig genoeg waren om Polycrates omver te werpen. Bovendien gedoogt de rede niet, dat hij die huurlingen tot hulp had en eigen boogschutters, velen in menigte, dat deze door de teruggekeerde Samiërs, weinigen in getal, bedwongen zou zijn. En de kinderen en de vrouwen der onder zijn macht staande burgers had Polycrates in de scheepsdokken opgesloten, en hield hen gereed, om, indien genen met de teruggekeerden verraad pleegden, hen met de dokken te verbranden.

46. Toen de Samiërs, door Polycrates verdreven, in Sparta gekomen waren, traden zij voor de overheden en spraken veel, sterk smeekende. Dezen antwoordden hun bij hun eerste optreden, dat zij de eerste woorden vergeten waren, de laatsten niet begrepen. Daarop, voor de tweede maal gekomen, zeiden genen anders niets, doch een broodzak brachten zij mede en verklaarden: "de zak verlangt meel." En de overheden antwoordden, dat het aankomen met dien zak slecht gevonden was, maar toch besloten zij genen te helpen.

47. En daarna rustten de Lacedaemoniërs zich toe en trokken op tegen Samos, naar de Samiërs beweren, om de dienst te vergelden, dat zij zelf genen vroeger met schepen tegen de Messeniërs gesteund hadden; doch naar de Lacedaemoniërs zeggen, trokken zij op, niet zoozeer om de Samiërs op hun verzoek te helpen, doch om zich te wreken over den roof van het mengvat, dat zij aan Cresus hadden willen brengen, en over het pantser, dat Amasis, de koning van Egypte, hun ten geschenke had gezonden. Want ook dat pantser hadden de Samiërs een jaar vroeger dan het mengvat geroofd; van lijnwaad was het, met vele ingeweven beelden, en met goudenen en boomwollen inslagen versierd. Doch waarom het waard is bewonderd te worden, dat maakt iedere draad van het pantser; want hij is fijn en heeft in zich driehonderd en zestig draden, en die allen zichtbaar. Er is nog zulk een pantser, en dat wijdde Amasis in Lindus aan Athenaia.

48. Aan den tocht tegen Samos, zoodat hij tot stand kwam, namen ook de Corinthiërs bereidwillig deel. Want ook aan dezen was door de Samiërs een beleediging overkomen in het geslacht vóór dezen krijgstocht, in denzelfden tijd als de roof van het mengvat. Want driehonderd zonen van de eerste cercyreesche mannen had Periander, de zoon van Cypselus, naar Sardes gestuurd, tot Alyattes, ter ontmanning. Toen echter de Corinthiërs, die de knapen wegbrachten, in Samos aanlegden, en de Samiërs de reden vernamen, waarom zij naar Sardes werden gevoerd, rieden zij eerst de knapen aan, den tempel van Artemis aan te grijpen; daarna, duldden zij niet, dat de smeekelingen uit den tempel werden gesleept, en toen de Corinthiërs den knapen alle spijs onthielden, maakten de Samiërs een feest, dat zij ook nu nog op de zelfde wijze vieren. Want als de nacht kwam, al den tijd dat de knapen als smeekelingen daar waren, stelden zij reidansen van maagden en jongelingen in, en bij de instelling van de reidansen voerden zij ook het gebruik in, koeken van sesam en honig te dragen, opdat de zonen des Cercyraeërs die rooven zouden en voedsel hebben. En dit geschiedde tot zolang, dat de Corinthiërs, de wachters van de knapen, weggingen, en de Samiërs voerden de knapen terug naar Cercyra.

49. Indien er nu na den dood van Periander vriendschap was geweest tusschen de Corinthiërs en die van Cercyra, dan zouden genen om die reden niet hebben deelgenomen aan den tocht tegen Samos. Doch nu, sinds zij op het eiland een nederzetting gebracht hebben, zijn zij altijd met elkander in twist, hoewel gelijk van geslacht. Om die dingen dan wrokten de Corinthiërs tegen de Samiërs.

50. Periander echter had de zonen der eerste Cercyraeërs uit wraak uitgekozen, en ter ontmanning naar Sardes gezonden. Want eerst waren de Cercyraeërs begonnen een goddelooze daad tegen hem te doen. Want nadat Periander zijn eigen vrouw Melissa gedood had, geviel het volgende onheil hem bij het reeds bestaande te overkomen. Uit Melissa had hij twee zonen, in leeftijd den een zeventien, den ander achttien jaren oud. Dezen liet hun moeders vader Procles, alleenheerscher van Epidaurus, bij zich komen, en hij behandelde hen vriendelijk, zoals natuurlijk was, daar zij de zoons waren van zijn dochter. Toen hij hen weder weg zond, zeide hij, bij het uitgeleide: "weet gij wel, knapen, wie uw moeder gedood heeft?" Op dit woord sloeg de oudste van hen gansch geen acht, doch de jongste, Lycophron van naam, had zulk een smart dit hoorende, dat hij in Corinthe gekomen zijn vader, den moordenaar immers van zijn moeder, noch toesprak, noch als hij aangesproken werd, antwoordde, noch op zijn vragen een woord gaf. Eindelijk dreef Periander, vol toorn, hem zijn huis uit.

51. En na diens verdrijving, vroeg hij den oudsten, wat hun moeders vader hun gezegd had. Gene verhaalde, dat hij hen vriendelijk had ontvangen; doch dat woord, dat Procles hun bij het wegzenden gezegd had, daar hij niet had opgelet, dat herinnerde hij zich niet. Doch Periander beweerde, het kon niet anders of gene had hun iets ingeblazen, en hij zette zijn vragen voort; en de ander bracht het zich te binnen en zeide ook dat. Periander overwoog het, en geen zwakte willende toonen -, waar de door hem verdreven zoon zich ophield, tot die mensen zond hij een bode en beval hen genen niet in hun huis op te nemen. En gene dan, als hij verdreven was en naar een ander huis ging, werd ook van daar weder verjaagd, daar Periander de ontvangenden dreigde en beval genen uit te sluiten; en hij, verdreven, ging naar een ander huis van zijn vrienden, want dezen, daar hij toch de zoon was van Periander, ontvingen hem toch, hoewel met vreeze.

52. Eindelijk liet Periander rondroepen, wie genen in zijn huis zou ontvangen of tot hem spreken zou, deze zou een heilige boete aan Apollo betalen en hij zeide hoeveel. Om die verkondiging dan wilde niemand, noch tot hem spreken, noch hem in huis ontvangen; daarbij achtte ook gene zelf het onrechtvaardig tegen het verbod zoo iets te beproeven, doch voortdurend zwierf hij door de zuilengangen. Op den vierden dag, toen Periander hem in vuilheid en honger geraakt zag, gevoelde hij medelijden; hij bedwong zijn toorn, trad op hem af en zeide: "o knaap, wat van beiden is u verkieslijker; te zijn als ge nu zijt, of de heerschappij en de goederen, die ik heb, te ontvangen, gehoorzaam aan uw vader? Gij, die mijn zoon zijt en koning van het rijke Corinthe, hebt het leven van een zwerver gekozen, in opstand en toorn tegen hem, tegen wien gij geenszins behoordet te toornen. Want indien er eenig onheil is geschied, en gij een verdenking tegen mij hebt, dan is dat onheil ook mij overkomen en ben ik er des te méér door getroffen, naar mate ik zelf het bewerkt heb; - gij daarom, inziende, hoeveel beter het is benijd te worden dan beklaagd, en ook wat het is tegen zijn ouders en zijn meerderen te toornen, keer terug in mijn woning." Periander dan greep hem met die woorden aan, doch gene antwoordde zijn vader anders niets, doch zeide, dat deze de heilige boete aan den god schuldig was, daar hij tot hem gesproken had. En Periander begreep, dat de kwaal van zijn zoon niet te heelen was en onverwinbaar, en zond hem weg uit zijn oogen, een schip naar Cercyra sturend, want ook daarover heerschte hij. En toen hij hem weggezonden had, trok Periander op tegen zijn schoonvader Procles, als de grootste oorzaak van zijn tegenwoordigen toestand, en hij nam Epidaurus, en hij nam ook Procles, en greep dien levend.

53. Toen echter bij het voortschrijden van den tijd Periander oud begon te worden en gevoelde, dat hij niet meer bij machte was zijn zaken te overzien en te besturen, zond hij naar Cercyra en riep Lycophron tot de heerschappij; want in den oudsten van zijn zoons zag hij dat niet, doch die scheen hem zwak in verstand. Doch Lycophron keurde den brenger van de boodschap zelfs geen antwoord waardig. En Periander, zeer hangend aan den jongeling, zond wederom tot genen, nu diens zuster, zijn eigene dochter, meenende dat gene haar het meest zou volgen. Toen zij gekomen was en zeide: "o knaap, wilt gij dan dat de heerschappij op anderen komt en het huis van uw vader uiteenvalt, liever, dan dat gij terugkeert en ze neemt? Keer weder naar huis, en houd op u zelf te straffen. Een ijdel goed is trotschheid. Heel niet het kwaad met een kwaad. Velen verkiezen het zachtere boven het strengere recht; velen ook reeds hun moederlijk recht zoekende verloren hun vaderlijk deel. Een zwak ding is de heerschappij; velen zijn er, die ze begeeren, gene is reeds een grijsaard en voorbij de kracht zijns levens: geef niet aan anderen uw goed." Zij nu sprak de meest overredende dingen tot hem, door haar vader onderricht, doch hij zeide tot antwoord nimmer naar Corinthe te zullen komen, zolang hij wist, dat zijn vader nog leefde. Toen zij dat overgebracht had, zond Periander voor de derde maal een bode: hij wilde zelf naar Cercyra gaan, doch gene, verzocht hij, zou naar Corinthe komen en opvolger in de heerschappij worden. Toen de jongeling daarin toestemde, rustte Periander zich uit voor Cercyra, en zijn zoon voor Corinthe. Doch de Cercyraeërs vernamen dat alles, en opdat Periander niet in hun land zou komen, doodden zij den jongeling. En daarom wilde Periander zich op de Cercyraeërs wreken.

54. Toen de Lacedaemoniërs met een groote macht gekomen waren, belegerden zij Samos. Zij grepen de muur aan en beklommen den toren, die bij de voorstad aan de zee staat; doch daarna, toen Polycrates zelf met veel volk toeschoot, werden zij weder verjaagd. Bij den hooger gelegen toren echter op den rug van den berg deden de huurlingen en velen der Samiërs zelven een uitval, doch zij hielden het korten tijd uit tegen de Lacedaemoniërs en vluchtten terug; en genen volgden en doodden.

55. Indien nu de Lacedaemoniërs daar op dien dag gelijk geweest waren aan Archias en Lycopas, ware Samos genomen geworden. Want Archias en Lycopas alleen met de vluchtelingen in de stad gevallen en afgesloten van den weg terug, kwamen om in de stad der Samiërs. Den in het derde geslacht uit dezen Archias gesprotenen anderen Archias, zoon van Samius, Archias´ zoon, dezen ontmoette ik zelf in Pitane (want hij was van dien wijk), en hij eerde van alle vreemdelingen de Samiërs het meest, en hij zeide, dat aan zijn vader de naam Samius was gegeven, daar diens vader Archias in Samos als een held was gestorven. De Samiërs zeide hij te eeren, wijl zijn grootvader op staatskosten door de Samiërs begraven was.

56. Doch de Lacedaemoniërs, toen zij veertig dagen Samos belegerd hadden, zonder dat de onderneming iets verder kwam, keerden terug naar den Peloponnesus. En naar een minder waarschijnlijk verhaal, dat zich verspreid heeft, had Polycrates een menigte inlandsch geld uit lood laten slaan en vergulden, en dat hunb gegeven, en zij hadden het aangenomen en zoo dan waren zij weggegaan. Dit was de eerste tocht, dien de Lacedaemonische Doriërs naar Azië maakten.

57. De Samiërs, die tegen Polycrates waren opgetrokken, voeren, toen de Lacedaemoniërs hen achterlaten wilden, ook zelf weg naar Siphnus. Want zij hadden geld noodig en de zaken der Siphniërs bloeiden in dien tijd, en zij waren het rijkst van de eilanders, daar zij in het eiland mijnen van goud en van zilver hadden, zoodat zij van het tiende der daaruit gekomen gelden te Delphi een schat wijdden, niet minder dan den rijkste; de opbrengst van ieder jaar verdeelden zij onder allen. Toen zij nu dien schat wijdden, vroegen zij het orakel of hun tegenwoordig geluk volgens den wil der goden nog veel tijd zou blijven, en de Pythia antwoordde hun het volgende: Doch mocht eenmaal in Siphnus gansch wit het raadhuis toch worden, Wit van zand ook de markt, voorwaar dan betaamt het den schrandren Wakend te zijn voor de houtene schare en den rooden verkonder. De Siphniërs namelijk hadden toen de markt en het raadhuis met parischen steen versierd.

58. Dit antwoord waren zij niet bij machte te verstaan, noch toen dadelijk, noch toen de Samiërs waren aangekomen. Want zoodra de Samiërs bij Siphnus aangelegd hadden, zonden zij een der schepen met gezanten naar de stad. Oudtijds nu waren alle schepen met menie bestreken, en dat was het, dat de Pythia den Samiërs [?? Kox: Siphniërs] had aangezegd, hen bevelende zich te hoeden voor de houten schare en den rooden verkonder. De boden nu, aangekomen, vroegen de Siphniërs hun tien talenten te leenen, en toen de Siphniërs weigerden hun te leenen, verwoestten de Samiërs hun velden. De Siphniërs vernamen dit, schoten terstond toe, en met genen in gevecht geraakt, werden zij overwonnen, en velen van hen werden door de Samiërs van de stad afgesloten, en honderd talenten dwongen genen hen daarna af.

59. Van de Hermioniërs kregen zij voor geld het eiland Hydrea bij den Peloponnesus en stelden dat onder de hoede van de Troezeniërs; zelf echter grondden zij Cydonia op Creta, niet daarom juist er heen gevaren, doch om de Zacynthiërs uit het eiland te verdrijven. Vijf jaren bleven zij daar en waren in welstand, zoodat zij het zijn, die de nu in Cydonia aanwezige tempels bouwden en den tempel van Dictyna. In het zesde jaar overwonnen hen de Aegineten met de Creters in een zeeslag en maakten hen tot slaven, en de snavels der schepen, in den vorm van een zwijn, die hieuwen zij af en wijdden ze in den tempel van Athenaia in Aegina. Dit deden de Aegineten uit wrok tegen de Samiërs. Want vroeger, toen Amphicrates in Samos koning was, waren de Samiërs tegen Aegina uitgetrokken en hadden de Aegineten veel kwaad gedaan en veel ook van hen geleden. Deze nu was de reden.

LX[bewerken]

Ik heb langer over de Samiërs gesproken, omdat drie van de grootste werken bij alle Hellenen door hen zijn uitgevoerd. Vooreerst door een berg heen, honderd en vijftig vademen hoog, daardoorheen, van onder beginnend, een koker met twee monden. De lengte van die koker is zeven stadiën, hoogte en breedte ieder acht voeten. Over zijn gehele lengte is een andere koker er onder gegraven, twintig ellen diep, en drie voet in lengte, door welke het water, stromend door pijpen, uit een grote bron in de stad komt. De bouwmeester van dit graafwerk was de Megareër Eupalinus, zoon van Naustrophus. Dit nu is een van de drie; het tweede werk is een dam om de haven bij de zee, wel twintig vademen diep; de lengte van de dam is meer dan twee stadiën. Ten derde hebben zij de grootste tempel gebouwd van alle tempels, die wij kennen; de eerste bouwmeester daarvan was Rhoikos, Phileus´ zoon, een man uit het land. Om die zaken heb ik wat langer over de Samiërs gesproken.

61. Terwijl Cambyses, Cyrus´ zoon, in Egypte verwijlde en raasde, stonden twee Magiërs tegen hem op, broeders, van welke Cambyses den eenen als bestuurder van zijn huis had achtergelaten. Deze nu was opgestaan, vernemende, dat de dood van Smerdis verborgen was gehouden, en er weinigen van de Perzen waren, die er van wisten, terwijl de meesten hem in leven waanden. Daarop rekenend maakte hij den volgenden aanslag tegen het koningschap. Hij had een broeder, die naar ik zeide met hem opstond, in uiterlijk zeer sterk gelijkend op Smerdis, Cyrus´ zoon, dien Cambyses, hoewel zijnen eigenen broeder, gedood had. Hij was in uiterlijk gelijkend op Smerdis, en zelfs had hij ook den zelfden naam Smerdis. Dezen man nu overreedde de Magiër Patizeithes, dat hij zelf alles voor hem doen zou, en hij plaatste hem op den koninklijken troon. Daarna zond hij herauten overal elders heen en ook dan naar Egypte om aan het leger te verkondigen, dat voortaan aan Smerdis, Cyrus´ zoon, moest gehoorzaamd worden, en niet aan Cambyses.

62. De andere herauten dan verkondigden dit; en ook dan de naar Egypte gezondene - want hij vond Cambyses met zijn leger in het Syrische Agbatana - trad voor het leger en verkondigde wat door den Magiër opgedragen was. Cambyses dit van den heraut hoorende, geloofde dat gene de waarheid sprak en hij zelf door Prexaspes verraden was: dat deze namelijk, gezonden om Smerdis te dooden, dat niet gedaan had; hij zag Prexaspes aan en sprak: "Prexaspes, hebt ge zóó den taak volbracht, dien ik u opdroeg?" Gene antwoordde: "o heer, dat is niet waar, dat uw broeder Smerdis tegen u is opgestaan, noch dat u uit dien man eenige strijd zal komen, noch groot noch klein. Want ik zelf, doende wat gij mij bevaalt, heb hem met mijn eigen handen begraven. Indien nu de dooden opstaan kunnen, verwacht dan ook, dat Astyages, de Meed, weder op zal staan; is het echter zoals vroeger, dan zal nimmer uit dien man iets kwaads voor u groeien. Nu echter meen ik, dat wij den heraut moeten laten achterhalen, en hem onderzoeken en uitvragen, van wien komende hij ons beveelt koning Smerdis te gehoorzamen."

63. Dit zeide Prexaspes, en daar het Cambyses beviel, werd de heraut terstond achterhaald en hij kwam. En bij zijn komst vroeg Prexaspes hem het volgende. "o Mens, gij beweert toch als bode te komen van Smerdis, zoon van Cyrus; nu dan zeg de waarheid en ga ongedeerd heen, of Smerdis zelf voor uw oogen getreden u dat opgedragen heeft, of iemand van zijn dienstbaren." Gene zeide: "ik heb Smerdis, den zoon van Cyrus, sinds koning Cambyses naar Egypte getrokken is, nimmer gezien. Doch de Magiër, dien Cambyses als bewaker van zijn huis heeft aangesteld, deze beval mij dit, zeggende dat het Smerdis, Cyrus´ zoon, was, die opdroeg dit tot u lieden te zeggen." Hij nu zeide hun dit, en bedroog niets, doch Cambyses sprak: "Prexaspes, als een braaf man verrichttet gij het bevolene, en zijt de schuld ontvlucht; doch welk man der Perzen zou de opstandeling wezen, die zich den naam van Smerdis aanmatigt?" En gene antwoordde: "ik meen het geschiede te begrijpen, o koning; de Magiërs zijn de opgestanen, Patizeithes, dien ge als verzorger van uw huis achterliet, en diens broeder Smerdis."

64. En terstond als Cambyses den naam van Smerdis hoorde, sloeg hem de waarheid der woorden en van den droom, daar hij in den droom gemeend had, dat iemand hem boodschapte, hoe Smerdis op den koninklijken troon gezeten met het hoofd den hemel beroerde. En inziend, dat hij om niet zijn broeder gedood had, beweende hij Smerdis luid. En toen hij geweend had en gejammerd over het gansche onheil, sprong hij te paard, van zins ten spoedigste naar Susa tegen den Magiër op te trekken. En bij het te paard springen viel de knop der schede van zijn zwaard af, en het ontbloote zwaard trof de heup. Gewond op de zelfde plaats, waar hij vroeger den god der Egyptenaars Apis getroffen had, vroeg hij, daar hij door een ernstigen stoot meende gewond te zijn, welke de naam der stad was. En zij zeiden Agbatana. Doch hem was vroeger uit de stad Buto voorspeld, dat hij in Agbatana zijn leven zou eindigen. Hij nu had gemeend als grijzaard in het Medische Agbatana te zullen sterven, waar al zijn macht was, doch het orakel bedoelde Agbatana in Syrië derhalve. En toen hij dan op zijn vragen den naam der stad vernomen had, getroffen door den ramp uit den Magiër en zijn wond, kwam hij bij zinnen, en het orakel begrijpend, zeide hij: "dáár is het Cambyses, den zoon van Cyrus, beschoren te sterven."

65. Toen nu zeide hij slechts zoveel. Doch ongeveer twintig dagen later ontbood hij de aanzienlijksten der aanwezige Perzen en sprak tot hen het volgende: "o Perzen, mijn onheil dwingt mij, wat ik het meest van alle zaken verborgen heb, dat u te openbaren. Ik toch in Egypte zijnde, zag een gezicht in den slaap, - dat ik nimmer gezien mocht hebben! -: want een bode, docht mij, kwam mij uit huis melden, dat Smerdis op den koninklijken troon gezeten met het hoofd den hemel raakte. In vrees nu, dat ik door mijn broeder het rijk verliezen zou, handelde ik meer snel dan verstandig: want het was gewis niet in den aard des mensen het komende af te wenden, doch ik dwaze zond Prexaspes naar Susa om Smerdis te dooden. Toen de zware misdaad volbracht was, leefde ik onbevreesd, geenszins overwegende, dat een ander der mensen na de verwijdering van Smerdis tegen mij op zou staan. Doch ganschlijk dwalende in wat geschieden zou, ben ik broedermoorder, zonder noodzaak, en toch niets minder van de heerschappij beroofd; want Smerdis de Magiër was het, dien de godheid mij in het droomgezicht als opstandeling toonde. De daad nu is gedaan, en gij, rekent Smerdis, den zoon van Cyrus, niet meer tot de uwen; de Magiërs echter zijn u meesters van de heerschappij, hij, dien ik als verzorger van mijn huis achter liet en diens broeder Smerdis. Hij nu, die het eerst mij, den door de Magiërs zoo schandelijk behandelde, wreken moest, deze is op goddelooze wijze omgekomen door zijn naaste verwanten; en nu gene er niet meer is, is het verder zeer noodzakelijk voor mij, u, o Perzen, op te dragen, wat ik wil dat na mijn dood zal geschieden. En dit daarom vermaan ik, de koninklijke goden aanroepend, èn aan u allen èn vooral aan de Achaemeniden hier, niet te dulden, dat de heerschappij weder op de Meden overgaat, doch indien genen door list haar verworven hebben, vermaan ik, dat zij door list weder door u ontnomen wordt; indien zij door eenig geweld haar hebben veroverd, redt haar dan door geweld met alle kracht terug. En als gij zóó doet, moge de aarde u vrucht dragen en uw vrouwen en uw kudden baren, en voor allen tijd zult gij vrij zijn; redt gij de heerschappij niet weder, noch beproeft gij haar te redden, dan wensch ik dat het tegendeel daarvan u moge geworden, en daarbij nog dat aan ieder der Perzen het einde moge komen, dat mij gekomen is." En dit zeggende beklaagde Cambyses geheel zijn eigen lot.

66. Toen de Perzen den koning zagen weenen, scheurden zij, wat zij voor kleederen aan zich hadden, dat scheurden zij stuk, en verhieven overvloedige klachten. Daarop, toen het been aangegrepen werd en de heup spoedig ging rotten, droeg de kwaal Cambyses weg, den zoon van Cyrus, die in ´t geheel zeven jaren en vijf maanden geheerscht had, en gansch zonder eenig kind was van manlijk of vrouwlijk geslacht. Doch bij de aanwezige Perzen was veel argwaan ingedrongen, dat de Magiërs de macht niet zouden hebben, doch zij geloofden, dat Cambyses uit belastering gezegd had, wat hij over Smerdis´ dood had gezegd, opdat gansch het Perzische volk vijandig tegen genen zou wezen. Zij geloofden dan, dat Smerdis, Cyrus´ zoon, koning was geworden. Want ook Prexaspes loochende heftig, dat hij Smerdis gedood had; want niet was het na Cambyses´ dood veilig voor hem te beweren, dat hij den zoon van Cyrus met eigen hand had verdorven.

67. De Magiër dan was na Cambyses´ dood zonder vrees koning, steunende op zijn naamgenoot Smerdis, den zoon van Cyrus, gedurende de zeven maanden die nog na Cambyses ter aanvulling van het achtste jaar overig waren; daarin bewees hij al zijn onderdanen groote weldaden, zoodat bij zijn dood allen grooten smart om hem hadden, behalve de Perzen. Want de Magiër zond boden naar elk der volken, waarover hij heerschte, en kondigde voor drie jaren vrijdom van dienstplichtigheid en belasting aan.

68. Hij nu kondigde dat aan, terstond bij zijn komst aan het bestuur, doch in de achtste maand bleek, wie hij was, op de volgende wijze. Otanes was de zoon van Pharnaspes, in geslacht en in goederen gelijk aan den eersten der Perzen. Deze Otanes nu argwaande het eerst, dat de Magiër niet Smerdis, zoon van Cyrus, was, doch die hij inderdaad was, daarnaar gissende, dat hij niet buiten de burcht kwam, en dat hij niemand van de voorname Perzen voor zijn aangezicht riep; en zoo argwanend deed hij het volgende. Cambyses had een dochter van hem tot vrouw, die Phaedyme heette; deze zelfde had de Magiër toen en hij leefde met haar en met alle andere vrouwen van Cambyses. Otanes zond daarom naar die dochter en vroeg bij wien der mensen zij sliep, hetzij met Smerdis, Cyrus´ zoon, hetzij met een ander. Zij zond antwoord terug, zeggende het niet te weten: want noch had zij Smerdis, Cyrus´ zoon, ooit gezien, noch wist zij, wie het was, die met haar leefde. Ten tweede maal zond Otanes, zeggende: "indien gij zelf Smerdis, Cyrus´ zoon niet kent, vraag gij dan aan Atossa, met wien zij zelf leeft en ook gij; want zij kent gewis haar eigen broeder." Daarop meldde de dochter terug: "noch kan ik Atossa spreken, noch iemand anders van de met mij wonende vrouwen zien. Want zoodra deze mens, wie hij dan zij, de heerschappij overgenomen heeft, heeft hij ons verspreid en ieder een andere plaats aangewezen."

69. Toen Otanes dat hoorde, werd hem de zaak reeds meer duidelijk. Hij zond een derde boodschap tot haar, die het volgende zeide: "O dochter, gij, van zoo edele geboorte, moet het gevaar op u nemen, dat uw vader u raadt te wagen. Want indien hij niet Smerdis, Cyrus´ zoon is, doch dien ik vermoed, dan moet hij niet, slapende met u en de macht der Perzen hebbende, ongedeerd heenkomen, doch zijn straf krijgen. Nu dan, doe het volgende. Wanneer hij bij u ligt, en gij hem in slaap ziet, betast zijn ooren; en indien hij ooren blijkt te hebben, weet dan, dat ge met Smerdis, den zoon van Cyrus leeft; doch heeft hij ze niet, dan met den Magiër Smerdis." Phaedyme antwoordde daarop, zeggende dat zij groot gevaar zou loopen, indien zij dat deed; want indien hij geen ooren had, en zij betrapt zou worden, daar ze hem betastte, dan, wist ze wel, zou hij haar dooden. Maar toch zou ze het doen. Zij dan beloofde dit voor haar vader te zullen doen; van dien Magiër echter, Smerdis, had Cyrus, Cambyses´ zoon, de ooren afgesneden om een niet geringe reden. Deze Phaedyme nu, de dochter van Otanes, volbracht alles, wat zij haar vader beloofd had, en nadat haar beurt gekomen was om tot den Magiër te gaan, - want bij de Perzen gaan de vrouwen in volgorde tot hun man -, kwam zij tot hem en sliep, en toen de Magiër diep in rust was, tastte zij naar zijn ooren. Toen zij niet met moeite, doch gemaklijk bevonden had, dat de man de ooren miste, zond zij, zoodra het dag was geworden, en meldde haar vader de waarheid.

70. Doch Otanes nam Aspathines en Gobryas tot zich, de eersten der Perzen en hem geheel toegedaan in trouw, en deelde hun de gansche zaak mede. En zij hadden ook zelf reeds vermoed, dat het zoo was, en toen Otanes hun de zaak had verhaald, namen zij zijn voorslagen aan. En zij besloten, dat ieder van hen een der Perzen als deelgenoot zou kiezen, dien hij het meest vertrouwde. En Otanes nu bracht Intaphrenes aan, Gobryas Megabyzus, Aspathines Hydarnes. En toen dezen zes in getal waren, kwam in Susa Darius, zoon van Hystaspes, uit Perzië reizende; want daarover toch was zijn vader onderkoning. Toen deze gekomen was, ebsloten die zes Perzen ook Darius deelgenoot te maken.

71. Dezen nu kwamen te samen, zeven in getal, en gaven elkander trouw en redenen. En toen het aan Darius gekomen was zijn meening te openbaren, zeide hij hun het volgende: "ik nu meende zelf alleen dit te weten, èn dat de regeerende de Magiër is, èn Smerdis, Cyrus´ zoon, gestorven. En juist daarom kom ik met haast hier, om den Magiër den dood te bereiden. Doch nu het treft, dat ook gij het weet en niet ik alleen, moeten wij, naar mijn meening, terstond handelen en niet uitstellen; dat bekwame ons slecht." Hierop antwoordde Otanes: "o zoon van Hystaspes, gij zijt van een goeden vader en betoont uzelven als geen mindere te zijn dan uw vader; doch dezen aanslag, verhaast hem zoo niet onberaden, doch grijp hem met meer bezonnenheid aan, want wij moeten méér in aantal zij en dan de daad doen." Darius zeide daarop: "gij mannen hier, indien gij volgens de door Otanes gezegde wijze handelt, weet dan, dat gij op het slechtst omkomt; want iemand zal het aan den Magiër overbrengen, voor zich zelven alleen een winst beoogend. Doch gij behoordet op eigen hand dat verricht te hebben; doch daar gij besloten hebt de zaak aan meer anderen te vertellen en gij ook mij ze vertrouwd hebt, òf laat ons heden handelen, òf weet wel: indien de dag van heden verstreken is, dan zal geen ander mij vóór zijn als mij beschuldiger, doch ik zelf zal u aanklagen bij den Magiër!"

72. Hierop zeide Otanes, toen hij Darius zoo driftig zag: "daar ge ons dwingt te haasten en niet toelaat uit te stellen, welaan leg ons uit, gij zelf, op welke wijze wij in het paleis zullen dringen en hen, de Magiërs, aanvallen zullen. Want dat overal wachten geplaatst zijn, weet ook gij zelf, indien niet van zien, dan van hooren, en die, hoe zullen wij hen voorbijkomen?" Darius antwoordde met het volgende: "Otanes, waarlijk, veel is er, dat men met het woord niet kan verklaren, doch door de daad, en andere dingen zijn er, die men door het woord kan bewijzen, doch geen enkele luisterrijke daad komt uit hen. Doch gij lieden weet, dat het geenszins moeilijk is de geplaatste wachters voorbij te gaan. Want vooreerst, daar wij van zulk een aanzien zijn, is er niemand, die ons niet voorbij zal laten, deels uit eerbied voor ons, deels ook uit vrees; ten tweede heb ik zelf het schoonste voorwendsel, waaronder wij voorbij kunnen gaan, bewerende, dat ik zooeven van Perzië kom en een woord van mijn vader aan den koning wil overbrengen. Want waar een leugen moet gezegd worden, men zegge ze. Want naar hetzelfde streven wij, zij die liegen en zij die de waarheid spreken. Want de eersten liegen dan, als zij door hun bedrog kunnende overtuigen winst zullen hebben; genen spreken waarheid, opdat zij door de waarheid winst verwerven en men hun meer vertrouwen schenkt. Zoo dan, niet het zelfde betrachtende, streven wij naar het zelfde. Indien zij geen voordeel zouden hebben, even goed zou dan de waarheidspreker leugenaar zijn, en de leugenaar waarheidspreker. Wie nu van de poortwachters ons vrijwillig voorbij laat, dien zal het in de toekomst wel gaan; doch die tracht ons tegen te treden, die worde ook daar als vijand beschouwd, en dan naar binnen gedrongen komen wij tot de daad."

73. Hierop zeide Gobryas: "mannen vrienden, wanneer zal ons een schoonere gelegenheid komen om de heerschappij terug te redden, of, indien wij haar niet zullen kunnen winnen, te sterven? Daar wij toch, Perzen zijnde, beheerscht worden door een Meed, een Magiër, en dien nog zonder ooren. Zoovelen van u bij Cambyses´ ziekte waren, herinnert u toch goed wat hij, op het einde van zijn leven over de Perzen vloekte, als zij de heerschappij niet weder trachtten te verwerven; wat wij toen niet aannamen, daar wij meenden dat Cambyses tot belastering zoo sprak. Nu dus geef ik mijn stem om Darius te volgen en niet uit deze samenkomst te scheiden om ergens anders heen te gaan, dan terstond tot den Magiër." Dit zeide Gobryas en allen prezen hem daarin.

74. Terwijl zij dit beraadslaagden, gebeurde door toeval het volgende. De Magiërs hadden beraadslaagd en besloten Prexaspes als vriend aan zich te verbinden, daar hij van Cambyses smadelijke dingen ondervonden had, die hem zijn zoon met den boog had doodgeschoten, en omdat hij alleen den dood van Smerdis, Cyrus´ zoon, wist, met eigen hand hem doodend, en bovendien Prexaspes in het grootste aanzien bij de Perzen was. Daarom dan riepen zij hem en maakten hem vriend, met trouw en eeden hem bindend, dat hij hun bedrog van de Perzen bij zich zou houden en aan niemand mededeelen, en zij beloofden hem alle ontelbare dingen te zullen geven. Toen Prexaspes beloofd had dat te zullen doen, en de Magiërs hem eerst daartoe overreed hadden, droegen zij hem daarna op, (zelf bewerende alle Perzen bijeen te zullen roepen voor de koningsburcht) dat hij, bevalen zij, op een toren geklommen zeggen zou, dat genen door Smerdis, Cyrus´ zoon, beheerscht werden en door geen ander. Dit droegen zij hem zoo op, daar hij het meeste vertrouwen had bij de Perzen, en dikwijls verklaard had, dat Smerdis, Cyrus´ zoon, leefde, en zijn vermoording ontkend had.

75. Toen Prexaspes zeide bereid te zijn ook dat te doen, riepen de Magiërs de Perzen bijeen en plaatsten genen op een toren, en bevalen hem te spreken. Hij nu, wat zij hem hadden verzocht, dat vergat hij opzettelijk, doch bij Achaemenes beginnende haalde hij het geslacht van Cyrus op; daarna, toen hij ten slotte bij dezen gekomen was, verhaalde hij hoeveel goeds Cyrus de Perzen had aangedaan, en dat verhaald hebbende openbaarde hij de waarheid, zeggende ze vroeger verborgen te hebben (want hij kon niet in veiligheid het ware zeggen), doch dat thans de noodzakelijkheid hem drong ze te openbaren. En hij zeide ook, dat hij zelf, door Cambyses gedwongen, Smerdis, Cyrus´ zoon, gedood had, en dat de Magiërs heerschten. En de Perzen veel verwenschende, indien zij de heerschappij niet zouden terugwinnen en op de Magiërs zich wreken, wierp hij zich zelf, het hoofd omlaag, van den toren naar beneden. Prexaspes nu, al den tijd zijns levens een achtenswaardig man, kwam zoo aan zijn einde.

76. De zeven Perzen nu, toen zij besloten hadden terstond de Magiërs aan te vallen en niet uit te stellen, gingen, na gebed tot de goden, niets wetende van wat met Prexaspes was geschied. En zij waren in hun gang halverwege gekomen en vernamen wat met Prexaspes gebeurd was. Toen gingen zij van den weg en spraken wederom met elkander, en de aanhangers van Otanes drongen sterk aan uit te stellen, doch Darius en de zijnen drongen om terstond te gaan en het beslotene zonder uitstel te volvoeren. Terwijl zij twistten verschenen zeven paren havikken, die twee paar gieren najoegen en plukten en verscheurden. En de zeven dit ziende keurden allen de meening van Darius goed en in vertrouwen op de vogels trokken zij naar het paleis. En bij de poort gekomen, geschiedde hun wat Darius verwacht had; want de wachters, in eerbied voor de eerste mannen der Perzen en niet verwachtend, dat zoo iets door hen gebeuren zou, lieten hen voorbij door goddelijke beschikking, noch vroeg iemand iets. Toen zij ook in den voorhof waren gekomen, stieten zij op de gesnedenen, die boodschappen brengen; dezen vroegen wat zij kwamen doen, en tevens, daar zij dit vroegen, dreigden zij de poortwachters, wijl zij genen hadden doorgelaten, en zij weerhielden de zeven, die verder wilden doorgaan. En dezen spoorden elkander aan, en de dolken trekkend stieten zij de tegenhoudenden daar zelf neder, en gingen zelf op een draf naar het mannenvertrek.

78. De beide Magiërs waren toen juist binnen en beraadslaagden over de daad van Prexaspes. Toen zij nu de gesnedenen in verwarring zagen en schreeuwende, liepen zij beiden weder terug en daar zij begrepen, wat geschied was, stelden zij zich te weer. De een nu van hen nam spoedig boog en pijl van den wand, de ander greep naar den speer. Toen dan werden zij handgemeen met elkander. Hem nu van hen, die boog en pijlen genomen had, waren zij van geen nut, daar de vijanden dichtbij waren en aandrongen; doch de ander weerde zich met den speer en trof eerst Aspathines in de heup, daarna Intaphrenes in het oog; en Intaphrenes verloor zijn oog door die verwonding, hij stierf echter niet. De eene der Magiërs dan wondde dezen; de ander echter, daar zijn boog en pijlen hem van geen nut waren, - de slaapkamer toch was naast het mannenvertrek -, daarheen vluchtte hij, en wilde de deur er van sluiten. Doch met hem vielen twee van de zeven binnen, Darius en Gobryas. En daar Gobryas met den Magiër worstelde, stond Darius er bij in verlegenheid door de duisternis, daar hij vreesde Gobryas te zullen treffen. En Gobryas hem werkeloos er bij ziende staan, vroeg waarom hij zijn hand niet gebruikte, en gene antwoordde: "uit vrees voor u, dat ik u treffe." Gobryas antwoordde: "stoot uw zwaard door ons beiden, als het moet." En Darius gehoorzaamde en stiet en trof door toeval den Magiër.

79. Toen zij de Magiërs gedood hadden en hun hoofden afgehouwen, lieten zij hun gewonden daar achter èn om hun zwakte èn tot bewaking van de burcht; doch de vijf van hen, de hoofden der Magiërs dragend, liepen met geschreeuw en geraas rond en riepen de andere Perzen er bij, en verklaarden de zaak en toonden de hoofden, en tevens doodden zij iederen Magiër, die hun in den weg kwam. De Perzen, vernemend wat door de zeven geschied was en het bedrog van de Magiërs, besloten ook zelf hetzelfde te doen: zij trokken hun dolken en doodden, waar zij een Magiër vonden. En indien de nacht niet was gevallen en hen weerhouden had, zouden zij geen enkelen Magiër overgelaten hebben. Dien dag vieren de Perzen onder elkander het meest der dagen, en zij vieren daarop een groot feest, dat door de Perzen de Magiër-moord genoemd wordt; daarbij mag geen enkele Magiër aan den dag komen, doch de Magiërs houden zich dien dag in hun huis.

80. Toen de verwarring was bedaard en vijf dagen waren voorbijgegaan, beraadslaagden de tegen de Magiërs opgestanen over den ganschen toestand, en redenen werden gesproken, ongeloofwaardig voor sommige der Hellenen, maar toch werden zij gesproken. Otanes nu ried de heerschappij aan het perzische volk te geven, het volgende zeggende: "mij schijnt het, dat geen van ons alleenheerscher moet worden; want noch is dat aangenaam, noch goed. Want gij weet, hoe ver de overmoed van Cambyses is gegaan, en gij ondervondt ook den overmoed van den Magiër. En hoe zou de alleenheerschappij een wel ingerichte zaak zijn, waarin men zonder verantwoording doen kan, wat men wil? Want zelfs den besten man, die tot zulk een heerschappij geraakt, zou zij tot andere dan de gewone opvattingen brengen. Want overmoed wordt in hem geboren door zijn macht over zoo veel goederen, de nijd echter is reeds van den aanvang den mens ingeplant. Door die beide heeft hij tevens alle slechtheid; want vele en goddelooze daden verricht hij in zatheid door overmoed, andere weder uit nijd. Zeker moest een alleenheerschend man zonder nijd zijn, daar hij al het goede heeft, doch het tegendeel daarvan pleegt hij tegen zijn medeburgers te wezen: want hij benijdt de aanzienlijksten daar zij behouden leven, in de geringsten des volks verheugt hij zich, en zeer gaarne neemt hij lasteringen aan. Het onverdraaglijkst is hij van allen; want als ge hem matig bewondert, toornt hij, dat hij niet goed gediend wordt; indien iemand hem sterk dient, toornt hij als op een vleier. En het grootste zal ik nu zeggen: hij verstoort de vaderlijke zeden, doet de vrouwen geweld aan, en doodt zonder recht te doen. Als daarentegen de menigte heerscht, heeft haar bestuur vooreerst den schoonsten van alle namen, gelijkheid van rechten; vervolgens doet zij niets van wat de alleenheerscher doet; zij deelt de ambten uit door het lot, houdt ieder ambt onder verantwoording, en brengt alle besluiten voor het volk. Ik geef dus mijn meening, dat wij de alleenheerschappij moeten laten varen en aan de menigte de macht geven: want in het volk is alles."

81. Otanes dan droeg deze meening voor, doch Megabyzus ried de heerschappij aan weinigen op te dragen, het volgende zeggende: "wat Otanes gezegd heeft om de alleenheerschappij te staken, dat moge ook ik gezegd hebben; doch als hij de macht aan de menigte overdragen wil, heeft hij de beste meening gemist, want niets is onverstandiger noch overmoediger dan een onnutte menigte. Ook dat mannen, aan den overmoed eens alleenheerschers ontvlucht, in den overmoed van een teugelloos volk zouden vallen, is niet te dulden. Want gene, als hij iets doet, doet het met weten, doch dezen hebben zelfs het weten niet; want hoe zou hij weten, die nooit iets schoons leerde, noch zag door zijn eigen geest, en zonder verstand zich met geweld op de staatszaken werpt, gelijk aan een winterstroom? Een volksregeering derhalve, laten zij die hebben, die den Perzen slecht gezind zijn; ons echter, laat ons een vergadering van de voortreflijkste mannen uitkiezen en aan dezen het gezag opdragen; want onder dezen zullen ook wij zelven zijn, en van de voortreflijkste mannen is het natuurlijk, dat de beste besluiten komen."

82. Megabyzus nu bracht deze meening bij; in de derde plaats echter openbaarde darius zijn meening, zeggende: " mij nu schijnt Megabyzus, wat hij over de menigte zeide, goed gezegd te hebben, wat echter over de regeering van weinigen, niet goed. Want als drie regeeringswijzen vóór ons liggen, aangenomen dat zij allen op hun best zijn, het volk op zijn best en de weinigen en de alleenheerscher, dan is deze laatste verreweg de beste, beweer ik. Want niets kan gevonden worden beter, dan de voortreflijkste alleenheerscher. Want met de beste gezindheid begiftigd, zal hij onberispelijk over de menigte heerschen en de plannen tegen vijandige mannen zullen zóó het best geheim blijven. Bij de regeering van weinigen komen al spoedig heftige bijzondere vijandschappen onder de velen, die hun deugd willen toonen voor het algemeene wel; want daar ieder zelf de eerste wil zijn en met zijn plannen overwinnen, geraken zij tot groote vijandigheden onderling, waaruit oproeren ontstaan, en uit die oproeren doodslag, en uit den doodslag komt men tot de alleenheerschappij, en dan wordt duidelijk, hoezeer deze de beste is. Als het volk heerscht, kan het niet anders of kwaad wordt geboren. Is het kwade in de openbare zaak gedrongen, dan komen geen vijandigheden onder de slechten, doch sterke vriendschappen; want die kwaad doen aan het gemeene wel, doen dat in samenwerking. Dat gaat zoo verder, totdat een uit het volk opstaat, en de zoodanigen tegenhoudt. En daardoor wordt hij dan bewonderd door het volk, en zoo bewonderd wordt hij dan alleenheerscher. En zoo toont ook deze daarin, dat de alleenheerschappij de beste is. Doch in één woord kan men alles samenvatten en zeggen: vanwaar is onze vrijheid gekomen, en wie gaf ze? Kwam zij van het volk of van weinigen of van een alleenheerscher? Ik ben daarom van meening, dat wij, vrijgemaakt door één man, daaraan ons houden moeten, en bovendien niet de zeden onzer vaderen breken, die goed zijn; want dat bekwame ons slecht."

83. Deze drie meeningen dan werden voorgedragen, doch de vier andere der zeven mannen voegden zich bij de laatste. Toen Otanes, die allen Perzen gelijke macht wilde geven, in zijn meening overwonnen was, sprak hij in hun midden het volgende: "mannen saamgezworenen, duidelijk is, dat één van ons koning moet worden, hetzij door het lot gekozen, hetzij doordat wij het aan het Perzische volk overlaten, wien dit kiezen wil, hetzij door eenig ander middel. Ik nu zal niet met u dingen; want ik wil noch heerschen noch beheerscht worden; op diè voorwaarde nu zie ik van de regeering af, dat ik door geen van u beheerscht zal worden, noch ik zelf noch ooit de uit mij nagekomenen." Toen hij dit gezegd had en de zes hem dat op die voorwaarde hadden toegestaan, dong gene niet meer mede, doch trad uit hun kring, en nu nog is dat geslacht het eenige vrije in Perzië en heerscht zoveel hetzelf wil, zonder de wetten der Perzen te overschrijden.

84. De anderen van de zeven overlegden, hoe zij het rechtvaardigst een koning zouden aanstellen: en zij besloten, dat, zoo het koninkrijk aan een ander van de zeven zou komen, aan Otanes en het nageslacht van Otanes ieder jaar als onderscheiding een Medisch gewaad zou gegeven worden en het gansche geschenk, dat bij de Perzen het meest in eere is. Dit besloten zij hem daarom te geven, omdat hij het eerst de zaak overlegd had en hen bijeengebracht. Dat dan werd aan Otanes als onderscheiding gegeven; doch voor elkander besloten zij het volgende: dat ieder die wilde van de zeven zonder zich aan te melden in het paleis kon komen, behalve als de koning met een vrouw geviel te slapen; en dat het den koning niet zou vrij staan zijn vrouwen anders te nemen, dan uit de gezinnen der mede-saamgezworenen. En over de heerschappij besloten zij het volgende: wiens paard bij den opgang der zon het eerst zou hinniken in de voorstad, daar zij te paard zaten, die zou de heerschappij krijgen.

85. Darius nu had een slimmen stalmeester, wiens naam Oebares was. Tot dezen man, toen zij uit elkander waren gegaan, zeide Darius het volgende: "Oebares, wij hebben besloten aangaande de heerschappij het volgende te doen: wiens paard het eerst hinnikt bij den zonsopgang, terwijl wij te paard zitten, die zal de heerschappij hebben. Nu dan, indien gij eenig slim middel hebt, maak het zoo, dat wij die waardigheid bekomen en geen ander." Oebares antwoordt met het volgende: "o heer, indien het daarin gelegen is, of gij koning zult zijn of niet, wees dan zonder vrees daarover en met goeden moed, daar geen ander koning zal wezen dan gij; want ik heb toovermiddelen van die kracht." Darius zeide: "indien ge dan zulk een slim middel hebt, dan is het tijd het te gebruiken en niet uit te stellen, daar met den komenden dag onze strijd geschieden zal." Oebares hoorde dit en deed het volgende. Toen de nacht gekomen was, nam hij van de merries de eene, die de hengst van Darius het meest liefhad, en die bracht hij naar de voorstad en bond haar vast en hij bracht den hengst van Darius er bij, en eerst leidde hij hem dikwijls dicht bij de merrie om haar heen, dan nader bij haar, en eindelijk liet hij hem de merrie bespringen.

86. Zoodra de dag was aangebroken, waren de zes, volgens hun afspraak, op hun paarden aanwezig; en toen zij verder reden door de voorstad, en zij bij de plaats kwamen, waar in de verstreken nacht de merrie was vastgebonden, toen liep het paard van Darius naar voren en hinnikte: en tegelijk dat het paard dat deed, kwam uit den hemel bliksem en donder. Deze zaken gaven aan Darius een wijding, alsof zij volgens een afspraak der goden geschiedden, en de anderen sprongen van hun paarden en knielden voor Darius.

87. Sommigen nu zeggen, dat Oebares dit uitgedacht heeft, anderen echter het volgende (want tweeërlei wordt de zaak door de Perzen verhaald), dat hij de schaamdeelen van de merrie met de hand aanraakte en toen die hand in zijn broek verborg; toen nu de paarden met zonsopgang zouden weggaan, toen nam die Oebares zijn hand te voorschijn en hield ze aan de neusgaten van Darius´ hengst, en deze bemerkte dat, snoof heftig en hinnikte.

88. Darius, de zoon van Hystaspes, werd dus zoo als koning aangesteld, en in Azië waren, behalve de Arabieren, allen zijn onderdanen, daar Cyrus hen onderworpen had en later weder Cambyses. De Arabieren waren geenszins aan de Perzen onderworpen, doch zij waren gastvrienden, daar zij Cambyses tegen Egypte hadden laten doortrekken; want tegen den wil der Arabieren zouden de Perzen nooit in Egypte gevallen zijn. Darius huwde de voornaamste vrouwen onder de Perzen, vooreerst twee dochters van Cyrus, Atossa en Artystone, van welken Atossa vroeger gehuwd was met haar broeder Cambyses en later met den Magiër, doch de andere, Artystone, maagd. Dan huwde hij ook de dochter van Smerdis, Cyrus´ zoon, wier naam Parmys was, en hij kreeg ook de dochter van Otanes, die den Magiër verraden had; en alles was vol van zijn macht. Eerst nu liet hij een steenen beeld maken; daarop was als figuur een ruiter, en hij schreef er woorden bij, die het volgende zeiden: "Darius, zoon van Hystaspes, heeft door de voortreflijkheid van zijn paard" - en hij noemde den naam - "en van Oebares, zijn stalmeester, de heerschappij over de Perzen verworven."

89. Hierna stelde hij twintig landschappen in Perzië in, die zij zelf satrapiën noemen; hij stelde die in en benoemde bestuurders, en regelde de schattingen, die hem door ieder volk opgebracht moesten worden, en hij voegde bij die volkeren ook de nabijwonenden; ook scheidde hij naburen en voegde verafgelegenen ieder bij een ander volk. De landschappen en de jaarlijksche opbrengst der belastingen regelde hij op de volgende wijze. Hun, die zilver opbrachten, werd gezegd het talent volgens het babylonische gewicht op te brengen; hun die goud opbrachten, volgens het eubeesche gewicht. Het babylonische talent geldt achtenzeventig eubeesche minen. Want onder de regeering van Cyrus en later van Cambyses, was niets bepaald over een schatting, doch de volken gaven geschenken. Om deze regeling van de belasting en andere diergelijke dingen zeggen de Perzen, dat Darius een kramer was, Cambyses een gebieder en Cyrus een vader; de eerste wijl hij alle zaken als een koopman behandelde, de ander wijl hij hard was en om niets gaf, de laatste daar hij zachtaardig was en alles goeds voor hen uitdacht.

90. Van de Ioniërs en de in Azië wonende Magneters, en de Aeoliërs, de Cariërs, de Lyciërs, de Milyers en de Pamphyliërs (want dezen te samen was één belasting opgelegd) kwamen vierhonderd talenten zilver in. Dit nu was het eerste gewest; van de Mysiërs en de Lydiërs en de Lasoniërs en de Cabyliërs en Hytenniërs vijfhonderd talenten; dit was het tweede gewest. Van de Hellespontiërs aan de rechterhand bij het invaren, en de Phrygiërs en de Thraciërs, die in Azië, en de Paphlagoniërs en de Mariandyniërs en de Syriërs was de schatting driehonderd en zestig talenten; dit was het derde gewest. Van de Ciliciërs driehonderd-en-zestig witte paarden, voor iederen dag één, en vijfhonderd talenten zilver; daarvan werden honderd en veertig besteed voor de ruiterij, die in Cilicië geplaatst was, de andere driehonderd en zestig kwamen aan Darius; dit was het vierde gewest.

91. Van de stad Posideüm, die Amphilochus, de zoon van Amphiaraüs, stichtte aan de grenzen van Cilicië en Syrië, daarbij beginnend tot Egypte, behalve een streek van de Arabieren, die belastingvrij was, was de schatting driehonderd en vijftig talenten; in dit gewest ligt gansch Phenicië en het dusgeheeten palaestinische Syrië en Cyprus; dit was het vijfde gewest. Van Egypte en de aan Egypte grenzende Libyers en Cyrene en Barce (want deze waren bij het Egyptische gewest gevoegd) kwamen zevenhonderd talenten in, behalve nog het geld, dat door het meer Moeris werd opgebracht, en van de vischvangst kwam; buiten dat geld dan en buiten de daarbij nog geleverde spijs, kwamen zevenhonderd talenten in; want zij meten aan de Perzen, die in de Witte Burcht te Memphis liggen, en aan hun hulptroepen twaalf tienduizenden schepels graan af; dit was het zesde gewest. De Sattagydiërs en de Gandariërs en de Dadiciërs en de Aparytiërs, tot één geheel gebracht, leverden honderd en zeventig talenten. Dit was het zevende gewest. Van Susa en het overige land der Cissiërs driehonderd; dit was het achtste gewest.

92. Van Babylon en van het overige Assyrië kwamen duizend talenten zilvers en vijfhonderd gesneden knapen; dit was het negende gewest. Van Agbatana en het overige Medië en de Paricaniërs en de Orthocorybantiërs vierhonderd en vijftig talenten; dit was het tiende gewest. De Caspiërs en de Pausicers en de Pantimathen en de Dariters droegen hun schatting bijeen en brachten tweehonderd talenten op; dit was het elfde gewest. Van de Bactrianers tot aan de Aeglers was de schatting driehonderd en zestig talenten; dit was het twaalfde gewest.

93. Van Pactyïca en de Armeniërs en de naburige volkeren tot de zee Euxinus vierhonderd talenten; dit was het dertiende gewest. Van de Sagartiërs en de Sarangers en de Thamanaeërs en de Utiërs en de Myciërs en de bewoners der eilanden in de Roode Zee, waarheen de koning de dusgeheetene losgerukten zendt, van die allen kwamen zeshonderd talenten schatting; dit was het veertiende gewest. De Sacers en de Caspiërs brachten tweehonderd en vijftig talenten; dit was het vijftiende gewest. De Parthen en de Chorasmiërs en de Sogden en de Areërs driehonderd talenten; dit was het zestiende gewest.

94. De Paricaniërs en de aziatische Ethiopiërs brachten vierhonderd talenten op; dit was het zeventiende gewest. Den Matiëners en den Saspiren en den Alarodiërs werden tweehonderd talenten opgelegd; dit was het achttiende gewest. Den Moschen en den Tibareners en den Mossynoecen en den Marden werden driehonderd talenten voorgeschreven; dit was het negentiende gewest. De menigte der Indiërs is verreweg de grootste van alle mensen, van wie wij weten, en zij brachten in vergelijking met alle anderen de grootste schatting op, driehonderd en zestig talenten goudstof; dit was het twintigste gewest.

95. Het babylonische zilver met het eubeesche talent gemeten komt op negenduizend en achthonderd en tachtig talenten; rekent men het goud dertienmaal meer waard, dan vindt men het goudstof op vierduizend en zeshonderd en tachtig eubeesche talenten. Wordt dit alles te samengesteld, dan bedroeg de geheele jaarlijksche schatting voor Darius in eubeesche talenten veertienduizend en vijfhonderd en zestig; wat minder is dan die laatste zestig ga ik voorbij zonder het te noemen.

96. Deze schatting gewerd Darius uit Azië en een klein deel van Libye. Na verloop van tijd kwam ook van de eilanden een andere schatting, en van die in Europa woonden tot aan Thessalië. Deze schatting bewaart de koning op de volgende wijze. Hij laat alles smelten en in aarden vaten gieten, en als de pot vol is, neemt hij het aardewerk weg; indien hij geld noodig heeft, slaat hij zoveel af, als hij telkens noodig heeft.

97. Deze nu waren de landschappen en de opgelegde schattingen. Het Perzische land alleen is door mij niet genoemd als schatplichtig, want de Perzen bewonen hun land belastingvrij. Ook de volgende volken behoefden geen enkele schatting op te brengen, doch gaven geschenken. De Ethiopiërs, buren van de Egyptenaars, die Cambyses op zijn tocht tegen de langlevende Ethiopiërs onderworpen had, en die bij de heilige stad Nysa wonen en voor Dionysus de feesten vieren, - deze Ethiopiërs en hun naburen hebben hetzelfde zaad als ook de Callantische Indiërs, en wonen in huizen onder de aarde, - deze beiden brachten alle drie jaar een geschenk, en brachten nog tot in mijn tijd twee choenicen ongelouterd goud op, en tweehonderd stammen ebbenhout en vijf Ethiopische knapen en twintig groote olifantstanden. De Colchiërs moesten ten geschenke opbrengen met hun naburen tot aan het Caucasische gebergte (want tot dat gebergte gaat de heerschappij der Perzen, doch aan de noordewindzijde van den Caucasus worden de Perzen niet geteld), - dezen dan brachten de geschenken, die hun opgelegd waren, nog in mijn tijd iedere vijf jaar op: honderd knapen en honderd maagden. De Arabieren schonken ieder jaar duizend talenten wierook. Deze geschenken zonden zij nog aan den koning behalve de schatting.

98. Dat goud, die groote menigte, waarvan de Indiërs het genoemde goudstof aan den koning brengen, verwerven zij op de volgende wijze. Alle land van Indië, dat zich naar de opgaande zon uitstrekt, is woestijn. Want van de mensen, die wij weten, en over wie iets bepaalds gezegd wordt, wonen de Indiërs het eerst van alle mensen in Azië bij den dageraad en den zonsopgang. Want wat achter de Indiërs naar den dageraad ligt is een woestijn door het zand. Er zijn vele volken van de Indiërs en niet van dezelfde taal, en sommige zijn zwervend, andere niet, andere weer wonen in de moerassen der rivier en leven van rauwe visschen, die zij vangen, in rieten vaartuigen ze jagende. Eén lid van dit riet maakt een boot. Deze Indiërs nu dragen een gewaad van biezen; wanneer zij biezen uit de rivier getrokken en geklopt hebben, dan vlechten zij ze samen als een mat en trekken dien aan als een pantser.

99. De andere Indiërs, die verder naar den dageraad wonen dan genen, zijn zwervend, en eten rauw vleesch. Zij heeten Padaeërs, en hebben, naar men zegt, de volgende zeden. Als iemand van hun medeburgers ziek wordt, ´t zij het een vrouw is, ´t zij een man, dien man dooden de mannen, die het meest met hem verkeeren, bewerende dat, terwijl de ziekte hem verteert, zijn vleesch voor hen verloren gaat; en hij ontkent wel ziek te wezen, doch de anderen geven dat niet toe, en dooden hem en eten hem feestelijk op. Is het een vrouw, die ziek wordt, dan doen evenzoo de meest bevriende vrouwen het zelfde als de mannen. Wie oud geworden is, dien offeren zij en feesten van hem. Doch zoover komen niet velen van hen, want vóór dien tijd dooden zij een ieder, die in een ziekte geraakt.

100. De volgende is de andere aard van andere Indiërs. Zij dooden niets levends, noch zaaien zij iets, noch plegen zij huizen te bewonen, doch kruiden eten zij, en er groeit bij hen iets, in grootte zoals gierst, in een peul, en dat komt van zelf uit de aarde; dit verzamelen zij en koken het met de peul en eten het. Wie van hen in een ziekte geraakt, die gaat naar de woestijn en legt zich neer. En niemand bekommert zich om hem of hij sterft of ziek is.

101. De paring geschiedt bij al die Indiërs, die ik genoemd heb, openlijk evenals bij de schapen, en zij hebben allen dezelfde kleur en bijna als de Ethiopiërs. Hun zaad, dat zij in de vrouwen werpen, is niet wit, zoals van de andere mensen, doch zwart evenals hun huid; een diergelijk zaad werpen ook de Ethiopiërs. Deze Indiërs wonen nog verder van de Perzen en naar den zuidewind, en gehoorzamen geenszins aan koning Darius.

102. Anderen der Indiërs leven in de nabijheid van de stad Caspatyrus en het land Pactyica; zij wonen naar den Arctus en den noordewind boven de andere Indiërs; dezen leven ongeveer zoals de Bactriërs; deze zijn de meest krijgshaftige der Indiërs en zij zijn het, die op het goud worden uitgezonden; want in deze streek is het een woestijn door het zand. In die woestijn nu en in het zand leven mieren, in grootte kleiner dan honden en grooter dan vossen; eenigen toch van hen zijn bij den koning der Perzen, ginds gevangen. Deze mieren nu maken een huis onder de aarde en werpen het zand op, evenals de mieren in Hellas op dezelfde wijze; zij zijn ook in gestalte zeer gelijkend op genen; het opgeworpen zand is goudhoudend. Om dat zand nu worden de Indiërs in de woestijn gestuurd; ieder spant drie kameelen samen, aan weerszijden een mannetje om te trekken als handpaarden, en een wijfje in het midden; op dit dan gaat hij zelf zitten, en draagt zorg er een in te spannen, dat hij van de jongen heeft weggenomen, zoo snel mogelijk na de geboorte. Want hun kameelen zijn niet minder dan de paarden in snelheid, doch daarenboven veel krachtiger om lasten te dragen.

103. Het uiterlijk nu, hoedanig de kameel er een heeft, beschrijf ik niet voor de Hellenen, daar die het weten; doch wat niet van hem geweten wordt, dat zal ik zeggen. De kameel heeft aan de achterpooten vier dijen en vier knieën, en de schaamdeelen zijn tusschen de achterpooten door naar den staart gewend.

104. Op zulk een wijze dan en met zulke spannen toegerust trekken de Indiërs naar het goud, rekening houdende daarmede, dat zij, als de hitte het grootst is, aan het rooven kunnen gaan; want gedurende de hitte verbergen de mieren zich onder de aarde. En voor die mensen is de zon het heetste in den morgen, niet zoals bij de andere mensen des middags, doch van den opgang tot het opbreken van den markt. In dien tijd brandt zij veel heviger dan in Hellas des middags, zóó dat zij dan, naar men zegt, zich om dien tijd baden. Het midden van den dag brandt de andere mensen bijna evenzeer als de Indiërs; neigt zich dan de middagzon, dan wordt de zon evenals voor de anderen de ochtendzon, en na dien tijd weggaande verkoelt zij meer en meer, tot zij bij het ondergaan gekomen eerst recht verkoelt.

105. Wanneer de Indiërs met zakken bij de plaats gekomen zijn, vullen zij die met zand en trekken ten spoedigste weder weg; want de mieren bemerken hen terstond door de reuk, zoals door de Perzen gezegd wordt, en jagen hen na. In snelheid nu zijn zij gelijk aan geen ander dier, zoodat, indien de Indiërs niet een stuk van den weg vóórkomen, terwijl de mieren zich verzamelen, er geen enkel van hen behouden terug zal komen. De mannetjes-kameelen nu, want zij zijn minder in het loopen dan de wijfjes, worden zelfs losgelaten onder het medetrekken door het wijfje, de een na den ander; doch de wijfjes, denkend aan de kinderen, die zij achterlieten, verslappen in het geheel niet. Het grootste deel van het goud krijgen de Indiërs zóó, naar de Perzen beweren, het overige, geringere deel wordt in het land opgedolven.

106. De uiterste deelen der bewoonde aarde hebben de schoonste zaken ontvangen, zoals ook Hellas verreweg de schoonst gemengde luchtgesteldheid ontving. Want vooreerst ligt Indië het verst van de bewoonde landen naar den dageraad, zoals ik een weinig vroeger gezegd heb; in dat land zijn zoowel dieren, viervoetigen en gevleugelden, veel grooter dan in andere streken, met uitzondering van de paarden (deze doen onder voor de Medische, de dusgeheeten Nesaesche paarden), ook is daar onmetelijk veel goud, ten deele opgedolven, ten deele door rivieren naar beneden gevoerd, ten deele, zoals ik aangaf, geroofd. Ook de wilde boomen dragen daar wol als vrucht, die in schoonheid en deugdelijkheid de wol der schapen overtreft; en de Indiërs maken kleederen van deze boomen.

107. Naar den middag wederom is Arabië het uiterste van de bewoonde landen, en daarin alleen van alle landen groeit de wierook en de myrrhe en de casia en het cinamomum en het ledanum; dit alles, uitgenomen de myrrhe, winnen de Arabieren met moeite. Den wierook verzamelen zij, daar zij de styrax verbranden, die de Pheniciërs naar de Hellenen aanvoeren; deze verbrandende winnen zij den wierook; want die boomen, de wierookdragenden, worden bewaakt door gevleugelde slangen, klein van afmeting, bont van uiterlijk, velen in getal bij iederen boom; deze zijn het ook, die naar Egypte trekken. En zij worden door niets anders van de boomen verjaagd, dan door den rook der styrax.

108. De Arabieren zeggen ook dit, dat de gansche aarde van die slangen vol zou wezen, indien niet met hen geschiedde, wat ik wist, dat ook met de adders gebeurt. Voorzeker, de zorg van het godlijke, - zoals ook natuurlijk is, daar zij wijs is, - maakte, zoovele dieren laf van ziel zijn en eetbaar, die allen rijk aan kroost, opdat zij niet verdwijnen door opgegeten te worden; doch zoovelen vreeslijk zijn van kracht en schadelijk, weinig vruchtbaar. Aan ééne zijde nu, daar de haas door ieder wild dier gejaagd wordt en vogel en mens, is hij dan zóó vruchtbaar: als het eenige onder alle dieren draagt het meer dan één dracht tegelijk; en zoo is het eene jong in den buik behaard, het andere naakt, het derde juist in de baarmoeder gevormd, het vierde eerst ontvangen. Aan die zijde is nu het zoo; doch de leeuwin, die zeer sterk en dapper is, baart slechts eenmaal in haar leven één jong, want barende werpt zij met het jong ook de baarmoeder uit. De oorzaak daarvan is deze: wanneer de welp, in de baarmoeder zijnde, begint zich te bewegen, verscheurt hij met de nagels, veel scherper dan van andere dieren, de baarmoeder; en naarmate hij groeit, gaat hij steeds meer met krabbelen voort; eindelijk is de geboorte nabij, en er is in ´t geheel niets meer gezond van de baarmoeder overgebleven.

109. Zoo ook de adders en de gevleugelde slangen in Arabië, indien deze volgens hun natuur geteeld werden, dan was het voor de mensen niet mogelijk om te leven. Nu echter, wanneer zij samen paren en het mannetje met de teling zelf bezig is, grijpt het wijfje hem in den nek, daar hij het zaad loslaat, en hem bijtende, laat zij hem niet los, voor zij hem doorgevreten heeft. Het mannetje nu sterft op de gezegde wijze, doch het wijfje geeft de volgende boete voor het mannetje. Om den vader te wreken, vreten de jongen nog in den buik zijnde door de moeder heen, en haar lijf doorvretende maken zij zoo den uitweg. De andere slangen, die niet schadelijk voor de mensen zijn, leggen eieren en broeden een groot getal van jongen uit. De adders nu zijn over de gansche aarde, doch die andere, de gevleugelde, zijn talrijk in Arabië en nergens anders, en daarom schijnen zij zoo groot in getal te zijn.

110. Dien wierook dan winnen de Arabieren aldus, doch de casia zóó. Nadat zij zich met runderhuiden en andere vellen geheel het lichaam bedekt hebben, en het gelaat behalve de oogen, gaan zij naar de casia; deze groeit in een ondiep moeras, en om haar en in haar houden zich gevleugelde dieren op, die zeer op de vleermuizen gelijken en vreeselijk schreeuwen en zich sterk te weer stellen; dezen moeten zij van de oogen afhouden en zoo snijden zij de casia af.

111. Het cinamomum verzamelen zij op nog veel zonderlinger wijze dan gene zaken. Want waar het groeit en welk land het is, dat het voortbrengt, kunnen zij niet zeggen, behalve dat sommigen met waarschijnlijkheid beweren, dat het in dezelfde streken groeit, waar Dionysus opgevoed werd. Zij verhalen, dat groote vogels die schorsrollen aandragen, die wij, naar wij van de Pheniciërs geleerd hebben, cinamomum noemen; en die vogels dragen ze naar nesten, uit leem gekneed op steile bergen, waar geen enkele toegang is voor een mens. Daarom dan verzinnen de Arabieren de volgende list. Van doode ossen en ezels en andere lastdieren snijden zij zeer groote stukken af en brengen ze naar die plaatsen, en als zij ze dicht bij de nesten gelegd hebben, verwijderen zij zich ver daarvan. De vogels nu vliegen naar beneden en nemen de stukken van de lastdieren en brengen ze naar de nesten; dezen echter kunnen dat niet dragen en breken naar beneden op de aarde; dan komen genen aan en verzamelen. Het cinamomum wordt dan zoo verzameld en komt van daar naar de andere landen.

112. Maar het ledanum, dat de Arabieren ladanon noemen, ontstaat op nog wonderbaarlijker wijze dan dat andere; want ontstaan in het meest slecht riekende is het hoogst welriekend; want men vindt het in de baarden van geitebokken, ontstaan evenals harst aan den boom. Het is nuttig voor de meeste zalven, en de Arabieren gebruiken dat het meest voor reukwerk.

113. Zoveel zij gezegd over het reukwerk; en er komt uit het Arabische land een wonderzoete geur. Er zijn bij hen twee soorten van schapen, die bewonderenswaard zijn en nergens anders voorkomen. De eene van hen heeft lange staarten, niet kleiner dan drie ellen; wilde men hen deze laten medeslepen, dan zouden zij wonden krijgen, daar de staarten tegen de aarde schuurden; nu echter verstaat iedere herder zóóveel van de houtbewerking: zij maken toch wagentjes en binden die onder aan de staarten, terwijl zij van ieder dier den staart aan zulk een wagentje binden. De andere soort van schapen draagt breede staarten en ongeveer een el in de breedte.

114. Bij den dalenden middag naar de ondergaande zon strekt zich het Ethiopische land uit als het uiterste van de bewoonde landen; dit brengt veel goud voort en geweldige olifanten en alle wilde boomen en ebbenhout en de grootste en meest langlevende mannen.

115. Deze nu zijn de uiterste landen in Azië en in Libye. Over de uiterste landen in Europa naar den avond kan ik niet met zekerheid verhalen. Want ik neem niet aan, dat een rivier, door de barbaren Eridanus genoemd, in de zee naar den noordewind valt, van welke, naar men zegt, de barnsteen komt; noch weet ik of de eilanden de Cassiteriden werkelijk bestaan, waaruit het tin tot ons komt. Want eensdeels wijst de naam Eridanus zelf aan, dat hij helleensch is en niet barbaarsch, doch door een dichter verzonnen; anderdeels kan ik van geen enkelen ooggetuige vernemen, hoezeer ik moeite deed, dat er een zee is aan die zijde van Europa. Zeker echter komen de barnsteen en het tin van het uiterste deel van Europa.

116. In het naar den Beer gelegen deel van Europa wordt blijkbaar verreweg het meeste goud gevonden; hoe het daar gewonnen wordt, ook dat kan ik niet met zekerheid zeggen, doch er wordt verhaald, dat de Arismaspen, éénoogige mannen, het van onder de grijpvogels wegrooven. Doch ik geloof ook dat niet, dat er éénoogige mannen zijn, die hun overige natuur gelijk aan de andere mensen hebben. De uiterste streken dus, die al het andere land omsluiten en in zich vatten, dezen blijken te hebben, wat ons het schoonste schijnt te wezen en het zeldzaamste.

117. Er is een vlakte in Azië, aan alle kanten omsloten door een gebergte, en er zijn vijf doorsnijdingen in het gebergte. Deze vlakte was vroeger van de Chorasmiërs, daar zij dan ook ligt in het gebied van de Chorasmiërs zelf en de Hyrcaniërs en de Parthen en de Sarangen en de Thamanaeërs, doch sinds de Perzen de macht hebben, is zij van den koning. Uit dat omsluitende gebergte nu stroomt een groote rivier; haar naam is Aces. Deze rivier bewaterde vroeger, in vijven gedeeld, de landen dier genoemde mensen, terwijl zij door iedere doorsnijding naar ieder volk stroomde. Doch sinds zij onder den Pers zijn, is hun het volgende geschied. De koning liet de doorsnijdingen der bergen dichtbouwen en plaatste een toren op iedere doorsnijding; en daar de uitgang van het water afgesloten is, is de vlakte binnen het gebergte een zee geworden, daar de rivier toestroomt, en geen enkelen uitweg heeft. Genen nu, die vroeger het water plachten te gebruiken, kunnen het nier meer gebruiken en leven in grooten nood. Want des winters zendt de god hun regen, evenals aan de andere mensen, en des zomers, als zij gerst en sesam zaaien, hebben zij gebrek aan het water. Wanneer hun nu gansch geen water gegund wordt, gaan zij met hun vrouwen naar de Perzen, plaatsen zich voor het paleis des konings en schreeuwen en huilen. Doch de koning beveelt dan voor hen, die het meest in nood zijn, de poort te openen, welke daar heen gaat. Als hun land het water drinkt en er mede verzadigd is geworden, wordt die poort weder gesloten, en hij beveelt een andere open te maken voor anderen van de overigen, die het meest in nood zijn. Naar ik van hooren weet, opent hij de poorten, veel geld afdwingende behalve de schatting.

118. Deze zaken zijn nu zoo. Van de zeven tegen den Magiër opgestane mannen, overkwam het een van hen, Intaphrenes, terstond na den opstand om de volgende euveldaad te sterven. Hij wilde in de koninklijke burcht gaan en met den koning iets behandelen; want de wet was dan toch zóó, dat voor de opgestanen tegen den Magiër toegang tot den koning was zonder aanmelding, indien de koning niet geviel bij zijn vrouw te liggen. Daarom dan meende Intaphrenes, dat hij geenszins behoefde zich te laten aanmelden, doch daar hij van de zeven was, wilde hij naar binnen gaan. Doch de poortwachter en de boodschapbrenger duldden dit niet, zeggende, dat de koning bij een vrouw lag. En Intaphrenes, meenende dat zij logen, deed het volgende: hij trok zijn zwaard en sneed hun de ooren en de neus af, en ze aan den teugel van zijn paard hangende, bond hij hun dien om den hals en liet hen gaan.

119. Genen echter toonden zich den koning en zeiden de reden, waardoor zij dat geleden hadden. En Darius, in vrees dat de zes in gemeen overleg zoo handelden, ontbood ieder van hen en onderzocht hun gezindheid, of zij het gedane goedkeurden. Toen hij bemerkt had, dat gene niet met hen dat had gedaan, greep hij Intaphrenes zelf en zijn zoons en al zijn aanhoorigen, in de sterke meening dat hij met zijn verwanten een oproer tegen hem beraamde, en hen gegrepen hebbend, wierp hij hen in de gevangenis voor halsmisdadigers. De vrouw echter van Intaphrenes trad voor de poort des konings en weende en jammerde lang, en toen zij dat telkens weder deed, bracht zij Darius tot medelijden, en een bode zendend zeide hij het volgende: "o vrouw, koning Darius gunt het u, een der gevangene verwanten, wien gij ook wilt, van den dood te redden." Zij overwoog en antwoordde dit: "indien dan de koning mij van éénen het leven geeft, kies ik uit allen mijn broeder." Darius vernam dit en verbaasde zich over het woord, en zond en sprak: "o vrouw, de koning vraagt u, door welke overweging gij uw man en uw kinderen achterliet, doch uw broeder koost om te blijven leven, die u toch vreemder is dan uw kinderen en minder lief dan uw man."Zij antwoordde met het volgende: "o koning, een anderen man kan ik wel krijgen, zoo de godheid het wil, en andere kinderen, indien ik dezen verlies; doch nu mijn vader en mijn moeder niet meer leven, zal ik op geen enkele wijze meer een broeder kunnen vinden. Om die overweging nu heb ik dat gezegd." En aan Darius scheen de vrouw goed gesproken te hebben, en hij zond haar hem, dien zij gevraagd had, en nog den oudsten der zoons, uit behagen in haar; de anderen echter doodde hij allen. Van de zeven dan kwam één terstond op de gezegde wijze om het leven.

120. Ongeveer ten tijde van Cambyses´ ziekte geschiedde het volgende. Door Cyrus was als satraap van Sardes Oroetas aangesteld, een persisch man. Deze verlangde naar een goddelooze daad; want terwijl hij geen beleedigend woord van Polycrates van Samos noch ondervonden noch gehoord had, noch hem vroeger gezien, verlangde hij hem te grijpen en te verderven, en, zoals de meesten verhalen, om de volgende reden. Deze Oroetas en een andere Pers, van naam Mitrobates, satraap van het gewest van Dascyleüm, zaten bij de poort des konings, en van woorden vielen zij in getwist, en toen zij kibbelden over hun dapperheid, zeide Mitrobates bitter tot Oroetas: "zijt gij een man, gij, die voor uw koning het eiland Samos, vlak bij uw gewest gelegen, niet veroverd hebt, terwijl het zoo gemakkelijk te bedwingen is, daar een der ingezetenen, met vijftien zwaargewapenden opgestaan, het won en nu het nog beheerscht?" Sommigen nu beweren, dat gene dit hoorende en smart gevoelend over de beschimping, gewenscht heeft, niet zoozeer op den spreker van die woorden zich te wreken, als wel Polycrates op alle wijzen te verderven, om wien hij gescholden was.

121. Anderen, weinigen, verhalen, dat Oroetas een heraut naar Samos zond om een zaak te verzoeken (want toch, wat dat was, wordt niet gezegd), en Polycrates juist in het mannenvertrek neerlag en Anacreon van Teos ook bij hem was; en hetzij hij met opzet de macht van Oroetas gering achtte, hetzij het door toeval zoo geschiedde: de heraut van Oroetas toch trad tot genen en sprak, en Polycrates (want hij lag juist naar de muur gekeerd) wendde zich niet om, noch antwoordde iets.

122. Deze dubbele oorzaak wordt als de oorzaak van Polycrates´ dood verhaald, en men kan aannemen, welke van beiden men wil. Oroetas nu, gevestigd in Magnesia, het boven de rivier de Maeander gelegene, zond Myrsus, zoon van Gyges, een Lydiër, naar Samos met een boodschap, daar hij de bedoeling van Polycrates begreep. Want Polycrates is de eerste der Hellenen, dien wij weten, dat naar de zeeheerschappij streefde, behalve Minos van Cnossus en indien iemand vóór dezen de zee beheerschte; doch van het dus geheeten menslijke geslacht was Polycrates de eerste, en hij had veel verwachtingen om over Ionië en de eilanden te zullen heerschen. Oroetas nu, inziende dat gene dit in den zin had , zond een boodschap en zeide dit: "Oroetas zegt Polycrates het volgende. Ik verneem, dat gij op groote ondernemingen zint, doch uw middelen niet zoo groot zijn als uw plannen. Doe gij nu zóó en gij zult u zelf verhoogen, en ook mij redden. Want tegen mij zint koning Cambyses op den dood, en daarover heb ik zeker bericht. Breng gij dan daarom mij zelf en mijn schatten weg, en houd die zelf voor een deel, voor een deel laat ze mij behouden: in uw schatten zult ge over gansch Hellas heerschen. Indien ge mij wantrouwt over mijn schatten, stuur dan hem, die u het vertrouwdste is, en ik zal ze hem toonen."

123. Polycrates dit vernemende verheugde zich en wilde gaarne; en daar hij zeer sterk naar schatten begeerde, zond hij eerst Maeandrius, zoon van Maeandrius, een der burgers, die zijn schrijver was, om te bezichtigen. Deze wijdde, niet veel tijd na die dingen, al den tooi uit het mannenvertrek van Polycrates, zéér bezienswaard, in den tempel van Hera. Doch Oroetas vernemende, dat de opzichter verwacht werd, deed het volgende. Acht kisten vulde hij met steenen, behalve zeer weinig onder de randen, en boven op de steenen wierp hij goud, en hij bond de kisten dicht en hield ze gereed. Maeandrius nu kwam en zag en meldde het aan Polycrates.

124. Deze dan, hoewel de waarzeggers het hem dringend ontrieden, dringend ook zijn vrienden, ging op reis daarheen, terwijl bovendien zijn dochter nog het volgende droomgezicht gezien had. Zij meende, dat haar vader in de lucht hing, en dat Zeus hem wiesch en de zon hem zalfde. Na dit gezicht gezien te hebben deed zij alles, dat Polycrates niet naar Oroetas zou reizen, en zelfs toen hij op den vijftigriemer ging, riep zij hem woorden van slechte verwachting na. En hij dreigde haar: als hij behouden terugkwam, zou zij langen tijd jonkvrouw blijven. Zij echter smeekte dat dat geschieden mocht; want liever wilde zij langen tijd jonkvrouw blijven, dan van haar vader beroofd te zijn.

125. En Polycrates, allen raad minachtend, voer naar Oroetas, en hij nam vele andere van zijn vrienden mede, en daaronder ook Democedes, zoon van Calliphon, een Crotoniaat, een geneesheer, en in de beoefening van zijn kunst een der besten van zijn tijdgenooten. Doch in Magnesia gekomen ging Polycrates smadelijk te gronde, op een wijze noch hem zelven noch zijn plannen waardig; want behalve de heerschers van Syracuse, is niet één der andere helleense alleenheerschers waardig met Polycrates in heerlijkheid te worden vergeleken. Doch Oroetas, hem gedood hebbend op een wijze niet waard om vermeld te worden, kruisigde hem; maar zijn volgelingen, zoovelen er Samiërs waren, die zond hij weg, en ried hen hem dankbaar te wezen voor hun vrijlating; doch allen die vreemdelingen waren en dienaren in het gevolg, die hield hij en behandelde hij als slaven. Doch Polycrates, opgehangen, vervulde het gansche droomgezicht zijner dochter; want gewasschen werd hij door Zeus, wanneer het regende, en gezalfd werd hij door de zon, zelf uit zijn lichaam vocht uitdampend.

126. Polycrates´ voortdurende voorspoed nam dan zulk een einde [zoals Amasis, de koning van Egypte hem voorzegd had], doch niet veel tijd later achterhaalde ook Oroetas de wraak voor Polycrates. Want na Cambyses' dood en de regeering der Magiërs, bleef Oroetas in Sardes zonder eenigszins hulp te brengen aan de Perzen, die door de Meden van de heerschappij beroofd waren, doch in die verwarring doodde hij Mitrobates, den satraap in Dascyleüm, die hem over Polycrates beschimpt had, en hij doodde ook Cranaspes, den zoon van Mitrobates, mannen van aanzien onder de Perzen, en hij bedreef allerlei andere euveldaden, en zelfs een boodschapper van Darius, die tot hem kwam, dezen, daar de tijding hem niet aangenaam was, dezen doodde hij op den terugweg, door hem mannen langs den weg in hinderlaag te leggen; en na dien moord deed hij hem met zijn paard verdwijnen.

127. Toen nu Darius het bewind had, verlangde hij zich te wreken op Oroetas om al zijn misdrijven en vooral om Mitrobates en zijn zoon. Openlijk nu een leger tegen hem te zenden, docht hem niet goed, daar de zaken nog in beroering waren, en hij zelf sinds kort het rijk had, en hij vernam dat Oroetas een groote macht bezat; want duizend Perzen waren lijfwachters van hem, en hij had het phrygische en het lydische en het ionische gewest. Daarom dan verzon Darius het volgende. Hij riep de aanzienlijkste Perzen bijeen en zeide: "o Perzen, wie van u wil mij dat op zich nemen en uitvoeren door list, en niet met geweld en met geraas? Want waar list noodig is, is geweld van geen nut. Wie van u dan zou mij Oroetas òf levend hier kunnen brengen òf dooden? Hem, die de Perzen niets hielp, doch veel kwaad uitrichtte. Eensdeels toch heeft hij twee van u vermoord, Mitrobates en diens zoon, anderdeels doodt hij hen, die hem opriepen en door mij gezonden waren, een ondraaglijken overmoed toonend. Vóór hij dus de Perzen méér kwaad heeft aangedaan, moet hij ons door den dood bedwongen worden."

128. Darius nu vroeg dit, en dertig mannen beloofden het hem, en wilden ieder zelf dat volbrengen. En Darius weerhield hen, die twisten gingen, en beval hen te looten. En zij lootten en van allen kreeg Bagaeus het, zoon van Artontes. En toen Bagaeus het verkregen had, deed hij het volgende. Hij schreef vele brieven en over velerlei zaken en drukte daar den stempel van Darius op, en daarna ging hij met deze brieven naar Sardes. Daar gekomen en voor het aangezicht van Oroetas gegeaan, nam hij de brieven één voor één uit het omhulsel en gaf ze aan den koninklijken schrijver om te lezen; alle satrapen hebben koninklijke schrijvers. Bagaeus gaf de brieven om de lansdragers te onderzoeken, of zij geneigd zouden zijn van Oroetas af te vallen. En ziende, dat zij de brieven grootelijks eerden en het in de brieven gezegde nog meer, gaf hij hem een anderen, waarin de volgende woorden waren: "O Perzen, koning Darius verbiedt u lansdragers van Oroetas te zijn." En zij, toen zij dat hoorden, strekten hun lansen voor hem. Bagaeus ziende, dat zij daarin den brief gehoorzaamden, toen vatte hij moed en gaf den schrijver den laatsten brief, waarin geschreven was: "Koning Darius beveelt de Perzen in Sardes, Oroetas te dooden." Toen de lansdragers dat hoorden, trokken zij hun zwaarden en doodden genen terstond. Zoo dan achterhaalde Oroetas den Pers de wraak voor Polycrates den Samiër.

129. Toen de slaven en de schatten van Oroetas naar Susa gebracht waren, geschiedde het niet veel tijd later, dat koning Darius op de wilde-dieren-jacht van zijn paard sprong, en den voet verzwikte. En zeker was de verzwikking wel zeer erg, want de enkelknokkel was uit het lid gegaan. Daar hij nu ook vroeger Egyptenaars bij zich placht te hebben, die voor de eersten in de geneeskunde golden, gebruikte hij dezen. Doch zij draaiden den voet met geweld in het lid en maakten de kwaal erger. Gedurende wel zeven dagen en zeven nachten kon Darius niet slapen door de kwaal aan zijn liichaam, doch op den achtsten dag, daar hij zeer zwak was, sprak iemand Darius van de kunst van Democedes den Crotoniaat, waarvan hij vroeger nog te Sardes had gehoord; en Darius beval genen terstond tot hem te brengen. Toen zij hem gevonden hadden onder de slaven van Oroetas, geheel en al verwaarloosd, brachten zij hem voor den koning, zijn ketens slepend en in lompen gehuld.

130. En als hij voor Darius stond, vroeg deze hem of hij de kunst verstond; gene echter loochende dat, vreezende dat hij door zichzelf te openbaren, Hellas geheel verliezen zou. Doch aan Darius kwam hij voor te veinzen, hoewel hij de kunst verstond, en hij beval aan die hem gebracht hadden, zweepen en prikkels daar heen te brengen. Toen dan maakte hij zich bekend en zeide, dat hij de kunst niet volkomen verstond, doch door omgang met een geneesheer er een weinig van kende. Daarna, toen Darius hem de zaak toevertrouwde, paste Democedes helleense middelen toe, en bracht een zachte behandeling na de ruwe aan en deed genen den slaap vinden en maakte hem in korten tijd geheel gezond, terwijl Darius geenszins verwacht had ooit weder recht van voet te zullen zijn. Darius begiftigde hem daarna met twee paar gouden ketenen; doch gene vroeg hem, of hij hem opzettelijk een dubbelen ramp gaf, daar hij hem gezond had gemaakt. En Darius, uit behagen in dat woord, zond hem tot zijn eigen vrouwen; en de gesnedenen leidden hem rond en zeiden tot de vrouwen, dat deze het was, die den koning het leven had wedergegeven. En een ieder van haar met een schaal in de kist van het goud scheppende, begiftigde Democedes met een zoo overvloedige gift, dat de slaaf achter hem, wiens naam Sciton was, de uit de schalen gevallenen staters bijeenraapte en een niet geringe som goud te samen bracht.

131. Deze Democedes was op de volgende wijze uit Croton gegaan en in het gezelschap van Polycrates gekomen. Hij leefde in Croton met zijn vader, een man lastig van toorn; toen hij dezen niet verduren kon, ging hij weg naar Aegina. En daar zich gevestigd hebbend, overtrof hij in het eerste jaar reeds de andere geneesheeren, hoewel hij geen inrichting had en geen der werktuigen, zoovele tot de kunst behooren. En in het tweede jaar huurden hem de Aegineten van staatswege voor een talent, in het derde de Atheners voor honderd minen, in het vierde Polycrates voor twee talenten. Zoo kwam hij dan te Samos, en niet het minst door dezen man kwamen de crotoniatische artsen tot roem; want dat geschiedde toen de Crotoniaten de eerste artsen in Hellas heetten, en de Cyrenaeërs de tweeden. In den zelfden tijd waren de Argiven vermaard als de eersten der Hellenen in de toonkunst.

132. Toen dan had Democedes in Susa Darius genezen en bezat een zeer groot huis en was tafelgenoot des konings geworden, en behalve het ééne, weder naar Hellas te gaan, ontbrak hem niets. En zoowel dan redde hij de Egyptische artsen, die den koning eerst behandeld hadden, en gespietst zouden worden, daar zij door de helleense arts overwonnen waren, dezen redde hij, daar hij den koning het vroeg, als ook redde hij den ziener uit Elis, die Polycrates gevolgd was en onder de slaven verwaarloosd daar was. En Democedes was een zeer groot ding bij den koning.

133. Niet veel tijd daarna geviel dit andere te geschieden. Atossa, de dochter van Cyrus en de vrouw van Darius, kreeg een gezwel aan de borst, en dit, later opengebroken, vrat verder om zich. Zolang dit gezwel nu klein was, verborg zij het uit schaamte en zeide zij het aan niemand; doch toen het erg werd, ontbood zij Democedes en toonde het hem. En hij beloofde haar gezond te maken en dwong haar den eed af, dat zij voorwaar hem de vergelding schenken zou, die hij haar mocht vragen; en niets zou hij vragen van zoveel tot schande strekt.

134. Toen hij haar daarna behandeld had en gezond gemaakt, toen dan, onderricht door Democedes, sprak Atossa in bed tot Darius de volgende rede: "o koning, gij hebt zoo groot een macht en zit neder, noch eenig volk, noch eenige macht voor de Perzen er bij winnende. Doch het betaamt, dat een die een man is en jong en meester van groote schatten, een schitterende daad verricht, opdat ook de Perzen leeren, dat een man hen beheerscht. Een dubbel voordeel dus is het u dat te doen, èn wijl de Perzen zullen inzien dat hun eerste een man is, èn dat zij in den oorlog zullen verkeeren, en niet, rust houdende, u lagen zullen leggen. Want nu nog zoudt ge een daad kunnen verrichten, zoo lang gij jong zijt; want met den groei van het lichaam groeit ook de moed, en oud wordt deze als gene oud wordt en verstompt voor alle ondernemingen." Zij nu sprak dit, wat haar geleerd was, en gene antwoordde het volgende: "o vrouw, alles zoveel ik zelf ook van zins ben te doen hebt gij gezegd; want ik heb het voornemen een brug te leggen van dit vaste land naar het andere en tegen de Scythen op te trekken; en in weinig tijd zal dit volbracht worden." Atossa zeide het volgende: "doch zie toe en laat af het eerst tegen de Scythen op te trekken, want dezen zullen van u zijn, wanneer ge wilt; doch trek om mij tegen de Hellenen op. Want naar wat ik met woorden daarvan vernomen heb, wilde ik gaarne Laconische dienaressen hebben en Argivische en Attische en Corinthische. En gij hebt een man, die van alle mannen het meest geschikt is, om u alles van Hellas te toonen en gids te zijn, hij, die uw voet behandeld heeft." En Darius antwoordde: "o vrouw, daar ge wilt dat wij onze eerste poging met Hellas zullen maken, dunkt het mij beter te zijn, eerst Perzische verspieders met hem, dien gij genoemd hebt, tot genen te zenden, dat zij mogen nagaan en zien en alles over hen aan ons berichten; en dan, als ik alles nauwkeurig weet, zal ik mij tot hen keeren."

135. Dit zeide hij en met het woord deed hij ook de daad. Want zoodra de dag gekomen was, riep hij vijftien aanzienlijke Perzen en beval hen Democedes te volgen en de kustlanden van Hellas te bezoeken, en dat Democedes hun niet ontloopen zoude, doch in allen geval moesten zij hem weer terugbrengen. En toen hij genen dat opgedragen had, liet hij vervolgens Democedes zelven roepen en vroeg hem, dat hij de Perzen door gansch Hellas zou leiden en het hun toonen, en weder terugkomen; hij beval hem ook als geschenken voor zijn vader en zijn broeders al zijn vervoerbare have mede te nemen, beloovende andere dingen, veel meer, hem daarvoor te zullen geven; en bovendien, zeide hij, een vrachtschip, met alle goede zaken gevuld, tot de geschenken bij te zullen dragen, dat met hem varen zou. Darius nu, naar mij schijnt, deed dit aanbod geenszins uit arglistige bedoeling. Doch Democedes, uit vrees dat Darius hem op de proef stelde, nam geenszins gretig al het gegevene aan. doch een deel van het zijne zou hij in het land teruglaten, zeide hij, opdat hij het had bij zijn terugkomst, doch het vrachtschip, dat Darius wilde voegen bij de gift aan zijn broeders, zei hij aan te nemen. En toen Darius nu ook aan dezen dat opgedragen had, zond hij hem naar de zee.

136. Zij nu gingen naar Phenicië en de phenicische stad Sidon en bemanden daar terstond twee triremen, en met dezen vulden zij ook een groot vrachtschip met allerlei geschenken; en alles verzorgd hebbend zeilden zij naar Hellas; zij hielden zich aan de kuststreken en bezagen en schreven op, totdat zij, na het meeste en meest vermaarde er van gezien te hebben, ook te Italië in Tarentum kwamen. Hier liet Aristophilidas, de koning der Tarentijnen, uit welwillendheid voor Democedes, vooreerst de stuurriemen van de Medische schepen wegnemen, en dan ook nam hij de Perzen gevangen onder voorwendsel, dat zij spionnen waren. Terwijl zij dat ondergingen, ging Democedes naar Croton en toen hij reeds in zijn huis gekomen was, liet Aristophilidas de Perzen los, en gaf hun weder, wat hij van de schepen had weggenomen.

137. De Perzen van daar weggezeild, jaagden Democedes na en kwamen in Croton, en zij vonden hem op de markt en grepen hem aan. En van de Crotoniaten vreesden sommigen de perzische macht en wilden hem gaarne uitleveren, anderen echter grepen de Perzen aan en met hun staven sloegen zij hen, die deze woorden gaven: "mannen Crotoniaten, ziet wat gij doet. Gij ontrukt ons een man, een van den koning weggeloopenen. Hoe zal het koning Darius bevallen zóó beleedigd te worden? Hoe zal u uw daad bekomen, indien ge hem ons ontrukt? Tegen welke stad zullen wij eerder dan tegen deze optrekken? Welke zullen wij eerder trachten slaaf te maken?" Zoo sprekende overreedden zij de Crotoniaten niet, doch nadat Democedes hun ontrukt was en het vrachtschip, dat zij mede hadden gevoerd, ontnomen, voeren zij terug naar Azië, en beroofd van hun gids, zochten zij niet verder in Hellas te komen en te leeren. Zoo veel had Democedes hun nog bij hun vertrek opgedragen: hij beval hen aan Darius te zeggen, dat Democedes met de dochter van Milo verloofd was om haar te huwen. Want de naam van Milo, den worstelaar, was groot bij den koning. En mij schijnt Democedes, veel geld betaald en dat huwelijk daarom verhaast te hebben, opdat hij in Darius' oogen als een ook in zijn eigen land gezien man zou schijnen.

138. De Perzen uit Croton weggevaren geraakten met hun schepen in Iapygië, en daar in slavernij gekomen, werden zij door Gillus, een tarentijnschen balling bevrijd, en naar koning Darius gebracht. Deze was bereid ter vergelding daarvoor genen te geven, wat hij zelf wilde. Gillus koos, dat hij weder in Tarentum zou komen, en verhaalde geheel zijn ongeluk; en opdat hij Hellas niet in verwarring mocht brengen, indien om hem een groote tocht tegen Italië voer, zeide hij dat de Cnidiërs genoeg waren om hem terug te brengen, meenende, dat deze, vrienden van de Tarentijnen, het best zijn terugkomst zouden bewerken. Darius beloofde dat en volbracht het; want hij zond een bode naar Cnidus en beval hen Gillus naar Tarentum terug te voeren. En de Cnidiërs, Darius gehoorzamend, overreedden de Tarentijnen echter niet, en waren buiten macht geweld te gebruiken. Deze dingen dan geschiedden zoo. Deze nu waren de eerste Perzen, die van Azië in Hellas kwamen, en om zulk een zaak waren zij verspieders geweest.

139. Daarop veroverde koning Darius Samos, de eerste van alle steden, helleense en barbaarsche, en om de volgende reden. Toen Cambyses, zoon van Cyrus, naar Egypte trok, waren vele andere Hellenen in Egypte gekomen, - sommigen, zoals begrijpelijk is, om huursoldaat te worden, sommige anderen ook om het land te zien, - en van deze was Syloson, Aeaces' zoon er een, de broeder van Polycrates en balling uit Samos. Dezen Syloson overkwam het volgende gelukkige toeval. Hij had een rooden mantel genomen en dien omgeworpen en liep zoo op de markt in Memphis. Hem zag Darius, die speerdrager was van Cambyses en nog geenszins van groot aanzien, en hij begeerde den mantel, en liep toe en wilde hem koopen. Doch Syloson, ziende dat Darius den mantel hevig begeerde, zeide door goddelijke ingeving: "ik verkoop hem voor geen geld, doch geef hem om niet, indien hij zoo bepaald de uwe moet worden." En Darius prees dat en ontving het gewaad.

140. Syloson nu geloofde, dat hij het door zijn onnoozelheid verloren had. Doch toen na verloop van tijd Cambyses stierf, en de zeven tegen den Magiër opstonden en uit de zeven Darius de heerschappij kreeg, vernam Syloson, dat de heerschappij overgegaan was op dien zelfden man, wien hij zelf eens in Egypte op zijn verzoek het gewaad gegeven had. En naar Susa gereisd zette hij zich in den voorhof van het paleis des konings en beweerde Darius' weldoener te zijn. De poortwachter hoorde dit en meldde het den koning, en deze verbaasde zich en sprak tot hem: "en wie der Hellenen is de weldoener, wien ik dank schuldig ben, ik, die kort eerst het bestuur heb? Zoo goed als niemand toch van hen is nog tot ons gekomen, en ik heb om zoo te zeggen geen enkele schuld aan een helleensch man. Maar toch, brengt hem binnen, dat ik wete, wat hij bedoelt, zoo sprekende." De deurwachter bracht Syloson binnen, en daar hij voor den koning stond, vroegen hem de tolken, wie hij was en om welke daad hij des konings weldoener beweerde te zijn. Syloson dan verhaalde alles wat met den mantel was geschied, en dat hij zelf die gever was. Daarop antwoordde Darius: "o edelste aller mannen, gij zijt het die mij, bezitter nog van geen macht, beschonken hebt, indien ook met iets gerings; maar toch zal mijn dankbaarheid niet geringer wezen, dan als ik thans van iemand iets groots ontving; en daarvoor geef ik u onmeetlijk veel goud en zilver, opdat het u nimmer berouwe, Darius, den zoon van Hystaspes, wel gedaan te hebben." Syloson zegt daarop: "geef mij noch goud, o koning, noch zilver, doch red mijn vaderland Samos voor mij terug, en geef het mij, dat thans, nu mijn broeder Polycrates door Oroetas gedood is, in de macht is van onzen slaaf: geef mij dat, zonder moorden en slaven maken."

141. Darius dit hoorende zond een leger en als aanvoerder Otanes, een van de zeven mannen, en beval hem, wat Syloson verzocht, dat voor hem te volbrengen. En Otanes ging naar zee en bracht den tocht in gereedheid.

142. De macht over Samos had Maeandrius, de zoon van Maeandrius, die van Polycrates de heerschappij ter bewaking ontvangen had; en dezen, die de rechtvaardigste der mannen wilde zijn, viel dat niet ten deel. Want toen hem de dood van Polycrates was gemeld, deed hij het volgende. Eerst richtte hij een altaar op voor Zeus, den Bevrijder, en hij perkte daaromheen het heiligdom af, dat ook nu nog in de voorstad is; daarna, toen dit gereed was, riep hij een vergadering bijeen van alle burgers en zeide het volgende: "mij, zoals ook gij weet, zijn de scepter en de gansche macht van Polycrates toevertrouwd, en van mij nu is het om over u te heerschen. Doch wat ik in mijn naasten berisp, zal ik niet zelf doen als ik het laten kan. Want mij beviel Polycrates niet, heer zijnde over mannen hem zelven gelijk, noch een ander die zulke dingen doet. Polycrates nu heeft zijn noodlot vervuld, doch ik leg de heerschappij in uw midden neder en verkondig u gelijkheid voor allen. Zoveel echter meen ik als geschenk voor mij naar recht te verlangen, dat zes talenten, uit Polycrates' schat genomen, mij geworden, en daarbij kies ik voor mij zelven en mijn nakomelingen voor allen tijd het priesterschap van Zeus den Bevrijder: want voor hem heb ik zelf een tempel gebouwd en daarom dan ook geef ik u de vrijheid." Hij nu verkondigde dit den Samiërs, doch een van dezen stond op en zeide: "doch gij zijt niet waardig over ons te heerschen, gij die laaggeboren zijt en van geen nut; doch veeleer zorg, dat ge rekenschap geeft van de gelden, die gij bestuurd hebt."

143. Dit zeide hij, en hij was een aanzienlijk man onder de burgers, van naam Telesarchus. Doch Maeandrius, overwegende, dat als hij de heerschappij varen liet, een ander in plaats van hem zichzelf alleenheerscher zou maken, besloot haar geenszins te laten varen, maar toen hij naar den burcht was teruggekeerd, ontbood hij ieder afzonderlijk, alsof hij voornemens was rekenschap af te leggen van het geld, en greep hen en sloeg hen in boeien. Zij nu waren in boeien, doch Maeandrius overviel daarna een ziekte. En zijn broeder, wiens naam Lycaretes was, in de verwachting dat gene sterven zou, en opdat hijzelf dan gemaklijker de zaken in Samos zou bedwingen, doodde alle gevangenen; want, naar het schijnt, wilden de Samiërs niet vrij zijn.

144. Toen zij in Samos aankwamen, de Perzen die Syloson terugbrachten, verhief niemand een hand tegen hen, en de aanhangers van Maeandrius en Maeandrius zelf beweerden bereid te zijn een verdrag te sluiten en uit het eiland te wijken. Toen Otanes daaraan zijn goedkeuring had gegeven en het verdrag gesloten, lieten de aanzienlijkste Perzen zetels plaatsen tegenover den burcht en zetten zich daarop.

145. Maeandrius nu, de alleenheerscher, had een half waanzinnigen broeder, wiens naam Charilaüs was; deze had iets misdaan, en was in de onderaardsche gevangenis opgesloten, en toen hij dan het verhandelde vernam en door de gevangenis naar buiten keek, en hij de Perzen vreedzaam zag zitten, riep hij luid, bewerende, dat hij Maeandrius wilde spreken. En Maeandrius dit hoorende, beval genen los te maken en tot hem te brengen. Zoodra hij gebracht was, beschimpte en schold hij hem, en spoorde hem aan de Perzen aan te vallen, het volgende zeggende: "mij, o slechtste der mannen, mij, die uw broeder is en niets den kerker waardigs misdreven heeft, hebt ge geboeid en in een onderaardsch gat geworpen; doch de Perzen ziet ge uzelf verjagen en huisloos maken, en ge durft u niet te wreken, terwijl zij toch zoo licht te bedwingen zijn? Doch zoo ge hen vreest, geef mij de huurlingen, en ik zal hen straffen voor hun komst hierheen, en u zelf ben ik bereid uit het eiland te geleiden."

146. Zoo sprak Charilaüs. En Maeandrius nam den voorslag aan, niet naar ik geloof, wijl hij to zulk een onverstand was gekomen, van te meenen, dat zijn eigen macht die des konings zou kunnen overwinnen, doch eer uit afgunst op Syloson, dat deze zonder moeite de stad ongedeerd ontvangen zou. Hij wilde daarom de Perzen vertoornen en de samische zaken zoo zwak mogelijk maken en zóó ze overgeven, wel wetend, dat de Perzen, indien hun kwaad werd gedaan, verbitterd zouden zijn op de Samiërs, en hij wist ook, dat voor hem zelf een veilige uittocht uit het eiland was, wanneer hij wilde, want er was een verborgen gang gemaakt van den burcht naar de zee loopend. Maeandrius zelf dan voer weg uit Samos, en Charilaüs wapende alle huurlingen, en de poort openwerpend, stortte hij hen op de Perzen, die niets van dien aard verwachtten, meenende dat alles overeengekomen was. Doch de huurlingen vielen aan en doodden de zeteldragende en meest aanzienlijke Perzen. En dezen nu deden zóó, doch het overige perzische leger schoot te hulp; en de huurlingen geraakten in gevaar en werden weder opgesloten in den burcht.

147. Otanes de veldheer, ziende welk groot kwaad den Perzen was aangedaan, vergat de bevelen, die Darius hem bij zijn vertrek had opgedragen, om geen der Samiërs te dooden noch slaaf te maken, doch het eiland ongedeerd aan Syloson over te geven, - deze bevelen vergat hij opzettelijk, en beval aan het leger ieder, dien zij grijpen konden, èn man èn knaap gelijkelijk te dooden. Toen belegerde een deel van het leger den burcht, en de anderen doodden ieder dien zij vonden zonder onderscheid, zoowel in den tempel als buiten den tempel.

148. Maeandrius echter, uit Samos ontloopen, voer naar Lacedaemon; en daar gekomen bracht hij alles naar Sparta over, waarmede hij uitgeweken was, en deed het volgende. Telkens wanneer hij zijn zilveren en gouden bekers voor den dag had gehaald, liet hij zijn dienaren die reinigen, en hij zelf was gedurende dien tijd in gesprek met Cleomenes, den koning van Sparta, en leidde hem naar zijn huis. Wanneer nu Cleomenes de bekers zag, bewonderde hij ze en was verbaasd, en gene beval hem zoo veel er van weg te dragen, als hij wilde. En hoewel Maeandrius dit tweemaal en driemaal zeide, toonde Cleomenes zich als den rechtschapenste der mannen, daar hij het voor onrecht hield het aangebodene aan te nemen; en bemerkende, dat gene door aan andere burgers aanbiedingen te doen hulp tegen de Perzen zou vinden, ging hij tot de ephoren en zeide, dat het beter was voor Sparta, zoo de samische vreemdeling uit den Peloponnesus vertrok, opdat hij niet of hemzelf of een ander der Spartanen overreden zou slecht te worden. En zij luisterden naar hem en zeiden Maeandrius aan te vertrekken.

149. De Perzen echter hadden Samos als met een net leeggesleept en gaven het aan Syloson leeg van mensen; in later tijd evenwel trachtte de veldheer het zelf mede te bevolken, om een droomgezicht en om een ziekte, die hem aan de schaamdeelen was overkomen.

150. Toen de zeemacht naar Samos trok, waren de Babyloniërs opgestaan, en hadden zich zeer goed toegerust. Want in den tijd, dat de Magiërs heerschten en de zeven opstonden, in al dien tijd en die verwarring rustten zij zich toe voor het beleg, en op de een of andere wijze waren zij daarin onopgemerkt gebleven. Doch toen zij openlijk afvielen, deden zij het volgende. De moeders zonderden zij uit, en ieder koos uit zijn eigen huis één vrouw, die hij wilde: de overigen echter brachten zij allen bijeen en verstikten ze; die eene was door een ieder uitgekozen om zijn eten te bereiden; de anderen verstikten zij, opdat die niet hun levensmiddelen zouden opmaken.

151. Darius vernam dit en verzamelde zijn gansche macht en trok tegen hen op; en hij rukte naar Babylon en belegerde hen, die zich niets om het beleg bekommerden. Want de Babyloniërs klommen op de borstweringen van de muur, en dansten en bespotten Darius en zijn leger, en een van hen zeide het volgende woord: "wat zit gij daar, o Perzen, en gaat niet weg? Want dàn zult ge ons veroveren, als de muilezels werpen." Dit zeide een der Babyloniërs, geenszins verwachtend, dat ooit een muilezel baren zou.

152. Toen nu zeven maanden en een jaar reeds waren voorbijgegaan, werd Darius toornig en gansch zijn leger, daar het niet bij machte was de Babyloniërs te nemen. En toch had Darius alle listen en alle middelen tegen hen aangewend, doch ook zóó kon hij de stad niet nemen, hoewel hij andere listen beproefde, en zelfs ook die, waardoor Cyrus haar veroverd had, ook die beproefde hij. Doch de Babyloniërs waren vreeselijk op hun hoede, en hij was niet bij machte hen te veroveren.

153. Toen, in de twintigste maand, overkwam aan Zopyrus, zoon van Megabyzus, van een der zeven mannen die den Magiër hadden omvergeworpen, aan dezen Zopyrus, den zoon van Megabyzus, overkwam het volgende wonder: een van zijn voedseldragende muilezels wierp. Toen hem dit gemeld werd, en Zopyrus uit wantrouwen zelf het jong had gezien, verbood hij hun, die het gezien hadden, aan iemand het gebeurde te vertellen, en hij overlegde. En het scheen hem, dat volgens het woord van den Babyloniër, die in den aanvang gezegd had: dàn zou de vesting genomen worden, indien ooit de muilezels wierpen, - volgens deze uiting scheen aan Zopyrus Babylon neembaar te wezen. Want onder goddelijken invloed had gene gesproken, en bij hèm had de muilezel geworpen.

154. Toen hem nu de inneming van Babylon beschoren leek te zijn, ging hij tot Darius en vroeg dezen of hem er zeer veel aan gelegen was Babylon te nemen. En vernemende, dat gene het zeer verlangde, overwoog hij vervolgens, hoe hij zelf de veroveraar en de daad van hem zou zijn; want zeer worden bij de Perzen de groote verdiensten met verhooging van aanzien geëerd. En hij besloot, dat hij door geen andere daad in staat zou wezen de stad te bemachtigen, dan door zichzelf te verminken en tot genen over te loopen. Daarop telde hij dit niet en verminkte zichzelf met een onheelbare verminking. Want hij sneed zich de neus af en de ooren en hij schoor zich het haar rondom weg op smadelijke wijze en geeselde zich en ging tot Darius.

155. Doch Darius was zeer ontsteld, toen hij een hoog aanzienlijk man verminkt zag. En hij sprong van den zetel en riep luid en vroeg hem, wie hem verminkt had en om welke daad. Gene zeide: "niet leeft de man, buiten u, wien een zoo groote macht is, dat hij mij zóó zou behandelen; en geen vreemde dan ook heeft dat gedaan, o koning, doch ik zelf mij zelven, mij bedroevend, dat de Assyriërs de Perzen bespotten." De andere anywoordde: "o overmoedigste der mannen, aan de schandelijkste daad geeft gij den schoonsten naam, bewerende dat gij om de belegerden uzelf onheelbaar verminkt hebt. Hoe, o dwaas, zullen zich de vijanden om uw verminking spoediger overgeven? Hoe hebt ge niet in verdwazing van zinnen u zelven zoo bedorven?" Gene zeide: "indien ik u had toevertrouwd, wat ik zou doen, ge zoudt het mij niet veroorloofd hebben; daarom heb ik uit eigen besluit zoo gedaan. Want nu, indien er bij u niets ontbreekt, zullen wij Babylon nemen. Want ik, zoals ik ben, zal ik naar de muur overloopen en tot hen zeggen, dat ik van u dit ondervonden heb. En ik meen, indien ik hen overtuig dat het zoo is, de leiding van een leger te zullen krijgen. Doch gij, na den dag, dat ik in de stad gekomen ben, den tienden dag daarna, plaats duizend mannen van dat deel uws legers, welks verlies u onverschillig is, plaats dezen bij de dusgeheeten poort van Semiramis; daarna, op den zevenden dag na dien tienden, breng tweeduizend anderen bij de dusgeheten Ninische poorten; laat na dien zevenden twintig dagen vrij, en breng en plaats dan bij de dusgeheeten Chaldeeuwse poort, anderen, vierduizend in getal. En laten noch de eersten noch de lateren andere verweermiddelen hebben dan dolken; die kunt ge hun laten. Na den twintigsten dag, laat terstond het overige leger zich rondom op de stad werpen, doch de Perzen, plaats die mij bij de dus geheeten Belische en Cissische poorten. Want naar ik meen, als ik groote daden gedaan heb, zullen de Babyloniërs mij de andere zaken toevertrouwen en zelfs ook de sleutels der poorten. Dan echter, zal het mij en den Perzen ter harte gaan, wat wij doen moeten."

156. Dit droeg hij op en ging naar de poort, zich omwendend, als ware hij in werkelijkheid overlooper. En van de torens zagen zij hem, die daarvoor daar geplaatst waren, en zij liepen naar beneden, en den eenen poortvleugel een weinig openzettend, vroegen zij wie hij was, en waarvoor hij kwam. Hij zeide hun, dat hij Zopyrus was en tot hen overliep. De poortwachters, toen zij dat hoorden, brachten hem naar den raad der Babyloniërs. En toen hij daar stond, jammerde hij, zeggende door Darius geleden te hebben wat hij door zichzelf geleden had, en hij had dat geleden, wijl hij genen geraden had zijn leger terug te trekken, daar er geen middel was de stad te nemen. "En nu, ging hij voort, kom ik voor u, o Babyloniërs, als een zeer groot goed, doch voor Darius en zijn leger en de Perzen een groot kwaad; want niet voor niet zal hij mij zoo verminkt hebben; en ik ken alle slingerwegen van zijn plannen."

157. Zoveel zeide hij. En de Babyloniërs een bij de Perzen hoog aanzienlijk man beroofd ziende van neus en ooren, bevlekt met geeselslagen en bloed, geloofden geheel dat hij de waarheid sprak, en als helper tot hen kwam; en zij waren bereid hem toe te vertrouwen, wat hij vroeg, en hij vroeg een leger. Toen hij dit van hen gekregen had, deed hij wat hij met Darius had afgesproken. Want op den tienden dag voerde hij het leger der Babyloniërs naar buiten en sloot de duizend in, die hij aan Darius had opgedragen het eerst daar te plaatsen, en doodde dezen. En de Babyloniërs ziende, dat hij daden schonk aan zijn woorden gelijk, waren zeer verheugd en bereid hem in alles te volgen. Hij echter liet de afgesproken dagen vrij, en wederom voerde hij gekozenen der Babyloniërs naar buiten en doodde de tweeduizend van Darius' soldaten. En toen de Babyloniërs ook deze daad vernamen, hadden allen Zopyrus in den mind en prezen hem. En wederom liet hij de afgesproken dagen vrij en voerde genen uit naar de vooruit bepaalde plaats, en hij omsloot en doodde de vierduizend. Toen voorwaar was Zopyrus alles bij de Babyloniërs en hij werd door hen tot legerhoofd en muurbewaker aangesteld.

158. Doch toen Darius volgens de afspraak den aanval deed rondom de muur, toen dan openbaarde Zopyrus den geheelen aanslag. Want de Babyloniërs, op de muur geklommen, weerden den aanval van Darius' leger af, doch Zopyrus wierp de dusgeheeten Cissische en Belische poorten open en liet de Perzen in de stad. Die van de Babyloniërs, die het gebeurde zagen, dezen vluchtten naar den tempel van Zeus Belus; die het niet zagen, bleven ieder op hun plaats, totdat ook zij bemerkten verraden te zijn.

159. Babylon werd dan zoo ten tweeden male veroverd. En toen Darius de Babyloniërs bedwongen had, liet hij zoowel de muur omverhalen en alle poorten afbreken - want toen Cyrus Babylon vroeger nam, had hij geen van beide gedaan, - als ook liet Darius ongeveer drieduizend van de aanzienlijkste mannen spietsen; en aan de overige Babyloniërs gaf hij de stad weder om ze te bewonen. Opdat de Babyloniërs vrouwen zouden hebben, en nakomelingen krijgen, daarvoor zorgde Darius met de volgende daad; want hun eigene, zoals in den aanvang is aangegeven, hadden de Babyloniërs verstikt uit zorg voor hun levensmiddelen. Hij beval aan de omwonende volkeren vrouwen naar Babylon te zenden, aan een ieder opdragende hoeveel, zoodat het gansche aantal van vijf tienduizenden vrouwen bijeenkwam; van die vrouwen stammen de huidige Babyloniërs af.

160. Niemand der Perzen, naar Darius' meening, heeft Zopyrus in een groote daad overtroffen, noch van de lateren, noch van de vroegeren, behalve Cyrus alleen: want met dezen waagde geen der Perzen ooit zichzelven te vergelijken. En dikwijls heeft Darius, naar men zegt, deze meening uitgesproken, dat hij liever Zopyrus geheeld van zijn verminking wilde hebben, dan dat twintig Babylons bij het eene hem gewerden. Hij eerde hem grootelijks, en ieder jaar gaf hij hem geschenken, die bij de Perzen het meest geëerd zijn, en hij gaf hem Babylon zonder schatting te besturen tot aan zijn dood. Van dezen Zopyrus stamt Megabyzus, die in Egypte tegen de Atheners en hun bondgenooten streed; en van dien Megabyzus stamt Zopyrus, die uit Perzië naar Athene overliep.