Het verslag van mijn onderzoek/Boek VI

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Crystal txt.png   Nog te hertalen
Deze tekst is (gedeeltelijk) een verouderde Nederlandse vertaling. Ze moet hertaald, of indien mogelijk zelfs opnieuw vertaald worden.

Boek VI: Erato[bewerken]

1. Aristagoras dan, nadat hij Ionië tot afval had gebracht, stierf zoo. Doch Histiaeus, de alleenheerscher van Miletus, door Darius vrijgelaten, kwam in Sardes. En toen hij uit Susa was aangekomen, vroeg Artaphrenes, de onderkoning van Sardes, waarom hij wel meende, dat Ionië was opgestaan. En gene beweerde er niets van te weten en hij verbaasde zich over wat geschied was, zich houdend als ware hij onbekend met den toestand der zaken, doch Artaphrenes zag, dat hij veinsde, en daar hij de ware oorzaak van den opstand kende, sprak hij: "zoo dan, Histiaeus, is het met die zaak: deze schoen, gij naaidet hem, en Aristagoras trok hem aan."

2. Dit nu zeide Artaphrenes over den opstand. Doch Histiaeus, uit vrees voor Artaphrenes, daar hij het begreep, vluchtte in den eerstgekomen nacht naar de zee, koning Darius bedriegend; daar hij toch beloofd had Sardo, het grootste eiland, te onderwerpen, en nu de leiding der Ioniërs voor den oorlog tegen Darius op zich nam. Naar Chius overgevaren, werd hij door de Chiërs gegrepen: zij verdachten hem, dat hij op bevel van Darius hun rampen kwam aandoen. Doch toen de Chiërs de gansche zaak vernamen, dat hij den koning vijandig was, lieten zij hem los.

3. En Histiaeus, toen door de Ioniërs gevraagd, waarom hij Aristagoras met zooveel ijver opgedragen had van den koning af te vallen en den Ioniërs zooveel kwaad had aangedaan, openbaarde hun de werkelijke reden geenszins, doch zei hun, dat koning Darius voornemens was de Pheniciërs te verdrijven en naar Ionië te verplaatsen, en de Ioniërs naar Phenicië; en daarom had hij die boodschap gestuurd. En terwijl de koning geheel niets daarvan bedoeld had, maakte hij de Ioniërs bang.

4. Daarna zond Histiaeus, door middel van een bode, Hermippus, een man uit Atarneus, brieven aan de Perzen in Sardes, die vroeger reeds met hem over opstand gesproken hadden. Doch Hermippus gaf ze niet aan hen, tot wie hij gezonden werd, doch bracht en overhandigde de brieven aan Artaphrenes. En deze leerde al het gebeurde, en beval Hermippus de brieven van Histiaeus te gaan brengen, aan wie hij ze brengen moest, doch de antwoorden, door de Perzen aan Histiaeus teruggezonden, die aan hem te geven. En toen zij zoo ontdekt waren, doodde Artaphrenes vele der Perzen.

V[bewerken]

1. In Sardes dan ontstond onrust. En Histiaeus, bedrogen in die verwachting, werd door de Chiërs naar Milete teruggebracht, terwijl Histiaeus zelf het verzocht. Doch de Milesiërs, reeds met vreugde van Aristagoras bevrijd, waren geenszins bereid een andere alleenheerser in hun land te ontvangen, daar zij toch van de vrijheid hadden geproefd. En toen Histiaeus nu in de nacht met geweld in Milete trachtte terug te keren, werd hij door een van de Milesiërs in de heup gewond. Hij dan zo uit zijn eigen land verstoten, kwam naar Chios terug, en vandaar, want hij overreedde de Chiërs niet hem schepen te geven, voer hij naar Mytilene en overreedde de Lesbiërs hem schepen te geven. En deze bemanden acht triremen en voeren met Histiaeus naar Byzantium, en daar vestigden zij zich en namen de schepen, die uit de Pontus voeren, behalve zoveel van hen zeiden aan Histiaeus te willen gehoorzamen.

6. Histiaeus en de Mytilenaeërs deden dit. Doch tegen Miletus zelf was een groot leger van voetvolk en schepen in aantocht. Want de veldheeren der Perzen hadden hun troepen vereenigd en één leger gemaakt en trokken tegen Miletus op, terwijl zij de andere steden van minder belang achtten. Van het vlootvolk waren de Pheniciërs de ijverigsten, en ook de Cypriërs, pas onderworpen, trokken mede en de Ciliciërs en de Egyptenaars.

7. Dezen nu trokken op tegen Miletus en het overige Ionië. En de Ioniërs dit vernemende zonden hun afgevaardigden naar het Panionion. En op die plaats gekomen beraadslaagden zij, en besloten geen landleger tegen de Perzen te verzamelen, doch de Milesiërs zelf zouden hun muren verdedigen, en de Ioniërs de vloot bemannen en geen schip weglaten, en na de bemanning zouden zij ten spoedigste zich bij Lade vereenigen om voor Miletus ter zee te strijden. Lade is een klein eiland bij de stad der Milesiërs gelegen.

8. Daarna kwamen de Ioniërs met de bemande schepen, en met hen ook al de Aeoliërs, die Lesbos bewonen. En zij schaarden zich zóó. Den vleugel naar den dageraad hielden de Milesiërs zelf, en brachten tachtig schepen aan; naast hen de Priëniërs met twaalf schepen en de Myesiërs met drie schepen; naast de Myesiërs waren de Teiërs met zeventien schepen; naast de Teiërs de Chiërs met honderd schepen; naast dezen waren de Erythraeërs geschaard en de Phocaeërs; de Erythraeërs brachten acht schepen aan, de Phocaeërs drie; naast de Phocaeërs waren de Lesbiërs met zeventig schepen, en het laatst waren de Samiërs geplaatst, aan den vleugel naar den avond, met zestig schepen. Het geheele aantal van al dezen was drie en vijftig en driehonderd triremen.

9. Dezen waren de schepen der Ioniërs, doch het aantal schepen der barbaren was zeshonderd. Toen ook dezen naar Milesië waren gekomen en ook het geheele landleger ter plaatse was, toen, daar de aanvoerders der Perzen het aantal schepen van de Ioniërs vernomen hadden, vreesden zij, dat zij niet bij machte zouden zijn genen te overwinnen, en zoo Miletus niet konden nemen, als zij ter zee niet meester waren, doch gevaar zouden loopen van Darius straf te krijgen. Dit overlegden zij, en zij riepen de alleenheerschers van de Ioniërs bijeen, die door Aristagoras den Milesiër uit hun heerschappij verjaagd en naar de Perzen gevlucht waren en toen mede tegen Miletus optrokken, - zij riepen dan de aanwezigen van dezen bijeen en zeiden hun het volgende: "mannen Ioniërs, laat nu ieder van u zich een weldoener van het huis des konings betoonen; want laat nu ieder uwer trachten zijn eigen burgers van het overige bondgenootschap los te maken. Raadt hen dien afval aan en verkondigt hun dit, dat zij dan om hun opstand niets hards zullen lijden, noch zullen noch hun tempels, noch hun eigen goederen verbrand worden, noch zullen zij het eenigszins zwaarder hebben, dan zij te voren het hadden. Doch zoo zij dat niet zullen doen, maar bepaald den strijd willen wagen, zegt hun dan deze bedreiging, wat hen werkelijk treffen zal, dat zij, overwonnen in den strijd, slaven zullen worden gemaakt, en dan wij hun zonen ontmannen, en hun jonkvrouwen naar Bactra voeren en hun land aan anderen geven zullen."

10. Zij nu zeiden dit, doch de heerschers der Ioniërs zonden in den nacht ieder boden naar zijn eigen medeburgers. Doch de Ioniërs, tot wie de boodschappen werkelijk kwamen, waren hoofdig en kwamen niet tot de overgave, en ieder meende, dat tot hem alleen deze boodschap van de Perzen kwam.

11. Dit nu geschiedde zoodra de Perzen bij Miletus gekomen waren. Daarna, terwijl de Ioniërs bij Lade vereenigd waren, hielden zij vergaderingen, en ook menig ander sprak onder hen, en daaronder dan ook de Phocaesche aanvoerder Dionysius, dit zeggende: "op het scherp van 't mes staan onze zaken, mannen Ioniërs, of wij vrij zullen zijn of slaven, en wel weggeloopen slaven. Nu dan, als gij lasten verdragen wilt, zult ge eerst wel moeiten hebben, doch ge zult bij machte wezen de vijanden te overwinnen en vrij te zijn. Doch handelt gij in weekheid en wanorde, dan heb ik geen enkele hoop, dat gij den koning niet voor den opstand boeten zult. Doch luistert naar mij en vertrouwt u aan mij toe, en ik beloof u, als de goden geven wat billijk is, òf dat de vijanden niet met ons vechten zullen, òf in dit gevecht zéér overwonnen worden."

12. De Ioniërs hoorden dit en vertrouwden zich aan Dionysius toe. En hij liet, om de roeiers te oefenen de schepen in lange rijen varen, en dan de schepen door elkanders rijen heen breken en hij hield de bemanning onder de wapenen, en legde de schepen voor het overige van den dag voor anker, en verschafte den Ioniërs moeite den ganschen dag door. Zeven dagen lang nu gehoorzaamden de Ioniërs en deden het bevolene; op den daarop volgenden zeiden de Ioniërs, daar zij, zulke inspanning niet gewoon, verteerd waren door vermoeienis en zon, het volgende tot elkander: "tegen wien der goden misdreven wij, dat wij zoo veel lijden? Wij zijn toch verdwaasd en van zinnen geraakt, dat wij ons toevertrouwd hebben aan een pralenden Phocaeër, die slechts drie schepen bracht. En hij, nu hij ons heeft, kwelt ons met ondraaglijke kwelling, en velen van ons vielen reeds in ziekten, en velen kunnen verwachten hetzelfde te zullen lijden; in plaats van die rampen is het voordeeliger voor ons om wat ook anders te lijden en de komende slavernij te verdragen, hoe die zijn mag, liever dan in de tegenwoordige te blijven. Welaan, laat ons voortaan hem niet meer gehoorzamen." Dit zeiden zij, en terstond daarna wilde niemand gehoorzamen, doch alsof zij een leger waren, sloegen zij tenten op het eiland op en lagen in den schaduw en wilden niet weder in de schepen stijgen, noch zich oefenen.

13. Toen de aanvoerders der Samiërs dit bij de Ioniërs zagen gebeuren, toen namen zij den voorslag aan van Aeaces, Syloson's zoon, welken deze hun vroeger gedaan had, op bevel van de Perzen, hen verzoekend het bondgenootschap der Ioniërs te verlaten, - toen dan de Samiërs zagen, dat er groote wanorde was bij de Ioniërs namen zij den voorslag aan, en tevens docht het hun onmogelijk de macht des konings te overwinnen: want wel wisten zij, dat als zij ook deze vloot overwonnen, een andere vijfmaal grootere vóór hen zou zijn. Zij grepen dus dit voorwendsel aan, zoodra zij zagen, dat de Ioniërs niet ordelijk wilden wezen, en beschouwden het als hun voordeel om hun tempels en eigen goederen te redden. Aeaces, van wie de Samiërs den voorslag aannamen, was de zoon van Syloson, Aeaces' zoon, en alleenheerscher van Samos zijnde, was hij door Aristagoras, den Milesiër, van de heerschappij beroofd, evenals de andere alleenheerschers van Ionië.

14. Nu dan, toen de Pheniciërs aanvoeren, leidden de Ioniërs ook zelven hun schpen in lange rijen tegen hen. En toen zij bij elkander kwamen en in den strijd geraakten, verderop kan ik niet nauwkeurig beschrijven, wie der Ioniërs laffe of dappere mannen waren in dien zeeslag; want zij beschuldigen elkander. De Samiërs, zegt men echter, spanden de zeilen, volgens de afspraak met Aeaces, en zeilden uit de slagorde naar Samos, behalve elf schepen; van deze bleven de bevelhebbers en streden mede, niet gehoorzamend aan de aanvoerders. En om die daad gaf hun de staat der Samiërs, dat zij hun namen met hun vadersnamen op een zuil lieten schrijven, daar zij dappere mannen geweest waren, en deze zuil is op de markt. En de Lesbiërs, toen zij hun buren vluchten zagen, deden hetzelfde als de Samiërs, en evenzoo deden ook de meesten der Ioniërs hetzelfde.

15. Van hen, die in den slag volhielden, werden de Chiërs het ruwst aangetast, daar zij luisterrijke daden verrichten en niet laf waren. Want zij hadden, zooals ook vroeger gezegd werd, honderd schepen verschaft, en op ieder daarvan veertig uitgekozen burgers als zeesoldaten; ziende nu, dat de meesten der verbondenen hen verrieden, wilden zij niet aan deze lafaards gelijk zijn, doch alleen gelaten met weinige helpers streden zij en braken voortdurend door de vijandelijke slagorde, totdat zij vele schepen der vijanden genomen doch de meesten van hun eigene verloren hadden.

16. De Chiërs dan vluchtten met hun overgebleven schepen naar hun land, doch zoovelen der Chiërs schepen hadden, door de beschadiging daartoe niet in staat, dezen namen, toen zij vervolgd werden, de vlucht naar Mycale. Daar deden zij hun schepen stranden en lieten ze achter, zelf echter trokken zij te voet door het vaste land. Doch toen de Chiërs in Ephesië gerukt waren, - des nachts toch kwamen zij daar en de vrouwen vierden er de Thesmophoriën -, toen dan kwamen de Ephesiërs, niet vernomen hebbend, hoe het was met de Chiërs, doch daar zij een leger in het land zagen vallen, en hen met zekerheid voor roovers hielden en dat zij ook de vrouwen zouden aanvallen, toen kwamen de Ephesiërs, al het volk, toeschieten en doodden de Chiërs.

XVII[bewerken]

Deze dan vielen door zulke ongevallen. Doch Dionysius, de Phocaeër, toen hij de zaak van de Ioniërs verloren zag, en hij drie schepen van de vijanden had veroverd, toen voer hij niet mee naar Phocaea terug, wel wetend, dat dit met het overige Ionië in slavernij zou geraken; doch terstond, zoals hij was, zeilde hij naar Phoenicië, boorde daar vrachtschepen in de grond, nam veel geld en zeilde naar Sicilië, en van daaruit trok en leefde hij als zeeroover, vijand voor geen van de Hellenen evenwel, doch voor de Carthagers en de Tyrrheniërs.

18. De Perzen, toen zij de Ioniërs in den zeeslag overwonnen hadden, belegerden Miletus te land en te zee, en ondergroeven de muren en gebruikten allerlei werktuigen, en veroverden het gansch en al in het zesde jaar na den opstand van Aristagoras en zij maakten de inwoners tot slaven, zoodat de ramp overeen kwam met de orakelspreuk voor Miletus gegeven.

19. Want toen de Argiven in Delphi den god vroegen over het behoud van hun eigen stad, werd een gemeenschappelijk orakel gegeven, deels op de Argiven zelf gericht, doch het sprak een toevoegsel voor de Milesiërs. Wat nu op de Argiven sloeg, wanneer ik in mijn verhaal daarbij gekomen ben, dan zal ik dat vermelden; doch wat de god aan de afwezige Milesiërs voorzegde, is als volgt:

Dan zult gij ook, Miletus, verzinner van heillooze daden, Velen een feestmaal zijn en dienen als kostlijke gave. Wasschen zullen uw vrouwen veel voeten van baardige mannen, Doch te Didymoe vindt onze tempel wel andre verzorgers.

Toen dan overkwam dat den Milesiërs, toen de meeste mannen door de baardige Perzen gedood werden, doch de vrouwen en kindenen in slavernij kwamen, en het heiligdom in Didymoe met tempel en orakel geplunderd en verbrand werd. Van de schatten in dat heiligdom heb ik dikwijls elders in mijn verhaal melding gemaakt.

20. De levend gevangenen der Milesiërs werden vervolgens naar Susa gebracht. En koning Darius deed hen geen ander kwaad, doch liet hen wonen bij de dus geheeten Roode Zee, in de stad Ampe, langs welke de rivier de Tigris stroomt en dan in zee valt. Van het Milesische land behielden de Perzen zelf, wat om de stad ligt en de vlakte, doch de bergachtige streken gaven zij aan de Cariërs uit Pedasa in bezit.

21. Toen de Milesiërs dit van de Perzen geleden hadden, vergolden niet gelijk met gelijk de Sybariten, die, van hun stad beroofd, Laüs en Scidius bewoonden. Want na de verovering van Sybaris door de Crotoniaten, schoren de Milesiërs, het gansche volk, zich het hoofd kaal en bedreven grooten rouw, want deze steden waren het meest van die wij kennen, door gastvriendschap met elkander verbonden. Doch gansch anders de Atheners. Want de Atheners deden blijken, hoezeer zij zich over de inname van Miletus bedroefden èn op vele andere wijzen èn ook toen Phrynichus het drama "Miletus veroverd" dichtte en vertoonde, vielen de toeschouwers in tranen en zij beboetten hem, daar hij eigen volksrampen had opgehaald, met duizend drachmen, en zij bevalen, dat niemand ooit dat drama meer opvoeren zou.

XXII[bewerken]

Milete was nu ontdaan van de Milesiërs. Doch zij van de Samiërs, die enig vermogen bezaten, beviel het geenszins, wat door hun aanvoerders voor de Meden was gedaan, doch terstond na de zeeslag beraadslaagden zij, en zij besloten, vóór de heerser Aeaces in het land was gekomen, op een volkplanting uit te varen en niet te blijven en slaaf te zijn van de Meden en Aeces. Want de Zangclaeërs, die in Sicilië, zonden in diezelfde tijd boden naar Ionië en nodigden de Ioniërs uit naar Cale Acte, waar zij een stad van Ioniërs wilden stichten. Dit dusgeheten Cale Acte is van de Siciliërs op het naar Tyrrhenië gewende deel van Sicilië. Op deze uitnodiging nu trokken onder de Ioniërs alleen de Samiërs weg en met hen de ontkomenen van de Milesiërs; waarbij het volgende geschiede.

23. De Samiërs toch kwamen op hun tocht naar Sicilië bij de Epizephyrische Locriërs, en de Zangclaeërs zelf en hun koning, die Scythes heette, belegerden een stad der Siciliërs en wilden die veroveren. Dit vernam Anaxilaüs, alleenheerscher van Rhegium, toen in vijandschap met de Zangclaeërs, en hij trad in overleg met de Samiërs, en overreedde hen, dat het nuttig was, Cale Acte, waarheen zij zeilden, te laten rusten, doch Zangcle, leeg van mannen, te bezetten. De Samiërs volgden dezen raad en bezetten Zangcle, doch toen de Zangclaeërs vernamen, dat hun stad bezet was, toen schoten zij haar te hulp en riepen Hippocrates, den alleenheerscher van Gela in, want deze was hun bondgenoot. Maar toen Hippocrates hun met een leger te hulp kwam, nam hij Scythes, den alleenheerscher van de Zangclaeërs, daar hij het verlies van de stad veroorzaakt had, gevangen, ook zijn broeder Pythogenes, en zond hen naar de stad Inyx, en de overige Zangclaeërs, in gemeen overleg met de Samiërs, en eeden gegeven en ontvangen hebbend, gaf hij prijs. Dit loon was hem door de Samiërs toegezegd, dat hij van alle have en slaven in de stad de helft zou ontvangen, en wat op de akkers was zou Hippocrates alles krijgen. De meesten der Zangclaeërs hield hij zelf als slaven gevangen, doch de voornaamsten van hen, driehonderd, gaf hij aan de Samiërs om te dooden; niet echter deden de Samiërs dat.

24. Scythes, de alleenheerscher der Zangclaeërs, vluchtte uit Inyx naar Himera, van daar kwam hij naar Azië en trok naar koning Darius, en Darius achtte hem van alle mannen den rechtvaardigste, van zoovelen uit Hellas tot hem gekomen waren, want toch hij verzocht het den koning en ging weder naar Sicilië en uit Sicilië weder terug naar den koning, tot hij van ouderdom, in groot geluk, onder de Perzen stierf. De Samiërs dan, van de Meden bevrijd, hadden zonder moeite de zeer schoone stad Zangcle veroverd.

25. Na den zeeslag voor Miletus brachten de Pheniciërs op bevel van de Perzen Aeaces, zoon van Syloson, naar Samos terug, daar hij hun van veel nut was geweest en groote diensten bewezen had. En bij de Samiërs alleen van de tegen Darius opgestanen, werd, om het weggaan van hun schepen in den zeeslag, noch de stad verbrand noch de heiligdommen. Na de inneming van Miletus bezetten de Perzen terstond Carië, terwijl de steden deels vrijwillig bogen, deels met geweld gedwongen werden.

XXVI[bewerken]

1. Deze dingen dan geschiedden zo. En Histiaeus van Milete, die bij Byzantium was en de lastschepen van de Ioniërs bij hun vaart uit de Pontus wegnam, ontving bericht over wat bij Milete was voorgevallen. De zaken van de Hellespont nu vertrouwde hij toe aan Bisaltes, de zoon van Apollophanes uit Abydos, doch zelf voer hij met de Lesbiërs naar Chios, en toen de wacht van de Chiërs hem niet toeliet, viel hij in het dusgeheten Coeloe van het Chiïsche land op hen aan en doodde velen van hen, en de overige Chiërs, daar zij toch waren geknakt door de zeeslag, overmeesterde hij met de Lesbiërs, uit het Chiïsche Polichne aanrukkend.

27. En de god pleegt wel voorteekens te geven, als groote rampen een volk of een staat zullen overkomen; want den Chiërs toch waren daarvóór groote teekenen geworden. Want eerst, toen zij naar Delphi een koor van honderd jongelingen gezonden hadden, keerden twee slechts daarvan terug, doch de andere acht en negentig greep de pest en rukte hen weg. En ten tweede, in de stad, op dien zelfden tijd, kort vóór den zeeslag, terwijl de knapen lezen leerden, viel het dak op hen in, zoodat van de honderd en twintig knapen één slechts ontkwam. Deze voorteekenen had de god hun getoond, en daarna greep hen de zeeslag en wierp de stad op de knie, en bij den zeeslag kwam Histiaeus nog met de Lesbiërs; daar nu de Chiërs zooveel geleden hadden, onderwierp hij hen gemaklijk.

28. Van daar trok Histiaeus tegen Thasus op, met velen der Ioniërs en Aeoliërs. En toen hij voor Thasus lag, kreeg hij bericht, dat de Pheniciërs van Miletus naar het overige Ionië voeren. Dit vernemend liet hij Thasus onverwoest, en rukte zelf met al zijn leger naar Lesbus. Van Lesbus, daar zijn leger gebrek leed, trok hij over naar den overkant, om uit Atarneus de vrucht in te oogsten, zoowel daaruit als uit de Caïcische vlakte bij de Mysiërs. In die streken bevond zich toen Harpagus, een Pers, als veldheer van een niet gering leger, en deze trof met hem samen, toen hij ontscheept was, en greep Histiaeus zelf levend en vernietigde zijn leger grootendeels.

29. Op de volgende wijze werd Histiaeus levend gevangen. Toen de Hellenen de Perzen bestreden te Malene in het Artarneïsche gebied, weerstonden de eersten lang in den strijd, doch later rukte de ruiterij aan en viel de Hellenen aan. De roem kwam dus aan de ruiterij, en toen de Hellenen vluchtten, verwachtte Histiaeus, dat hij om zijn tegenwoordig misdrijf niet door den koning zou gedood worden, en beging de volgende lafheid: toen hij op de vlucht door een Pers werd ingehaald, en ingehaald, door hem doorboord zou worden, riep hij in de Perzische taal en gaf te kennen, dat hij Histiaeus de Milesiër was.

30. Zoo hij nu, na zijn gevangenneming, terstond naar koning Darius was gevoerd, zou hij gansch geen kwaad ondervonden hebben, naar mij schijnt, en de koning zou hem de schuld vergeven hebben; doch nu, juist daarom, en opdat hij niet ontkomen zou en wederom groot worden bij den koning, lieten Arthaphrenes, de onderkoning van Sardes, en Harpagus, die hem gevangen had, toen hij naar Sardes was gebracht, toen lieten zij zijn lichaam daar kruisigen, zijn hoofd echter balsemden zij en brachten het naar koning Darius in Susa. En toen Darius dit vernam, beschuldigde hij de daders er van, dat zij genen niet levend voor zijn aangezicht hadden gebracht, en beval hen het hoofd van Histiaeus te wasschen en goed te verzorgen en te begraven, als van een man, een grooten weldoener van hemzelven en van de Perzen.

31. Zoo dan ging het met Histiaeus. De vloot der Perzen overwinterde bij Miletus, en toen zij in het tweede jaar wegzeilde, nam zij zonder moeite de eilanden bij het vaste land gelegen, Chius en Lesbus en Tenedus. Als zij een der eilanden nam, telkens één tegelijk, zeegden de barbaren de menschen weg. Zij zegen op de volgende wijze. De eene man gaf den ander de hand en zoo maakten zij een rij van de noordelijke zee naar de zuidelijke, en daarna trokken zij het gansche eiland door, de menschen opjagend. Zij veroverden ook de andere steden van Ionië op het vaste land even gemakkelijk, alleen zeegden zij de menschen niet, want dat was niet mogelijk.

32. En toen vergaten de Perzen de bedreigingen niet, die zij gedreigd hadden aan de tegen hen optrekkende Ioniërs. Want toen zij de steden veroverd hadden, kozen zij de schoonste knapen en besneden die en maakten hen van manlijk tot ontmanden, en de schoonste jonkvrouwen sleepten zij naar den koning. Dit deden zij en zij verbrandden de steden met de tempels; en zoo werden de Ioniërs ten derde maal tot slavernij gebracht eerst door de Lydiërs en tweemaal achtereen toen door de Perzen.

XXXIII[bewerken]

1. De vloot van Ionië weggegaan veroverde alles aan de linkerhand bij het invaren van de Hellespont. Want wat aan de rechterhand ligt, was reeds door de Perzen op het vaste land onderworpen. In Europa behoort het volgende tot de Hellespont: de Chersonesus, waarin vele steden liggen, en Perinthus en de versterkte plaatsen op de Thracische kust en Selymbria en Byzantium. De Byzantiërs nu en de Chalcedoniërs aan de overkant wachtten de aanvarende Feniciërs niet eenmaal af, doch verlieten hun land en gingen verder in naar de Zwarte Zee en daar lieten zij zich neer in de stad Mesambria. De Feniciërs verbrandden die genoemde plaatsen en begaven zich naar Proconnesus en Artace, die zij eveneens in brand staken, en zij voeren terug naar den Chersonesus om de overige steden weg te nemen, die zij bij hun eerste komst niet hadden verwoest. Tegen Cyzicus trokken zij in 't geheel niet. Want de Cyzicenen waren reeds vóór die tocht van de Feniciërs de koning onderdanig geworden, volgens een overeenkomst met Oebares, Megabazes' zoon, de onderkoning in Dascyleüm.

XXXIV[bewerken]

Van de Chersonesus onderwierpen de Phoenciërs, behalve de stad Cardia, alle andere steden. Over hen was tot die tijd Miltiades heerser, de zoon van Cimon, Stesagoras' zoon, terwijl vroeger Miltiades, de zoon van Cypselus, die heerschappij op de volgende wijze verworven had. Thracische Dolonken bewoonden die Chersonesus. Deze Dolonken nu in de oorlog gedrukt door de Apsinthiërs, zonden hun koningen naar Delphi om het orakel over de oorlog te raadplegen. De Pythia antwoordde hun, als hoofd van een volkplanting hèm tot zich te voeren, die hen bij hun komst uit het heiligdom het eerst tot gastvriendschap noodde. De Dolonken nu gingen de heiligen weg door Phocis en Boeotië, en toen niemand hen nodigde, begaven zij zich naar Athene.

35. In Athene had toen Pisistratus alle macht, doch ook Miltiades, Cypselus' zoon, was machtig, uit een vierspanhoudend huis, oorspronkelijk van Aeacus en Aegina stammend, en kort eerst Athener, daar Philaüs, de zoon van Aias, het eerst van dat huis Athener was geworden. Deze Miltiades in den voorhof van zijn huis gezeten, zag de Dolonken voorbijgaan, met een niet inlandsche kleeding en met lansen, en hij riep hen toe, en toen zij tot hem kwamen, bood hij hun onderkomen en gastvriendschap aan. Zij namen het aan, en door hem onthaald, openbaarden zij hem het orakel, en na die verklaring verzochten zij hem naar den god te luisteren. En Miltiades, dit hoorend, werd terstond door de zaak overreed, daar hij aan het bestuur van Pisistratus gehaat was en hem uit den weg wilde gaan. Hij reisde terstond naar Delphi om het orakel te vragen of hij doen zou wat de Dolonken hem verzochten.

XXXVI[bewerken]

Als nu de Pythia hem ook aanspoorde, toen dan nam Militades, Cypselus' zoon, die vóór deze gebeurtenis de Olympische prijs met een vierspan gewonnen had, toen nam hij alle Atheners mee, die aan de tocht mee wilden doen en voer met de Dolonken en bezette het land, en die hem daarheen geroepen hadden, maakten hem alleenheerser. Eerst nu muurde hij de landengte van de Chersonesus af, van de stad Cardia tot Pactye, opdat de Apsinthiërs niet in het land zouden kunnen vallen en hem schade aandoen. De stadiën van die landengte zijn zes en dertig in getal; en van die engte is geheel de Chersonesus naar binnen in lengte vierhonderd en twintig stadiën.

37. Toen Miltiades aldus den nek van den Chersonesus had afgemuurd, en de Apsinthiërs op zulk een wijze verdreven, beoorloogde hij van de overigen de Lampsaceners het eerst; en de Lampsaceners legden hem een hinderlaag en grepen hem levend. Miltiades nu was met Cresus, den Lydiër bekend geworden, en Cresus daarom, dat vernemende, zond en zeide den Lampsaceners aan om Miltiades vrij te laten; zoo niet, dan zou hij hen verdelgen als een pijnboom. Toen de Lampsaceners in hun besprekingen heen en weer gingen, wat dat woord zijn wilde, waarmede Cresus hen gedreigd had, dat hij hen als een pijnboom verdelgen zou, begreep met moeite eindelijk een der ouderen het en zeide, zooals het ook was, dat de pijnboom de eenige onder alle boomen is, die na het omhakken geen spruit meer geeft, doch geheel en al omkomt. En de Lampsaceners nu, uit vreeze voor Cresus, maakten Miltiades vrij en lieten hem gaan.

38. Deze ontkwam dus door Cresus, doch daarna sterft hij zonder zoon, terwijl hij zijn regeering en het geld overliet aan Stesagoras den zoon van Cimon, welke laatste zijn broeder was uit de zelfde moeder. En na zijn dood brengen de Chersonesers hem offers, zooals zede is aan een stichter te offeren, en zij houden wedkampen met paarden en lichaamsspelen, waarbij het geen enkelen Lampsacener veroorloofd is mede te dingen. Terwijl er echter oorlog was tegen de Lampsaceners, overkwam het ook Stesagoras kinderloos te sterven, het hoofd met een bijl geslagen in het raadhuis door een man, in voorgeven een overlooper, in werkelijkheid een vijand en een weinig te driftig.

39. Toen ook Stesagoras op deze wijze gestorven was, toen werd Miltiades, de zoon van Cimon en broeder van den gestorvenen Stesagoras, om de regeering over te nemen, met een trireem door de Pisistratiden naar den Chersonesus gezonden; deze hadden hem ook in Athene wel gedaan, als wisten zij werkelijk niets over den dood van zijn vader Cimon, dien ik in een ander verhaal zal aangeven, hoe hij gebeurde. En Miltiades in den Chersonesus gekomen, hield zich te huis, oogenschijnlijk om zijn broeder Stesagoras eer te bewijzen. En toen de Chersonesers dit vernamen, kwamen de machtigsten uit alle steden van alle zijden, en in een gemeenschaplijken tocht gekomen om met hem te treuren, werden zij door hem gevangen genomen. Miltiades kwam dan in bezit van den Chersonesus en onderhield vijf honderd huursoldaten, en huwde Hegesipyle, de dochter van den Thracischen koning Olorus.

40. Deze Miltiades, zoon van Cimon, was kort eerst in den Cersonesus terug gekomen en bij zijn terugkomst overvielen hem andere moeielijkheden, zwaarder dan die hem vroeger overvallen waren. Want in het derde jaar te voren had hij de Scythen ontvlucht; want de zwervende Scythen, door koning Darius vertoornd, hadden zich vereenigd en waren tot aan dien Chersonesus getrokken. Toen zij aankwamen, wachtte Miltiades hen niet af, doch vluchtte uit den Chersonesus, totdat de Scythen waren weggegaan en de Dolonken hem terugbrachten. Dat gebeurde in het derde jaar vóór wat nu hem overviel.

41. Want thans, vernemende dat de Pheniciërs in Tendus waren, vulde hij vijf triremen met zijn schatten zooveel hij maar kon, en voer naar Athene. En toen hij uit de stad Cardia uitzeilde, voer hij door den golf Melas en ging den Chersonesus om en de Phoeniciërs vielen in zijn schepen. Miltiades zelf nu ontkwam met vier van zijn schepen naar Imbrus, doch het vijfde der schepen namen de Phoeniciërs op hun vervolging. Van dat schip geviel de oudste zoon van Miltiades, Metiochus, aanvoerder te zijn, een zoon, niet uit de dochter van Olorus, den Thraciër, doch uit een andere. En deze namen de Phoeniciërs met het schip en vernemende, dat hij de zoon van Miltiades was, brachten zij hem naar den koning, in de meening grooten dank te zullen verwerven, daar toch Miltiades onder de Ioniërs de meening had uitgeproken, hen radend de Scythen te gehoorzamen, toen de Scythen hen verzochten de brug af te breken en naar huis te varen. Doch Darius, toen de Phoeniciërs Metiochus, zoon van Miltiades, tot hem brachten, deed Metiochus gansch geen leed, doch veel goed; ja zelfs gaf hij hem een huis en een bezitting en een Perzische vrouw, waaruit hij kinderen kreeg, die tot de Perzen gerekend worden. Doch Miltiades kwam uit Imbrus naar Athene.

42. En in dit jaar geschiedde den Ioniërs niets vijandigs meer door de Perzen, doch de volgende zeer nuttige zaak gewerd den Ioniërs in dit jaar. Artaphrenes, de onderkoning van Sardes, ontbood gezanten uit de steden en dwong de Ioniërs verdragen onder elkander te sluiten, opdat zij elkander recht geven en niet plunderen zouden. Dit dwong hij hen te doen, en hij mat hun landen uit met parasangen, zooals de Perzen dertig stadiën noemen, en daarmede het land uitmetende beval hij ieder schatting op te brengen, die onveranderd is blijven bestaan van dien tijd steeds nog en tot op mij, zooals zij door Artaphrenes werd opgelegd; en zij werd ongeveer tot hetzelfde bedrag opgelegd, als zij ook vroeger was.

43. En dat gaf hun veel vrede. Met de lente, toen de andere veldheeren door den koning ontslagen waren, trok Mardonius, Gobryas' zoon, naar de zee, een zeer groot landleger met zich voerend en een groote vloot; hij was jong van jaren en eerst kort gehuwd met koning Darius' dochter Artozostre; en toen Mardonius met dat leger in Cicilië was gekomen, ging hij zelf te scheep en reisde met de andere schepen, doch het landleger brachten andere aanvoerders naar den Hellespont. Toen Mardonius, Azië omzeilend, in Ionië was gekomen, daar zal ik een wonder zeggen allergrootst voor hen der Hellenen, die niet gelooven, dat Otanes aan de zeven de meening had blootgelegd: er moest een volksregeering in Perzië komen; want Mardonius zette de alleenheerschers der Ioniërs alle af en voerde volksregeeringen in de steden in. Na deze daad trok hij naar den Hellespont. Toen een groote macht van schepen was bijeengebracht, en ook een groot landleger, staken zij op de schepen den Hellespont over en trokken door Europa, en trokken naar Eretria en Athenae.

44. Deze steden nu waren het voorwendsel van hun tocht, doch, van zins zooveel Helleensche steden zij konden te onderwerpen, onderwierpen zij zoowel met hun schepen de Thasiërs, die zelfs de hand niet tegen hen opgeheven hadden, als maakten zij ook met het landleger de Macedoniërs tot onderdanen bij de anderen, die het reeds waren, want de volkeren vóór de Macedoniërs waren reeds allen in hun macht. Van Thasus dan staken zij over en trokken langs het vaste land tot Acanthus, en van Acanthus uitgezeild, voeren zij Athos om. Doch bij dien omvaart viel een groote en onweerstaanbare noordewind op hen en greep hen hard aan en smeet een groot getal schepen tegen Athos. Want driehonderd van de schepen, zegt men, werden vernietigd, en meer dan twee tienduizenden van menschen. Daar namelijk de zee bij Athos zeer rijk is aan wilde dieren, kwamen sommigen om door de dieren geroofd, anderen tegen de rotsen geslingerd; anderen weer konden niet zwemmen en kwamen zoo om, nog anderen door de koude.

45. Zoo dan ging het met de vloot. Doch Mardonius met zijn leger, die in Macedonië kampeerde, overvielen des nachts de Thracische Brygen en velen van hen doodden deze Brygen en Mardonius zelven wondden zij. Maar toch ontgingen ook zij de Perzische slavernij niet, want niet eerder brak Mardonius uit die streken op, vóór hij hen onderworpen had. Doch na hun onderwerping voerde hij zijn leger terug, daar hij in zijn leger geleden had tegen de Brygen, en in zijn vloot grootelijks bij Athos. Zoo dan trok dit leger na een smadelijken kamp naar Azië terug.

XLVI[bewerken]

1. In dit tweede jaar daarna zond Darius eerst, daar de Thasiërs door hun buren belasterd werden, dat zij op afval zonnen, een bode tot hen en beval hen de muur om te halen en hun schepen naar Abdera te brengen. Want de Thasiërs, daar zij door Histiaeus de Milesiër belegerd waren geworden en grote inkomsten wonnen, hadden het geld gebruikt om lange schepen te bouwen en een sterke muur om zich heen op te richten. Zij kregen hun inkomsten uit het vaste land en uit mijnen. Uit de goudmijnen in Scaptesyle kwam gewoonlijk tachtig talenten in, en uit die op Thasus zelf wel minder dan dat, maar toch zoveel, dat de Thasiërs, die vrij waren van belasting voor de veldvruchten, gewoonlijk jaarlijks van het vaste land en uit de mijnen tweehonderd talenten als inkomsten hadden, en wanneer zij op het grootst waren, driehonderd.

XLVII[bewerken]

1. Ik zag ook zelf die mijnen en verreweg de meeste bewonderenswaardige onder hen waren die, welke de Feniciërs gevonden hadden, die zich met Thasus op het eiland neerzetten, dat nu naar dien Thasus den Feniciër zijn naam bekomen heeft. Die Fenicische mijnen liggen op Thasus tussen een plaats, Aenura genoemd, en Coenyra, tegenover Samothracië, een grote berg, omgewoeld door het zoeken. Dat nu is zo. De Thasiërs haalden op bevel van de koning hun muur om en brachten ook alle schepen naar Abdera.

48. Daarna onderzocht Darius de Hellenen, wat zij in den zin hadden, of zij hem zouden beoorlogen of zich overgeven. Hij zond dan herauten, overal door gansch Hellas heen met zijn opdracht, hen bevelende voor den koning aarde en water te vragen. Deze zond hij dan naar Hellas, en andere herauten zond hij overal naar zijn eigen schatplichtige steden aan de zee, hen bevelende lange schepen en vaartuigen voor paardenvervoer te maken.

49. Dezen nu rustten die uit, en aan de in Hellas gekomene herauten gaven velen op het vaste land, wat de Pers eischen liet, en alle eilanders, bij welke zij kwamen om te eischen. De andere eilanders dan gaven aarde en water aan Darius en dan ook de Aegineten. Doch nauwelijks hadden zij dit gedaan, of de Atheners waren hen op de hielen, meenende dat de Aegineten met bedoeling tegen hen aarde en water gegeven hadden, om met den Pers tegen hen op te trekken, en gretig dit voorwendsel aangrijpend, gingen zij naar Sparta en klaagden de Aegineten aan om wat zij gedaan hadden, als verraders van Hellas.

50. Op deze aanklacht voer Cleomenes, zoon van Anaxandrides, de koning der Spartanen, naar Aegina, met het voornemen om de schuldigsten der Aegineten te grijpen. Doch toen hij trachtte hen te grijpen, verzetten zich ook anderen der Aegineten, en vooral Crius, de zoon van Polycritus, die beweerde, dat Cleomenes ongedeerd geen der Aegineten wegvoeren zou; want hij deed dat zonder opdracht van den staat der Spartanen, doch door de Atheners met geld overreed; anders ware hij met den anderen koning samen gekomen om genen te grijpen. Dit zeide Crius volgens opdracht van Demaratus. En Cleomenes uit Aegina weggaande vroeg Crius naar zijn naam, en gene zeide wat waar was. En Cleomenes sprak tot hem: ,,waarschijnlijk dan, o Crius, laat uw hoorn met ijzer beslaan, om groot onheil te bestrijden."

51. In Sparta echter trachtte Demaratus, zoon van Ariston, die toen achtergebleven was, Cleomenes te belasteren, terwijl hij ook zelf koning der Spartanen was, doch uit een geringer huis, in andere zaken wel geenszins geringer (want beiden stammen van denzelfden Aristodemus af), doch het huis van Eurysthenes is om het eerste-geboorte-recht meer geëerd.

52. Want de Lacedaemoniërs beweren in overeenstemming met geen enkelen dichter, dat Aristodemus zelf, de zoon van Aristomachus, dien van Cleodaeus, dien van Hyllus, als koning hen in dat land heeft gebracht, dat zij nu bezitten, doch niet de zonen van Aristodemus. Na niet veel tijd baarde Aristodemus' vrouw, die Argeia heette. Zij beweren dat zij de dochter was van Autesion, zoon van Tisamenus, dien van Thersander, dien van Polynices; deze baarde tweelingen, en Aristodemus, toen hij die kinderen gezien had, stierf door een ziekte. De toenmalige Lacedaemoniërs besloten volgens de zede den oudsten der knapen tot koning te benoemen. Maar zij wisten nu niet, wien zij kiezen zouden, daar genen gelijk van uiterlijk en grootte waren; en daar zij het niet zien konden, of misschien ook daarvóór, vroegen zij het de moeder. Ook deze beweerde het niet te kunnen zien. En zij wist het zeer goed, doch zeide dat men de bedoeling, dat beiden wel koning konden worden. De Lacedaemoniërs dus waren in verlegenheid, en in hun verlegenheid zonden zij naar Delphi boden om te vragen wat zij met de zaak doen zouden. En de Pythia beval hen beide knaapjes als koning te erkennen, doch den oudste meer te eeren. De Pythia dan antwoordde hun dit, doch de Lacedaemoniërs, die niets minder verlegen waren hoe zij den oudsten van de twee vinden zouden, kregen raad van een man uit Messenië, Panites van naam. Deze Panites ried dit de Lacedaemoniërs, de moeder na te gaan, wien van beide knaapjes zij het eerst wiesch en voedde; en indien zij dat altijd op de zelfde wijze bleek te doen, dan zouden zij alles weten, zooveel zij zochten en vinden wilden; maar indien de moeder ongelijk deed en afwisselde, dan zou het hun duidelijk zijn, dat gene er ook niets méér van wist, en moesten zij een anderen weg inslaan. En toen bespiedden de Spartanen, volgens den raad des Messeniërs, de moeder van Aristodemus' zonen, en vonden, dat zij steeds op dezelfde wijze den eerstgeborene eerde èn met voeden èn met wasschen, niet wetend waarom zij bespied werd. Zij beschouwden nu het knaapje, dat door de moeder geëerd werd, als den oudste, en voedden het van staatswege op; en hij ontving den naam Eurysthenes, de ander echter Procles. En dezen, mannen geworden, waren, zegt men, hoewel broeders, den ganschen tijd van hun leven in vijandschap met elkander, en hun nakomelingen gaan steeds zoo door.

53. Dit nu zeggen de Lacedaemoniërs alleen onder de Hellenen. Doch het volgende schrijf ik volgens wat door de Hellenen verhaald wordt: die koningen der Doriërs, tot aan Perseus dan, zoon van Danaë, worden, met weglating van den god, juist door de Hellenen opgenoemd en met aantooning, dat zij Hellenen zijn, want toen reeds werden zij tot de Hellenen gerekend. Ik zeg, tot Perseus, maar ging niet meer hooger op, daarom, omdat er voor Perseus geen naam van een vader is, zooals voor Heracles die van Amphytryo. Met goeden grond heb ik dus gezegd: tot aan Perseus juist. Doch als men van Danaë, de dochter van Acrisius, altijd naar boven de vaders opnoemt, dan zouden de aanvoerders der Doriërs in rechte afstamming Aegyptenaars zijn.

54. Dit nu is de afleiding van het geslacht volgens wat de Hellenen beweren. Doch naar het verhaal door de Perzen verhaald, was Perseus zelf een Assyriër en werd Helleen, maar de voorouders van Perseus waren dat niet. Doch de vaders van Acrisius, die gansch geen verwantschap met Perseus hadden, deze, naar de Hellenen zeggen, waren Egyptenaars geweest.

55. En dit nu moge daarover gezegd wezen. En dat zij ofschoon Egyptenaars, en voor welke diensten zij de rijken der Doriërs kregen, dàt, want anderen hebben daarover reeds gesproken, dàt zullen wij voorbijgaan; doch wat de anderen niet in bezit namen, daarvan zal ik melding maken.

56. De volgende eererechten dan hebben de Spartanen aan hun koningen gegeven: twee priesterambten, van Zeus Lacedaemon en Zeus Uranius, en ook om oorlog te voeren tegen welk land zij willen, en geen der Spartanen mag hen daarin verhinderen, anders wordt hij door den vloek getroffen; bij den veldtocht moeten de koningen de eersten zijn die gaan, de laatsten die terugkomen. Honderd uitgekozen mannen zijn hun wacht in het veld; schapen mogen zij bij den veldtocht gebruiken om te offeren, zooveel als zij willen, en van alle geofferde dieren zelf het vel en de rug nemen.

57. Dit nu is den oorlog, doch het volgende in den vrede hun geschonken. Wanneer er een staatsoffer wordt verricht, hebben de koningen bij het maal de eerste plaats, en bij hen beginnen de dienaars en geven ieder van beiden van alles dubbel zooveel als aan de andere dischgenooten; en zij plengen het eerst en krijgen het vel der geofferde dieren. Bij iedere nieuwe maan en den zevenden dag van de heerschende maan wordt aan ieder van beiden van staatswege een volwassen offerdier gegeven in den tempel van Apollo en een schepel gerstemeel en een laconische vierdemaat wijns, en bij alle wedkampen hebben zij uitgekozen eereplaatsen. En hun is de macht tot gastheeren te benoemen, wie der burgers zij willen, en ieder twee Pythiërs te kiezen. De Pythiërs zijn de boden aan den god in Delphi en worden met de koningen van staatswege gespijsd. Als de koningen niet aan het maal komen, dan worden hun naar huis gestuurd twee choenicen meel en een kruik wijn, doch komen zij, dan wordt van alles het dubbele gegeven; op de zelfde wijze worden zij geëerd door gewone burgers, die hen noodigen. Zij ook bewaren de orakelspreuken, die inkomen, doch ook de Pythiërs weten ze met hen. De koningen alleen spreken recht in het volgende alleen: over een erfdochter, wie haar hebben moet, als haar vader zelf althans haar niet in zijn testament verloofd heeft, en over den aanleg van openbare wegen. En indien iemand een zoon aannemen wil, moet hij dat ten overstaan van de koningen doen. En zij zitten er bij als de ouderen beraadslagen, die op twee na dertig in getal zijn; indien zij niet komen, dan hebben de hun onder de ouderen het naast verwanten de koninklijke eererechten, en geven twee stemmen, en een derde voor zich zelven.

58. Dit nu wordt door den staat der Spartanen aan de koningen bij hun leven geschonken, doch bij hun dood het volgende. Ruiters verkondigen het gebeurde door gansch Laconië, en de vrouwen trekken door de stad en slaan tegen een ketel. Wanneer dat nu geschied is, moeten uit ieder gezin twee vrijgeborenen rouw bedrijven, een man en een vrouw; wie dat niet doet, wordt zwaar gestraft. Over den dood er koningen is bij de Lacedaemoniërs dezelfde zede als bij de barbaren in Azië; want toch de meeste barbaren volgen dezelfde zede bij den dood der koningen. Want wanneer een koning van de Lacedaemoniërs gestorven is, dan moet nog buiten de Spartanen, uit gansch Lacedaemon een bepaald aantal van de inwoners bij de rouwplechtigheid komen. Wanneer dezen dan en de heloten en de Spartanen zelf in vele duizenden op dezelfde plaats bijeengekomen zijn, te samen met hun vrouwen, slaan zij zich ijverig het voorhoofd en heffen een groot geklaag aan, bewerende, dat de laatstgekomene der koningen telkens, dat die de beste was. Een koning, die in den oorlog is gestorven, voor dien vervaardigen zij een beeld en dragen het weg op een schoon gespreid rustbed. Hebben zij hem begraven, dan is er tien dagen lang geen markt, noch komt de kiesvergadering bijeen, doch zij rouwen die dagen.

59. In dit andere komen zij met de Perzen overeen. Wanneer na den dood des konings een ander koning is geworden, dan ontheft deze nieuwe koning een ieder van de Spartanen, die aan den koning of aan den staat iets schuldig was, van zijn schuld. Bij de Perzen nu schenkt de nieuwe koning aan alle steden de nog verschuldigde schatting.

60. En ook in het volgende komen de Lacedaemoniërs met de Egyptenaars overeen. De herauten bij hen en de fluitspelers en de koks nemen het vaderlijke bedrijf over en een fluitspeler komt van een fluitspeler en een kok van een kok en een heraut van een heraut, en niet worden om hun heldere stem anderen als heraut aangesteld en verdringen genen, doch op de wijze van hun vaders oefenen zij hun beroep uit.

61. Dit dan is zoo. Toen dan werd Cleomenes, terwijl hij in Aegina was en voor het wel van gansch Hellas werkte, belasterd door Demaratus, niet zoozeer uit zorg voor de Aegineten, als uit nijd en afgunst. En Cleomenes uit Aegina teruggekeerd trachtte Demaratus uit het koningschap te stooten, en viel hem aan door de volgende zaak. Toen Ariston koning van Sparta was en twee vrouwen gehuwd had, kreeg hij geen kinderen. En, want hij was zich bewust niet zelf daaraan de schuld te zijn, hij huwde een derde vrouw: en hij huwde haar aldus. Hij had een Spartaan tot vriend, aan wien Ariston onder de burgers het meest gehecht was. Deze man geviel tot vrouw te hebben verreweg de schoonste van alle vrouwen in Sparta, en dat wel, terwijl zij van de leelijkste de schoonste was geworden. Want daar zij nu leelijk van uiterlijk was, kwam haar voedster, daar het kind toch de dochter van rijke lieden en zoo leelijk was, en de voedster bovendien de ouders verdrietig om haar uiterlijk zag, - dat overwegend kwam de voedster op den volgenden inval: zij bracht het kind iederen dag naar den tempel van Helena. Deze is in de plaats, Therapne geheeten, boven den tempel van Phoebus. Zoo dikwijls de voedster het kind daar bracht, zette zij het bij het beeld en smeekte de godin het van haar leelijkheid te bevrijden. En toen de voedster eens uit den tempel ging, verscheen haar, zegt men, een vrouw, en die verscheen en vroeg haar wat zij op de arm droeg. En zij zeide, dat zij een kind droeg en de ander vroeg het te laten zien, doch gene weigerde, want de ouders hadden verboden het aan iemand te toonen, doch de ander vroeg dringend het te laten zien, en de voedster merkte dat de vrouw het zoo graag zien wou, en liet dan het kind kijken; de ander raakte toen het hoofd van het kind aan en zeide, het zou de schoonste van alle vrouwen in Sparta worden. En van dien dag af veranderde haar uiterlijk. Toen zij huwbaar was geworden, huwde haar dan Agetus, zoon van Alcides, die vriend dan van Ariston.

62. Doch Ariston brandde van begeerte naar die vrouw, en hij verzon daarom het volgende. Hij zelf beloofde aan zijn vriend, van wien die vrouw was, een ding van al zijn eigen zaken te zullen geven, dat gene zelf kiezen zou, en hij vroeg zijn vriend hem hetzelfde tegengeschenk te doen. En deze vreesde niets voor zijn vrouw, daar hij zag, dat ook Ariston een vrouw had en hij keurde het goed, en op die afspraak lieten zij elkander een eed afleggen. Daarna gaf Ariston dat, wat het dan was, dat Agetus van Ariston's schatten gekozen had, en zelf, als hij het tegengeschenk van den ander vragen wilde, toen dan verlangde hij de vrouw van zijn vriend weg te voeren. Gene beweerde behalve dat ééne alles anders goed te vinden, doch door den eed gedwongen en door de list van het bedrog, liet hij hem haar weghalen.

63. Zoo dan nam Ariston de derde vrouw, terwijl hij de tweede wegzond. En in minder tijd en toen die vrouw de tien manen nog niet vervuld had, baarde zij dan dien Demaratus. En terwijl hij in den raad zat met de ephoren, meldde een zijner slaven hem, dat hem een kind was geboren. En hij wist den tijd, dat hij de vrouw gehuwd had, en rekende op zijn vingers de manen na en zeide met een eed: "dat kan niet van mij zijn. Dit hoorden de ephoren wel, doch letten er zoo dadelijk gansch niet op. De knaap groeide op en Ariston berouwde zijn woord, want hij geloofde ten zeerste dat Demaratus zijn zoon was. En hij noemde hem Demaratus om het volgende. Vóór deze gebeurtenis had het gansche volk der Spartanen den wensch uitgesproken, dat Ariston, onder alle koningen van Sparta in bijzonder aanzien bij hen, een zoon zou krijgen.

64. Daarom gaf hij hem dan den naam Demaratus. En na verloop van tijd stierf Ariston, en verkreeg Demaratus het koningschap. Het moest echter, naar het schijnt, dat die dingen ruchtbaar werden en Demaratus zijn koningschap ontnamen, en door ongeveer de volgend oorzaak. Demaratus was reeds vroeger grootelijks in vijandschap gekomen met Cleomenes, toen hij het leger uit Eleusis had weggevoerd, en dan ook nu weder, toen Cleomenes naar de Perzisch-gezinden onder de Aegineten getrokken was.

65. Cleomenes nu, begeerig zich te wreken, maakt met Leutychides, zoon van Menares, Agis' zoon, en van hetzelfde huis als Demaratus, de afspraak dat, als men hem koning zou maken in plaats van Demaratus, hij Cleomenes tegen de Aegineten volgen zou. En Leutychides was Demaratus ten zeerste vijandig gezind door de volgende zaak. Toen Leutychides verloofd was met Percalus, de dochter van Chilon, Demarmenus' zoon, beroofde Demaratus hem door list van dit huwlijk, daar hij vóór hem Percalus roofde en tot vrouw nam. Daardoor nu was Leutychides´ vijandschap tegen Demaratus ontstaan, en toen dan, op aandringen van Cleomenes, legde Leutychides een eed af tegen Demaratus, bewerende dat gene tegen recht en billijkheid in regeerde over de Spartanen, daar hij geen zoon van Ariston was. Na die aanklacht bracht hij de zaak in behandeling en haalde dat woord op, door Ariston eertijds gezegd, toen de slaaf hem de geboorte van een zoon meldde, en gene de manen natelde en met een eed had beweerd, dat het kind niet van hem zelf was. Op dat gezegde dan steunde Leutychides zich en wilde daarmede bewijzen, dat Demaratus noch uit Ariston gesproten was, noch naar recht en billijkheid over Sparta regeerde, en als getuigen bracht hij de ephoren aan, die toen in den raad waren en dat woord van Ariston gehoord hadden.

66. Eindelijk terwijl men er over twistte, besloten de Spartanen het orakel in Delphi te vragen of Demaratus de zoon van Ariston was. Toen nu op aandrang van Cleomenes de zaak voor de Pythia gebracht werd, won Cleomenes Cobon voor zich, den zoon van Aristophantus, een zeer machtig man in Delphi, en Cobon overreedde Perialla, de opperpriesteres, om te zeggen wat Cleomenes gezegd hebben wilde. En zoo dan, als de gezanten het orakel vroegen, besliste de Pythia, dat Demaratus niet de zoon was van Ariston. In later tijd echter werd dit alles ruchtbaar, en Cobon werd uit Delphi verbannen en Perialla, de opperpriesteres, van haar ambt ontzet.

67. Zoo dan ging het met de ontzetting van Demaratus uit het koningschap, en Demaratus vluchtte uit Sparta naar de Meden om de volgende beleediging. Na zijn ontzetting uit het koningschap was Demaratus voor een ambt gekozen en bekleedde dat. Er werd nu het feest der Gymnopaediën gehouden, en Demaratus zag toe, toen Leutychides, reeds in plaats van genen koning geworden, een dienaar tot hem zond tot spot en hoon en Demaratus vroeg, hoe het was beambte na koning te zijn. En gene, in smart over die vraag, zeide tot antwoord, dat hij zelf beide ondervonden had, en gene niet, doch dat die vraag voor de Lacedaemoniërs de oorzaak zou zijn, òf van onnoemlijk veel ellende òf van onnoemlijk veel geluk. Dit zeide hij en hij omhulde zich het hoofd en ging van de schouwplaats, naar zijn huis en terstond maakte hij toebereidselen en offerde een os aan Zeus en na het offer riep hij zijn moeder.

68. En toen zij gekomen was, legde hij haar van de ingewanden in de handen en smeekte, dit zeggende: "o moeder, alle andere goden roep ik tot getuige en dezen Zeus ook, den beschermer van ons huis, en smeek u: zeg mij de waarheid, wie is werkelijk mijn vader? Want Leutychides beweerde in het geding en zeide, dat gij zwanger waart van uw vroegeren man en zóó tot Ariston kwaamt; anderen echter zeggen een dwazer verhaal, en vertellen, dat gij tot een der slaven, den ezelhoeder, gingt, en ik diens zoon ben. En ik smeek u daarom bij de goden mij de waarheid te zeggen; niet toch, als ge ooit iets deedt van wat verhaald wordt, deedt gij het alleen, doch met velen, en alom in Sparta zegt men, dat in Ariston geen vruchtbaarheid was, want ook zijn vroegere vrouwen zouden anders hem gebaard hebben."

69. Hij nu zeide zulke dingen, en zij antwoordde met het volgende: "o zoon, daar ge mij met smeekingen bezweert de waarheid te zeggen, zal al de waarheid u verhaald worden. Toen Ariston mij in zijn huis had gebracht, in den derden nacht na den eersten kwam een verschijning tot mij, Ariston gelijkend, en zij sliep bij mij en legde de kransen om mij, die zij droeg. En zij ging heen, doch daarna kwam Ariston. En toen hij mij met kransen zag, vroeg hij wie ze gaf; en ik zeide: hij, doch hij gaf het niet toe. En ik zwoer en bezweerde, dat hij niet schoon deed met te ontkennen, want kort te voren kwam hij en sliep bij mij en gaf mij de kransen. En Ariston zag mij zweren en begreep dat een god zoo gedaan had. En zoowel nu bleken de kransen uit den heroëntempel bij de hofdeur te zijn, dien van Astrabacus genoemd, als verklaarden ook de zieners dat het die heros zelf was geweest. Zoo dan, o zoon, hebt ge alles, wat gij vernemen wilt; want òf zijt ge uit dien heros gesproten en is Astrabacus de heros uw vader, of Ariston; want in dien nacht heb ik u ontvangen. En waarom uw vijanden u het meest aangrijpen, bewerende dat Ariston zelf, toen uw geboorte hem gemeld werd, terwijl velen het hoorden, zeide, dat gij niet de zijne waart, - want de tijd, de tien manen, waren nog niet verstreken -, uit onwetendheid in die dingen heeft hij dat woord geworpen, want de vrouwen baren ook na negen en na zeven manen, en niet allen voleindigen zij de tien manen: en u, o zoon, baarde ik na zeven manen. En ook Ariston zelf zag in, niet veel later, dat hij uit onkunde dat woord had laten vallen. Geloof andere verhalen over uw geboorte niet; want het waarachtigste hebt ge gehoord. Doch mogen aan Leutychides zelf en de anderen, die zoo spreken, de vrouwen uit ezelhoeders kinderen baren."

70. Zij nu zeide dit, en gene, vernomen hebbend, wat hij wilde, nam voorraad mede en trok naar Elis, voorgevende, dat hij naar Delphi ging om het orakel te vragen. De Lacedaemoniërs echter argwaanden, dat Demaratus ontwijken wilde en vervolgden hem. Doch Demaratus wist hen te voorkomen en voer van Elis naar Zacynthus, doch de Lacedaemoniërs kwamen achter hem en grepen hem en namen zijn dienaren weg. Daarna, want de Zacynthiërs wilden hem niet uitleveren, begaf hij zich van daar naar Azië tot koning Darius. En deze ontving hem met groote eer en gaf hem land en steden. Zoo kwam Demaratus in Azië en door zulke lotgevallen, terwijl hij in vele andere dingen naar de meening der Lacedaemoniërs luisterrijk met raad en daad gehandeld had, en dan ook een overwinning met het vierspan te Olympia op hen had overgedragen, als de eenige van alle koningen in Sparta, die dat deed.

71. Leutychides, zoon van Menares, volgde Demaratus, toen deze ontzet was, in het koningschap op, en hij kreeg een zoon Zeuxidemus van naam, dien sommigen der Spartanen Cyniscus noemden. Deze Zeuxidemus werd geen koning van Sparta, want hij stierf vóór Leutychides en liet een zoon Archidamus achter. En Leutychides, toen hij Zeuxidemus verloren had, huwde een tweede vrouw Eurydame, die de zuster van Menias en de dochter van Diactorides was, waaruit hij geen mannelijken spruit kreeg, doch een dochter Lampito, die Archidamus, de zoon van Zeuxidamus, huwde, daar Leutychides haar aan hem gaf.

72. Doch ook Leutychides werd in Sparta niet oud, maar boette voor Demaratus op de volgende wijze. ...