Journalistenbesluit

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Journalistenbesluit van 2 mei 1941 van Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten


Journalistenbesluit van 2 mei 1941

Besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten betreffende het beroep van journalist (Journalistenbesluit). Op grond van § 1 der Verordening No. 23/1940 en in overeenstemming met de §§ 2 en 3 der Verordening No. 3/1940 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied wordt bepaald:

EERSTE AFDEELING - Het beroep van journalist[bewerken]

Artikel 1

  1. Het bij wijze van hoofdberoep of op grond van een benoeming tot hoofdredacteur medewerken aan de vorming van den redactioneelen inhoud van in het bezette Nederlandsche gebied uitgegeven nieuwsbladen of van aldaar uitgegeven tijdschriften, welke voorlichting geven op het gebied van het volksleven, is, onverschillig of zulks geschiedt door artikelen, berichten of illustraties, een openbare taak, welke, voor wat betreft de daaraan verbonden beroeps plichten en -rechten, bij dit besluit van Staatswege wordt geregeld.
  2. Zij, op wie deze taak rust, worden journalisten genoemd. Niemand is gerechtigd zich journalist te noemen, die niet overeenkomstig artikel 7 in het beroepsregister is in­geschreven.
  3. Alle journalisten zijn in het Verbond van Nederlandsche Journalisten vereenigd.
  4. Het Verbond van Nederlandsche Journalisten waakt er over, dat de beroepsge­nooten elk voor zich hun plichten vervullen, en zorgt voor hun rechten en hun welzijn.

Artikel 2

  1. Onder 'nieuwsbladen' en 'tijdschriften' worden verstaan: drukwerken, welke met tusschenruimten van ten hoogste drie maanden in voortdurende opeenvolging verschij­nen, zonder dat de verkrijging daarvan tot een bepaalden kring van personen beperkt is.
  2. Onder 'drukwerken' worden verstaan: alle voor verspreiding bestemde vermenigvuldigingen van geschriften of illustraties, welke op een voor massavermenigvuldiging geëigende wijze zijn vervaardigd.

Artikel 3

  1. De in dit besluit omtrent nieuwsbladen gegeven bepalingen zijn eveneens van toepassing ten aanzien van tijdschriften, welke voorlichting geven op het gebied van het volks­leven.
  2. Dit besluit is niet toepasselijk op van ambtswege uitgegeven nieuwsbladen en tijdschriften.
  3. De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten bepaalt, welke tijdschriften worden beschouwd als tijdschriften, welke in den zin van dit besluit voorlichting geven op het gebied van het volksleven, en welke nieuwsbladen en tijdschriften in den zin van dit besluit van ambtswege worden uitgegeven. Beschik­kingen van dezen aard moeten worden openbaargemaakt in de Nederlandsche Staats­courant.

Artikel 4
Onder 'medewerken aan de vorming van den redactioneelen inhoud van in het bezette Nederlandsche gebied uitgegeven nieuwsbladen of van aldaar uitgegeven tijdschriften, welke voorlichting geven op het gebied van het volksleven' wordt mede verstaan: het verrichten van zoodanigen arbeid, indien deze niet in het bedrijf van een nieuwsblad of van zoodanig tijdschrift plaats vindt, doch bij een onderneming, welke bestemd is arti­kelen, berichten of illustraties aan nieuwsbladen of tijdschriften, als vorenbedoeld, te leveren.

TWEEDE AFDEELING - Het toelaten tot het beroep van journalist[bewerken]

Artikel 5

  1. Journalist kan slechts zijn hij die:
    1. Nederlander is,
    2. den leeftijd van 21 jaar heeft bereikt,
    3. vakopleiding heeft genoten,
    4. de eigenschappen bezit, welke noodig zijn om de taak van het voorlichten der openbare meening te vervullen.
  2. Journalist kan niet zijn hij die bij rechterlijke uitspraak is ontzet van een der in ar­tikel 28 van het Wetboek van Strafrecht genoemde rechten, tijdens den duur dier ont­zetting.

Artikel 6

  1. Vakopleiding heeft genoten hij die gedurende ten minste één jaar bij de redactie van een nieuwsblad of bij een onderneming, als bedoeld in artikel 4, in het bezette Neder­landsche gebied is opgeleid en daardoor de voor een journalist vereischte kennis heeft verworven (leerling-journalist) en dit kan aantoonen door een getuigschrift der redac­tie. De opleiding bij een in het buitenland uitgegeven nieuwsblad kan door het Verbond van Nederlandsche Journalisten gelijkgesteld worden met de opleiding bij een in het be­zette Nederlandsche gebied uitgegeven nieuwsblad.
  2. De bepalingen van dit besluit zijn, behalve voor wat betreft artikel 5, eerste lid, onder 2 en 3, eveneens van toepassing op den leerling-journalist.

Artikel 7

  1. De toelating tot het beroep van journalist geschiedt op gedaan verzoek door de inschrijving in het beroepsregister van journalisten.
  2. Dit beroepsregister wordt ten kantore van het Verbond van Nederlandsche Journalisten bijgehouden.
  3. Omtrent de inschrijving beslist de voorzitter van het Verbond van Nederlandsche Journalisten.
  4. De voorzitter van het Verbond van Nederlandsche Journalisten besluit tot inschrijving, indien aan de in artikel 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 8
Het Verbond van Nederlandsche Journalisten kan, met toestemming van den Secreta­ris-Generaal van Volksvoorlichting en Kunsten, uitzonderingen toestaan op de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder 1 tot en met 3, en het tweede lid van artikelS. Deze uitzonderingen kunnen ook voor slechts bepaalde takken van werkzaamheid van den journalist toegestaan worden.

Artikel 9
Het besluit, waarbij de voorzitter van het Verbond van Nederlandsche Journalisten de inschrijving in het beroepsregister weigert, wordt met redenen omkleed schriftelijk aan den verzoeker medegedeeld. Deze kan daartegen in beroep komen bij den Secretaris­Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Tegen diens beslissing is geen verdere voorziening toegelaten.

Artikel 10
Het Verbond van Nederlandsche Journalisten moet tot doorhaling van de inschrijving in het beroepsregister overgaan, indien aan de voorwaarden, genoemd in artikel 5, eer­ste lid, onder 1 of 4, niet meer wordt voldaan of indien de betrokkene ontzet wordt van rechten in den zin van het tweede lid van artikel 5 of indien de onjuistheid blijkt van verklaringen omtrent de voorwaarden, genoemd in artikel 5, of indien de journalist heeft opgehouden zijn beroep uit te oefenen. In die gevallen is artikel 9 van overeen­komstige toepassing.

DERDE AFDEELING - Uitoefening van het beroep van journalist[bewerken]

Artikel 11
Door de inschrijving in het beroepsregister verkrijgt een journalist de bevoegdheid zijn beroep uit te oefenen bij in het bezette Nederlandsche gebied uitgegeven nieuwsbladen of bij ondernemingen in het bezette Nederlandsche gebied, als bedoeld in artikel 4.

Artikel 12

  1. Journalisten zijn verplicht hun beroep naar eer en geweten uit te oefenen en zich door hun gedrag zoowel in als buiten hun beroep de achting waardig te toonen, welke het vereischt.
  2. Het is de taak der journalisten de stof, welke zij behandelen, waarheidsgetrouw weer te geven en naar hun beste weten te beoordeelen.

Artikel 13
Meer in het bijzonder zijn journalisten verplicht al datgene uit de nieuwsbladen te we­ren:

  1. wat persoonlijke of groepsbelangen op een de openbare meening misleidende wijze met gemeenschapsbelangen verwart;
  2. wat er toe leiden kan de belangen of het streven naar gemeenschap van het Nederlandsche volk, zijn cultuur of economisch leven te verzwakken of de godsdienstige ge­voelens van anderen te kwetsen;
  3. wat de eer of het welzijn van een ander wederrechtelijk aantast of zijn goeden naam schaadt;
  4. wat om andere redenen in strijd is met de openbare orde en goede zeden.

Artikel 14
De uitgever van een nieuwsblad kan een journalist bij overeenkomst verplichten tot het in acht nemen van richtlijnen ten aanzien van het principiële karakter van het nieuws­blad. De openbare plichten en rechten van een journalist, welke voortvloeien uit de arti­kelen 12 en 13, kunnen door deze richtlijnen in geen geval worden aangetast.

Artikel 15
Arbeidsovereenkomsten omtrent de dienstbetrekking van een journalist moeten op straffe van nietigheid schriftelijk worden aangegaan.

Artikel 16
De uitgever van een nieuwsblad moet een hoofdredacteur aanstellen en daarvan onder vermelding van diens naam schriftelijk mededeeling doen aan het Verbond van Nederlandsche Journalisten.

Artikel 17
De hoofdredacteur is verplicht, in overeenstemming met den inhoud van zijn arbeidsovereenkomst en met eventueele aanvullende instructies van den uitgever, een schrifte­lijk plan van werkverdeeling op te stellen, waaruit moet blijken welk gedeelte van den redactioneelen arbeid elke journalist moet verrichten en in hoeverre deze tegenover an­dere journalisten de bevoegdheid bezit hun aanwijzingen te geven.

Artikel 18

  1. De journalisten van een nieuwsblad dragen voor den redactioneelen inhoud daarvan in zooverre de beroeps-, straf- en civielrechtelijke verantwoordelijkheid, als zij de bij­dragen daartoe zelf hebben geleverd of deze tot opneming hebben aangewezen. De straf- of civielrechtelijke verantwoordelijkheid van andere personen blijft desniettegen­staande onverminderd bestaan.
  2. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor het algemeen karakter van het redactioneel gedeelte van het blad.
  3. De hoofdredacteur is verplicht:
    1. er voor zorg te dragen, dat in een nieuwsblad slechts bijdragen worden opgeno­men, welke door een journalist zijn opgesteld of tot opneming zijn aangewezen;
    2. er voor zorg te dragen, dat op elk exemplaar van een nieuwsblad de naam en de woonplaats van den hoofdredacteur en van zijn plaatsvervanger, alsmede van eiken journalist, aan wien de leiding van een bepaald onderdeel van het nieuwsblad is opgedragen, wordt vermeld;
    3. aan ieder, die aannemelijk maakt, dat hij een rechtsbelang daarbij heeft, op zijn verzoek mede te deelen, welke journalist de verantwoordelijkheid draagt voor een bijdrage, voor zoover deze verantwoordelijkheid niet blijkt uit de vermeldingen, als be­doeld onder 2.

Artikel 19
Journalisten, die door hun werkzaamheid bij een onderneming, als bedoeld in artikel 4, medewerken aan de vorming van den redactioneelen inhoud van een nieuwsblad, zijn verantwoordelijk voor den inhoud van dat nieuwsblad, voor zoover zij hun medewer­king daaraan hebben verleend.

VIERDE AFDEELING - Tuchtrechtelijke bescherming van het beroep van journalist[bewerken]

Artikel 20

  1. Elke journalist is krachtens zijn inschrijving in het beroepsregister lid van het Ver­bond van Nederlandsche Journalisten.
  2. Het Verbond van Nederlandsche Journalisten is een rechtspersoonlijkheid bezit­tend publiekrechtelijk lichaam. Zijn zetel is gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 21
De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten be­noemt, schorst en ontslaat den voorzitter van het Verbond van Nederlandsche Journa­listen. Deze stelt de statuten van het Verbond vast, welke de goedkeuring van den Se­cretaris-Generaal behoeven, en benoemt een raad van advies.

Artikel 22

  1. Het Verbond van Nederlandsche Journalisten heeft tot taak:
    1. de instellingen in het leven te roepen voor de opleiding, de verdere ontwikkeling en de sociale verzorging van journalisten; voor zoover in het kader dezer instellingen voor opleiding en verdere ontwikkeling algemeen vormend onderwijs wordt gegeven, ge­schiedt zulks met inachtneming van de algemeene, in het bezette Nederlandsche gebied geldende onderwijsbeginselen;
    2. medewerking te verleenen bij het opstellen van arbeidsvoorwaarden van journalisten;
    3. bij geschillen tusschen journalisten op verzoek van een der partijen zijn bemiddeling te verleenen en, mits met instemming van beide partijen, die geschillen te beslech­ten.
  2. De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten kan aan het Verbond van Nederlandsche Journalisten nog andere werkzaamheden op­dragen.
  3. Het Verbond van Nederlandsche Journalisten is bevoegd tot dekking van zijn kosten van zijn leden bijdragen te heffen. Deze bijdragen worden onder goedkeuring van den Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten vastgesteld.

Artikel 23
De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten houdt het toezicht er op, dat het Verbond van Nederlandsche Journalisten de hem toegewezen taak vervult.

Artikel 24
Het beëindigen van de dienstbetrekking van een journalist moet op straffe van nietigheid schriftelijk en met redenen omkleed geschieden.

Artikel 25
Een uitgever mag de dienstbetrekking van een journalist wegens de door dezen in het nieuwsblad tot uiting gebrachte opvattingen slechts dan beëindigen, indien deze in strijd zijn, hetzij met de aan het beroep van journalist verbonden openbare plichten, hetzij met de overeengekomen richtlijnen. Op verzoek van den journalist beslist de Se­cretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, na den uit­gever in de gelegenheid te hebben gesteld zijn standpunt toe te lichten, omtrent de vraag, of de beëindiging van de dienstbetrekking in strijd met de bepalingen van de eer­ste zinsnede is geschied, dan wel of zij het ontduiken daarvan beoogt. Doen deze geval­len zich voor, dan heeft die beëindiging geen rechtsgeldigheid.

Artikel 26

  1. Een journalist, die in strijd handelt met een der in de artikelen 12, 13, 17 of 18, der­de lid, genoemde beroepsplichten, pleegt een beroepsovertreding. De Secretaris-Gene­raal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten kan in dat geval op vorde­ring van het Verbond van Nederlandsche Journalisten den journalist tuchtrechtelijk be­straffen met:
    1. een waarschuwing;
    2. een geldboete van ten hoogste het bedrag van zijn maandelijksch inkomen als journalist en, ingeval dit inkomen niet van andere inkomsten te scheiden is, met een geld­boete van ten hoogste twee duizend gulden;
    3. doorhaling van zijn inschrijving in het beroepsregister.
  2. De beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, onder 2, staan gelijk met een vonnis in kracht van gewijsde. Zij zijn op bevel van den Secretaris-Generaal terstond uitvoer­baar volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een grosse, welke aan het hoofd voert de woorden: 'In Naam van het Recht'.

Artikel 27
De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten kan in een bepaald geval, indien hij zulks wegens dringende redenen van openbaar belang voor noodzakelijk houdt, de hem ingevolge artikel 26 toekomende bevoegdheden ook zonder de vordering van het Verbond van Nederlandsche Journalisten uitoefenen.

VIJFDE AFDEELING - Strafrechtelijke bescherming van het beroep van journalist[bewerken]

Artikel 28
Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste tien duizend gulden wordt gestraft de journalist,

  1. die het verlangen te kennen geeft tot het ontvangen van een gift of van eenig ander voordeel als vergoeding voor hetgeen hij in strijd met de bepalingen der artikelen 12 of 13 zal doen of nalaten, dan wel gedaan of nagelaten heeft;
  2. die een gift of eenig ander voordeel of een belofte aanneemt, wetende, dat hem deze gedaan wordt, ten einde hem te bewegen om in strijd met de bepalingen der artike­len 12 of 13 iets te doen of na te laten;
  3. die een gift of eenig ander voordeel of een belofte aanneemt, wetende, dat hem deze gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in strijd met de bepalingen der artikelen 12 of 13 is gedaan of nagelaten.

Artikel 29
Hij die een journalist of een uitgever of diens plaatsvervanger iets aanbiedt, geeft, be­looft of een voordeel verschaft met het oogmerk om hem te bewegen aan een nieuws­blad een redactioneelen inhoud te geven, te doen geven of te laten geven, welke in strijd is met de bepalingen der artikelen 12, tweede lid, of 13, wordt gestraft met gevangenis­straf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste tien duizend gulden.

Artikel 30

  1. Hij die een journalist of een uitgever of diens plaatsvervanger bedreigt met eenig na­deel met het oogmerk om hem te bewegen aan een nieuwsblad een redactioneelen inhoud te geven, te doen geven of te laten geven, welke in strijd is met de artikelen 12, tweede lid, of 13, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden.
  2. Indien de schuldige bij het plegen van het in het vorig lid omschreven feit misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheid van den journalist uit hoofde van diens dienstbetrekking, kan de gevangenisstraf tot ten hoogste drie jaren worden verhoogd.

Artikel 31
Bij veroordeeling tot gevangenisstraf wegens een der in de artikelen 28 tot en met 30 omschreven feiten kan tevens ontzetting van de in artikel 28, onder 1 tot en met 4, van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten worden uitgesproken.

Artikel 32
Hij die als journalist werkzaam is, ofschoon hij niet is ingeschreven in het beroepsregis­ter, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.

Artikel 33
Een uitgever, die aan een persoon, die niet in het beroepsregister is ingeschreven, de werkzaamheden van een journalist als hoofdberoep toevertrouwt, of die een nieuwsblad uitgeeft, zonder dat hij in overeenstemming met artikel 16 van den naam van een hoofdredacteur mededeeling heeft gedaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoog­ste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.

Artikel 34
Hij die zich journalist noemt, ofschoon hij niet in het beroepsregister is ingeschreven, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes weken of geldboete van ten hoogste honderdvijftig gulden.

Artikel 35
Feiten, als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30, worden beschouwd als misdrijven. Feiten, als bedoeld in de artikelen 32 tot en met 34, worden beschouwd als overtredin­gen.

ZESDE AFDEELING - Bijzondere maatregelen ten aanzien van uitgevers[bewerken]

Artikel 36
Aan een uitgever, die ingevolge de artikelen 29, 30 of 33 krachtens gewijsde is veroor­deeld, kan door den Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten de uitoefening van eenig uitgeversbedrijf verboden worden.

Artikel 37

  1. Indien een journalist in strijd handelt met de krachtens de artikelen 12 of 13 op hem rustende plichten, kan de Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlich­ting en Kunsten, behalve de maatregelen, bedoeld in artikel 26, het verschijnen van een nieuwsblad voor bepaalden of onbepaalden tijd verbieden of ook de reeds uitgegeven exemplaren van een nieuwsblad in beslag nemen en verbeurdverklaren, indien hij zulks in het openbaar belang noodzakelijk acht.
  2. De Secretaris-Generaal kan andere tijdschriften dan dewelke voorlichting geven op het gebied van het volksleven voor bepaalden of onbepaalden tijd verbieden of ook de reeds uitgegeven exemplaren in beslag nemen en verbeurdverklaren, indien hun in­houd er toe kan leiden de belangen of het streven naar gemeenschap van het Nederland­sche volk, zijn cultuur of economisch leven te verzwakken of de godsdienstige gevoe­lens van anderen te kwetsen.
  3. Het tweede lid van § 4 der Verordening No. 24/1940 tot het verzekeren van de openbare orde in Nederland blijft onverminderd van kracht.

Artikel 38
De Nederlandsche politie is belast met de tenuitvoerlegging van maatregelen, genomen krachtens de artikelen 36 en 37.

ZEVENDE AFDEELING - Overgangs- en slotbepalingen[bewerken]

Artikel 39

  1. Wie na het in werking treden van dit besluit het beroep van journalist wil uitoefenen, moet onverwijld, en wel uiterlijk binnen vier weken, bij het Verbond van Neder­landsche Journalisten een verzoek tot inschrijving in het beroepsregister indienen.
  2. Zij die bij het in werking treden van dit besluit het beroep van journalist uitoefe­nen, zijn gerechtigd hun beroepswerkzaamheden voort te zetten totdat op hun verzoek, als bedoeld in lid 1, in laatste instantie is beslist.

Artikel 40
De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten kan voorschriften uitvaardigen tot uitvoering van dit besluit en tot overgang van den bestaanden naar den nieuwen rechtstoestand. Voor zoover zulke voorschriften rechtsvoorschriften zijn, worden zij in de Nederlandsche Staatscourant afgekondigd.

Artikel 41

  1. Dit besluit treedt in werking op den dag zijner afkondiging.
  2. Het wordt aangehaald als 'Journalistenbesluit'.

's-Gravenhage, 2 Mei 1941

De Secretaris-Generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten:

T. Goedewaagen