Just Havelaar/ESAC

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
ESAC
Auteur(s) Just Havelaar
Datum Vrijdag 13 december 1929
Titel ESAC. (Expositions Sélectes d’Art Contemporain). Pulchri.
Krant Het Vaderland
Jg 61
Editie, pg {{{editie}}}, Avondblad C
Opmerkingen Nelly van Doesburg vermeld als mevrouw Van Doesburg, Jacobus Johannes Pieter Oud als Oud, John Rädecker als Rädecker, Piet Mondriaan als Mondriaan
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

ESAC. (EXPOSITIONS SÉLECTES D’ART CONTEMPORAIN).


Pulchri.


      Wij zijn ’t er allen over eens, dat de waarde van het kunstwerk door het onderwerp niet bepaald wordt. Waardoor dan echter wèl? Welke zijn de elementaire waarden der kunst? Verhouding, rhythme, het evenwicht der kleuren en lijnen, de expressie der kleuren en lijnen, het persoonlijke „handschrift”, de stijl.
      Elementarist noemt zich de ijverige theoreticus dezer abstracte kunst, Théo van Doesburg. De titel is goed gevonden.
      De beteekenis dezer kunst schijnt mij deze, dat zij die elementair-aesthetische waarden puur geeft, zonder bijmengsels. Het is haar kracht en haar beperking.
      Men ga naar deze tentoonstelling om te studeeren. Er zijn interessante dingen. En mevrouw van Doesburg, de organisatrice, heeft alle eer van haar werk. De schilderijen zijn voortreffelijk gehangen. Er is daardoor een éénheid geschapen, die het overzicht vergemakkelijkt.
      Wie hier tot onderscheid des oordeels komt, wie voor zichzelf weet, dat hij sommige dingen weergaloos echt vindt, andere zwak, of bedacht, of gelogen, wie de persoonlijkheden gaat herkennen (dit moet van denzelfde zijn, die ook dàt maakte, enz.), die heeft zich zeker in het elementaire wezen der kunst verdiept, ook al zal hij zich wellicht niet bewust kunnen maken, waarom het eene werk hem iets zegt en het andere niets. Zich dit bewust te maken is des te moeilijker, juist omdat wij hier de kunst in haar elementairste verschijning zien. Moeilijk rijpt het intuïtieve voelen tot een bewust verstaan.
      Men beginne zich duidelijk te maken, dat deze werken in volkomen ernst en in bezinnige zóó en niet anders zijn geschilderd. Men make het zich niet makkelijk (grapjes bv. zijn makkelijk).
      De propagandisten dezer kunst hebben door hun dogmatiek de sfeer vaak vertroebeld. Zij hebben hun aanvankelijke waarheid soms zoozeer met theorieën omkleed, dat ze geen waarheid meer zijn. In hun ijver hebben zij over de andere kunst dingen gezegd, die aan hun goede trouw doen twijfelen. Er zijn intellectueele baldadigheden door hen gezegd, die men moeilijk dulden kan. Nog in de Groene Amsterdammer van 30 November schrijft van Doesburg: „Het behoeft (daarom) geen nadere verklaring waarom het klassicisme en realisme geacht worden met kunst niets meer te maken te hebben: zij behooren tot het gebied der observatie en der documentatie. Als een jongen van 16 zooiets zegt, is het wel grappig. Er is ons te verstaan gegeven, dat de kunst der gepasserde vijftig eeuwen eigenlijk nog slechts een poover Ersatz was en dat de ware kunst, de kunst-an-sich, omstreeks 1914 begint.
      Simplistisch denken is onjuist denken. Nooit was Rembrandts Joodsche Bruidje een zoo groote uiting geworden, indien hij niet voor het motief had gevoeld (zeer menschelijk gevoeld nl.).
      Er wordt al te veel voorbij gezien. En in deze kunst blijft al te veel menschelijkheid verdrukt. Welk een verarming, indien deze rigoreuse abstracties den kunstvorm der toekomst bleven tot in lengte van eeuwen!
      Naar mijn persoonlijk gevoelen heeft dit werk de tendens de schilderkunst op te heffen en zou het tot zijn ware bestemming komen, indien deze schilders niet dingen in een lijst maakten, doch intérieurs schiepen.
      Intusschen mag de directe beteekenis van dit werk niet onderschat worden. M. i. heeft het reeds nu een onmiskenbaren invloed geoefend op het moderne vormgevoel en zelfs practisch op de moderne architectuur. Indien een beeldende kunst stijlscheppende kracht bezit, is zij nooit onbelangrijk en berust die kracht altijd op psychische factoren.
      Ik kan mij voorstellen, dat iemand, van deze tentoonstelling thuis komend, plotseling ontdekt zijn meer schilderachtige intérieur ontgroeid te zijn, of dat hij zich zelf [onleesbaar] meer te houden van een Japansche prent dan van Jaap Maris, meer van Wouda’s meubels dan van een Louis XV-stoeltje, meer van de architectuur van Oud dan van de Sint Pieter.
      Er gaat van zulk werk een zuiverende stijlkracht uit, ook al kunnen wij er m.i. niet bij blijven stilstaan (we kunnen nergens bij stilstaan) en ook al vinden wij het zeer gelukkig dat er nog Masereels zijn, Charley Toorops en Rädeckers, wier werk zoo oneindig rijker is aan menschelijke gevoelens. (Het woord menschelijk is noch in de gratie, noch in de mode, maar de wereld wordt me niet recht duidelijk meer, als ik de menschelijkheid uitschakel).
      Doch nu deze tentoonstelling in haar bijzonderheden.
      Niet alles is gelijk; nog minder is ’t alles gelijkwaardig. De werken van Van Doesburg b.v. schijnen wel gelijk aan die van Mondriaan, maar zijn zeker niet gelijkwaardig. Men begint de zuiverheid van den laatste eerst recht te begrijpen, door zijn composities te zien naast die van Van Doesburg. Men zou Mondriaan niet kunnen imiteeren; wel echter zou men een zijner werken volkomen kunnen copieeren zonder een grijntje artiest te zijn, want bij hem missen lijn, kleur en schilderwijze welbewust elk persoonlijk karakter. Het „handschrift” is hier volstrekt vermechaniseerd. Ik persoonlijk waardeer in Mondriaans latere werk bijna uitsluitend het negatieve: de zuiverheid en zijn waarlijk heroïsche stelselmatigheid en consequentie.
      De rijke, bloementeedere schoonheid van Severini’s kleurmozaïek zal makkelijk worden gevoeld, evenals Villons weeke kleursuggesties of de gedempte en gebroken toonwaarden van Daura. Zulke werken behouden een zekere visueele schoonheid. Maar veel machtiger en dieper vind ik de composities van Kupka. Zijn lijn heeft een zeer sterke spanning, een dynamische vaart, terwijl zijn stralende of zwaargestemde kleursymphonieën onmiddellijk treffen.
      Tegenover dit strenge, sterke werk is Férats bleek-blauwe, grijze en mauve stilleven een uiting van lichte, nerveuze bewogenheid, luchtig-sierlijk.
      In Miro’s visioen geloof ik niet; Cahn doet mij cerebraal aan. Kosnick-Kloss slap, Grotti problematisch, Fernandez fijn, maar schraal en bleekjes; Survage heeft blijkbaar zijn beste werk thuisgehouden. Maar het sombere en rulle werk van Garcia, het kristalachtig verklaarde van Shwab, het ephemaire en spiritueele van Tudundjian vertrouw ik onmiddellijk.
      Een dezer schilders houdt zich nog aan de natuurvormen: Campigli. Zijn vrouw voor den schildersezel kan als introductie dienst doen.
      Ongetwijfeld heb ik mij, naar het oordeel der elemtaristen, afschuwelijk geblameerd, zoowel door mijn affirmaties als door mijn negaties. Het zij zoo! La critique n’est qu’un monsieur....

Just Havelaar.