Keulemans Onze vogels 3 (1876)/42

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
41 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

42. De zebravink

43


[ Pl42 ]

Keulemans Onze vogels 3 42.jpg

[ 140 ]
 

DE ZEBRAVINK.

AMADINA CASTANOTIS.


De Zebravink bewoont een groot gedeelte van Australië, waar men hem in groote troepen vereenigd, in de uitgestrekte grasvelden van het binnenland, aantreft. Zijn naam is ontleend aan de fijne overdwarsche zwarte strepen aan den nek, krop en borst, doch men noemt hem ook Parelfazantje (ten gevolge der parelachtig witte vlekjes aan de zijden); Australiesch-fazantje, Goudvogeltje en Porceleinvogeltje. De Engelsche handelaren noemen hem Avadevat en Australian Waxbill.

Deze fraaije vogelsoort werd het eerst door Gould beschreven en is sedert de laatste twaalf jaren vrij menigvuldig naar Europa overgebragt. Het schijnt echter dat men veel vroeger, toevalliger wijze, voorwerpen in bezit heeft gekregen, want eenigen tijd geleden ontdekte ik een paar dezer vogeltjes, in eene verzameling opgezette dieren, welke gemaakt was, lang vóór Gould deze soort beschreef. Dit is meermalen het geval en ik houd mij overtuigd dat er dikwijls gekooide vogels worden aangevoerd, die nog niet wetenschappelijk beschreven zijn. Ten tijde de Zebravink zeldzaam was, namelijk tien jaar geleden, betaalde men in Engeland, drie pond sterling voor een paar, terwijl men er tegenwoordig hoogstens een derde van dien prijs voor overheeft. Daar ook deze vogeltjes, gereedelijk in gevangenschap voortteelen en zeer vruchtbaar zijn, kan men veronderstellen dat zij langzamerhand goedkooper en algemeener zullen worden.

In hun vaderland leven zij in grasvelden en broeijen er, even als ten opzigte der Afrikaansche Amadina's is waargenomen, in de takken van heesters, namelijk tusschen het digtste gedeelte van den struik. In struiken, en in oude nesten van groote vogels, heeft men wel eens de nesten van eene verwante vogel uit dezelfde lokaliteit, namelijk de Diamantvogel, aangetroffen doch het is nog niet bevestigd of ook de kleine Zebravink deze gewoonte heeft. Gould en andere reizigers melden [ 141 ] dat de Diamantvogel zich in het nest van den Arend binnendringt er voor zich zelf een hoekje uitzoekt, en dit met vederen, pluis en haar, tot een warm vertrek, in den woning van dien grooten heer, weet in te rigten. Daar ook de Zebravink, in gevangenschap het liefst in mandjes of tusschen takkebossen nestelt, is het niet onwaarschijnlijk dat hij in den natuurstaat eveneens in arendsnesten kruipt. Het nest van dit vogeltje is echter nooit hangend, of in opene plaatsen aangelegd, doch steeds verborgen.

Het mannetje is door zijne heldere kleuren, geringe grootte en natuurlijke tamheid, een onzer liefste kooivogeltjes. Bijgaande afbeelding stelt hem op natuurlijke grootte voor. Het wijfje is fletser gekleurd en de geelroode oorvlek ontbreekt. De jongen in het eerste vederkleed zijn geheel muisvaal op de bovendeden, met licht grijzen borst, geelachtig witten buik en vuil rosse zijden, zonder de witte vlekjes. De oorstreek is roodachtig grijs, de zwarte vlek langs het oog slechts onduidelijk vertegenwoordigd; de pooten zijn licht vleeschkleur, de snavel donker hoornbruin.

Het is een zeer opmerkenswaardig verschijnsel dat bij deze vogeltjes een zoo kennelijk verschil tusschen de seksen bestaat, daar bij bijna alle overige aan haar verwante vogelsoorten dierzelfde luchtstreek de seksen niet verschillen.

De Zebravink voedt zich met graszaad, bloesems en insecten; harde zaden eet hij niet, zelfs in gevangenschap is het noodig dat men harde zaden, zooals hennipzaad, eerst kneust alvorens men ze toediene.

Het broeijen dezer vogeltjes in de volière, gaat met weinig moeijelijkheden gepaard. De kooi behoeft slechts groot genoeg te zijn, om bij hen de lust tot nestbouw aan te wakkeren. Het is echter noodig hen hierin verder ter hulp te komen, daar anders het broeisel ligt verloren zou gaan. De volière moet in eene voor den wind beschutte plaats worden aangerigt en zooveel mogelijk met het front naar het zuiden gekeerd zijn. Eene groote kooi, ongeveer vier voet hoog en breed en twee tot drie diep, die buiten het huis geplaatst en 's nachts overdekt wordt, is reeds voldoende. Tegen de wanden of langs het geheele traliewerk, bevestige men kleine mandjes, met eene zijdelingsche opening; kleine houten kastjes of sleenen kruikjes (mits daartoe expresselijk vervaardigd) zijn even doelmatig; alleen zorge men dat er eene ruimte in overblijft, groot genoeg om een nest in te kunnen aanleggen. De bouwstoffen moeten in een bak of mand geplaatst of anders op den bodem neêrgestrooid worden; hooi, haar, vooral koehaar, [ 142 ] veêren en katoen zijn daartoe het meest geschikt, en koehaar wordt door deze vogeltjes boven al gewaardeerd. Omstreeks Mei, of als het weder warm is iets vroeger, begint de paartijd en dan zorge men dat de bouwstoffen in de kooi worden gebragt; de broeihokjes moeten dan reeds eenigen tijd gehangen hebben en door de vogels zijn opgemerkt. Voor vijf of zes paar vogels, bevestige men een dubbel aantal broeihoekjes, want behalve de eijernesten bouwen ze ook gaarne speelnesten en worden daarenboven nog aangemoedigd om onmiddelijk een ander nest in betrekking te nemen en een tweede broeisel voort te brengen. Zoodra de bouwstoffen in het bereik der vogels gebragt worden, beginnen de mannetjes reeds bekjes vol weg te slepen en binnen een dag of tien zijn de nesten gereed. Het gedartel en gejubel der kleine echtelingen houdt dan langzamerhand op en de wijfjes beginnen zich reeds te verschuilen; er heeft eene in 't oog vallende verandering plaats in de kooi; de mannetjes zien er ook ernstiger uit; ze zijn gejaagd, onrustig, ze hebben iets in het hoofd. Dit zijn de kenteekenen dat het wijfje reeds een eitje heeft gelegd. Gewoonlijk legt ieder wijfje er zes of zeven. Na dertien dagen (te rekenen van het laatste ei) komen de jongen uit en de nesten, die met zulk een zegen zijn bedeeld, kan men al dadelijk ontdekken aan de rustelooze houding en beweging van het mannetje en ook later van zijne wederhelft. Ieder paar heeft zijn eigen nest en de jongen der verschillende ouderparen komen gewoonlijk in dezelfde week uit, zelden verschilt dit, meer dan drie of vier dagen. Doch het gebeurt dikwijls dat de ouden der eerst uitgekomen jongen door de verpleeglustige kooimakkers, in het voeden hunner jongen worden bijgestaan, of liever dat de andere mannetjes hunne diensten vrijwillig aanbieden. Dan hebben er meestal oneenigheden plaats, want de gelukkige ouden verzetten zich vastberaden tegen bakers en kraamvisites. Het grootbrengen der jongen is in drie weken afgeloopen en na zeven of tien dagen (soms vroeger) legt het wijfje een tweede aantal eijeren. Het weder en andere omstandigheden hebben natuurlijk veel invloed op het geregeld broeijen der ouden en de ontwikkeling der jongen, doch meestal broeit toch ieder paar twee maal gedurende den zomer. Als het hevig regent, of bij onweder, moet men de kooi overdekken. Het voedsel moet gedurende den broeitijd uit gierst, in water geweekte en gemalen maïs, beschuitkruimels en gehakt ei bestaan, men houde de gierst afzonderlijk. Eenige stukgeknipte meelwormen menge men onder het gehakte ei.

In de Zoölogische tuin te Antwerpen, broeijen er jaarlijks honderden. De [ 143 ] eijeren dezer vogeltjes zijn licht blaauwachtig wit, met eenige zachtroode vlekjes aan de stompe zijde. Zij zijn bijzonder klein en uiterst dun van schaal, waarom het raadzaam is ze nimmer aan te raken.

Zang, in den eigenlijken zin des woords, bezitten deze vogeltjes niet, doch hun stemgeluid, eenvoudig als het is, is zeer liefelijk en helderluidend. Het is meer een gevarieerd gors-achtig gesjirp en niet dat eentoonige holle geroep (gekalfater als de zeelieden het noemen) dat men van Rijstvogels, Nonnetjes en de meest overige Oost-Indische dikbekken verneemt.

Het mannetje maakt uit zijne eenvoudige toonen, nog een heel aardig liedje en kweelt dikwijls uren lang voor het nest zijner broeijende wederhelft.