Kindertotenlieder

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Kindertotenlieder

Auteur Friedrich Rückert. Gustav Mahler
Genre(s) lied
Brontaal Duits
Datering 1901-1904
Vertaler August Agasi (2018)
Bron
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Kindertotenlieder op Wikipedia
NUN WILL DIE SONN' SO HELL AUFGEH'N


Nun will die Sonn' so hell aufgeh'n
Als sei kein Unglück die Nacht gescheh'n.
Das Unglück geschah nur mir allein.
Die Sonne, sie scheinet allgemein.

Du mußt nicht die Nacht in dir verschränken
Mußt sie ins ew'ge Licht versenken.
Ein Lämplein verlosch in meinem Zelt,
Heil sei dem Freudenlicht der Welt.


NUN SEH’ICH WOHL, WARUM SO DUNKLE FLAMMEN

Nun seh' ich wohl, warum so dunkle Flammen
Ihr sprühtet mir in manchem Augenblicke.
O Augen, gleichsam, um in einem Blicke
Zu drängen eure ganze Macht zusammen.

Doch ahnt' ich nicht, weil Nebel mich umschwammen,
Gewoben vom verblendenden Geschicke,
Daß sich der Strahl bereits zur Heimkehr schicke,
Dorthin, von wannen alle Strahlen stammen.

Ihr wolltet mir mit eurem Leuchten sagen:
Wir möchten nah dir immer bleiben gerne!
Doch ist uns das vom Schicksal abgeschlagen.
Sieh' recht uns an, denn bald sind wir dir ferne!

Was dir noch Augen sind in diesen Tagen:
In künft'gen Nächten sind es dir nur Sterne.


WENN DEIN MÜTTERLEIN

Wenn dein Mütterlein
Tritt zur Tür herein,
Und den Kopf ich drehe,
Ihr entgegen sehe,
Fällt auf ihr Gesicht
Erst der Blick mir nicht,
Sondern auf die Stelle,
Näher nach der Schwelle,
Dort, wo würde dein
Lieb Gesichtchen sein.
Wenn du freudenhelle
Trätest mit herein,
Wie sonst, mein Töchterlein.

Wenn dein Mütterlein
Tritt zur Tür herein,
Mit der Kerze Schimmer,
Ist es mir, als immer
Kämst du mit herein,
Huschtest hinterdrein,
Als wie sonst ins Zimmer!
O du, des Vaters Zelle,
Ach, zu schnell
Erlosch'ner Freudenschein!


OFT DENK' ICH, SIE SIND NUR AUSGEGANGEN

Oft denk' ich, sie sind nur ausgegangen,
Bald werden sie wieder nach Hause gelangen.
Der Tag ist schön, o sei nicht bang,
Sie machen nur einen weiten Gang.

Ja wohl, sie sind nur ausgegangen,
Und werden jetzt nach Hause gelangen.
O, sei nicht bang, der Tag ist schön,
Sie machen einen Gang zu jenen Höh'n.

Sie sind uns nur voraus gegangen,
Und werden nicht wieder nach Hause verlangen!
Wir holen sie ein auf jenen Höh'n im Sonnenschein!
Der Tag ist schön auf jenen Höh'n!


IN DIESEM WETTER, IN DIESEM BRAUS

In diesem Wetter, in diesem Braus,
Nie hätt' ich gesendet die Kinder hinaus;
Man hat sie getragen hinaus,
Ich durfte nichts dazu sagen!

In diesem Wetter, in diesem Saus,
Nie hätt' ich gelassen die Kinder hinaus;
Ich fürchtete sie erkranken,
Das sind nun eitle Gedanken.

In diesem Wetter, in diesem Graus,
Nie hätt' ich gelassen die Kinder hinaus;
Ich sorgte, sie stürben morgen,
Das ist nun nicht zu besorgen.

In diesem Wetter, in diesem Graus!
Nie hätt' ich gesendet die Kinder hinaus!
Man hat sie hinaus getragen,
Ich durfte nichts dazu sagen!

In diesem Wetter, in diesem Saus, in diesem Braus,
Sie ruh'n als wie in der Mutter Haus,
Von keinem Sturm erschrecket,
Von Gottes Hand bedecket.



NU DE ZON VOL LUISTER DE HEMEL KLEURT

Nu de zon vol luister de hemel kleurt,
Is het alsof vannacht geen ongeluk is gebeurd.
Het ongeluk overkwam slechts mij alleen,
De zon, zij schijnt voor iedereen.

Laat niet de nacht in jou blijven bestaan,
Laat deze in het eeuwige licht opgaan.
Een lichtje in mijn gesternte is gedoofd,
Het vreugdelicht der wereld zij geloofd!


NU WEET IK ,WAAROM JULLIE ZULKE DONKERE VLAMMEN

Nu weet ik, waarom jullie donkere vlammen
Naar mij sproeiden in zo menig ogenblik,
O ogen , als het ware, om in één enkele blik
Jullie hele macht in samen te ballen.

Had geen vermoeden, door nevel ontsloten,
Geweven door een lot verhuld voor het oog,
Dat de straal zich reeds naar huis afboog,
Naar ginds vanwaar alle stralen ontsproten.

Jullie wilden mij stralend overtuigen:
Voor altijd bij jou zijn, hadden wij gewild,
Maar moesten ons voor het noodlot buigen.
Zie ons goed aan, want weldra zijn wij verstild!

Waar thans onze ogen nog van getuigen,
Straks dient je hoofd ’s nachts naar de sterren getild.


HOOR IK MOEDERTJE LOPEN

Hoor ik moedertje lopen
Doet zij de deur open,
Wend ik mij voordien,
Om haar te kunnen zien,
Niet op haar gezicht
Is mijn blik gericht,
Op een punt daaronder
Richt ik mij bijzonder,
Daar zou moeten zijn
Jouw gezichtje fijn,
Wanneer jij altijd monter
Kwam in de kamer gezwind
Als ooit mijn lieve kind

Hoor ik moedertje lopen
Doet zij de deur open,
In schemerig kaarslicht,
Zie ik immer jouw gezicht
Als kwam je haar weldra,
Al huppelend achterna,
Stralend in het licht!
O, ster in je vaders firmament,
Ach, hoe wreed permanent
Zijn je stralen uitgedoofd!


VAAK DENK IK, ZIJ ZIJN SLECHTS UITGEGAAN

Vaak denk ik, zij zijn slechts uitgegaan!
Spoedig zullen zij weer op huis afgaan!
De dag is mooi, o wees niet bang,
Zij maken het heus niet al te lang.

Ja zeker, zij zijn slechts uitgegaan,
En zullen nu naar huis toe gaan.
O wees niet bang, de dag kent geen gevaar!
Zij lopen naar gindse heuvels daar!

Zij zijn ons enkel vooruitgegaan,
En talen niet meer naar het huiselijk bestaan!
Wij halen hen in op gindse hoogten zon belicht!
De dag is mooi op ginds vergezicht!


IN DIT WEER, IN DIT GEFLUIT

In dit noodweer, in dit gierend geluid,
Nooit stuurde ik de kinderen erop uit;
Men heeft ze het huis uit gedragen,
Ik mocht er niet over klagen!

In dit noodweer, in dit aanhoudend gefluit,
Nooit had ik gelaten de kinderen eruit,
Ik vreesde optredende klachten,
Dat zijn nu ijdele gedachten.

In dit noodweer, dat ons gruwelijk omsluit,
Nooit had ik gelaten de kinderen eruit;
Ik beschikte, zij stierven morgen,
Nu kan men hen niet bezorgen.

In dit noodweer, dat ons gruwelijk omsluit!
Nooit zond ik de kinderen er op uit!
Men heeft hen naar buiten gedragen,
Ik mocht er niet over klagen!

In dit noodweer, in dit gegier, in dit gefluit,
Rusten zij zoals bij moeder thuis uit,
Door geen storm verschrikt,
Door Gods hand wel beschikt.