Kleine gedigten/Het onweder

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De vegtende jongens Het onweder van Hieronymus van Alphen Claartje, bij de schilderij van hare overleden moeder
Uit Kleine gedigten voor kinderen

Het onweder

Hoe schoon schiet daar de bliksem neêr!
Hoe statig rolt de donder!
De wolken pakken saam, of drijven heen en weêr;
Terwijl ik in dat al, gedugte Hemelheer!
Uw Majesteit bewonder.

Nu is 't voorbij; een frische lugt
Omringt mij, waar ik ga, en doet de vogels zingen.
Ik zie een nieuwen glans op boom en veld en vrucht;
Maar, eeuwig God! gij blijft gedugt,
Zelfs in uw zegeningen.


Wat zie ik, Caatje! hoe, gij beeft?
Ach wilt daar nooit voor vreezen!
't Is een geschenk dat God ons geeft,
En daarom, lieve meid, moest Caatje dankbaar wezen.