Kritiek van de zuivere rede/Voorrede tot de tweede oplaag (1)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
    Kritiek van de zuivere rede   
Inhoud
Index

Of het zich toeleggen op de kennis, die tot het domein van de rede behoort, de zekere gang van een wetenschap gaat of niet, dat laat zich weldra uit het gevolg beoordelen. Wanneer dit na veel gemaakte aanzetten en toebereidselen, zodra het tot een doel komt, tot stokken geraakt, of, om dit te bereiken, vaker wederom teruggegaan en een andere weg ingeslagen moet worden; insgelijks wanneer het niet mogelijk is, de verscheidene medewerkers in de kunst, als het gemeenschappelijke opzicht gevolgd moet worden, eenstemmig te maken: zo kan men er immer van overtuigd zijn, dat zulk een studie bij langen na nog niet de zekere gang van een wetenschap ingeslagen is, maar enkel een om-zich-tasten zij, en het is alleen al een verdienste voor de rede, deze weg waar mogelijk gevonden te laten zijn, ook zal menige zaak als vergeefs opgegeven moeten worden, die het voorheen genomen doel, zonder overlegging, behelsde.

Dat de logica deze zekere gang al vanaf de oudste tijden ingeslagen zij, laat zich daaruit blijken, dat die sinds ARISTOTELES geen schrede terugwaarts had hoeven doen, wanneer men wat deze betreft niet iets van het banen der weg door enige ontbeerlijke subtiliteiten, of duidelijkere bestemming van het gegevene als verbeteringen aanreiken wil, welke echter meer tot de elegantie, als tot de zekerheid der wetenschap behoren. Merkwaardig is nog aan deze, dat die ook tot nu toe geen schrede voorwaarts had kunnen doen, en ook in alle aanzien gesloten en voleindig schijnt te zijn. Want, wanneer enige nieuwere lieden die daardoor dachten te kunnen uitbreiden, dat deze deels psychologische hoofdstukken van de verscheidene kenvermogens (van de verbeeldingskracht, het weten), deels metafysische over de oorsprong der kennis of van de verscheidene kunsten der gewisheid naar verscheidenheid der objecten (van het idealisme, scepticisme, &c.), deels antropologische van vooroordelen (van de oorzaken van hetzelve en tegenmiddelen) daaraan lieten aansluiten, dan zet hun onkunde aangaande de eigenaardige natuur van deze wetenschap hen hiertoe aan. Het is niet vermeerdering, maar redevermindering der wetenschappen, wanneer men hun grenzen in elkaar overlopen laat; de grens der logica echter is daardoor gans precies bepaald, dat die een wetenschap is, welke niets dan de formele regels van alle denken (het mag A PRIORI of empirisch zijn, een oorsprong of object hebben, welke het wil, in ons gemoed toevallige of natuurlijke hindernissen aantreffen,) uitvoerig stelt en streng bewijst.