Limburger Koerier/Jaargang 47/Nummer 216/Oud IJzer?

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Oud IJzer? [1]’ door M. de Ras
Afkomstig uit de Limburger Koerier, woensdag 28 december 1892, tweede blad, [p. 1]. Publiek domein.


[ tweede blad, 1 ]

Oud IJzer?

– – –

I.

 Wie heeft het harder te verantwoorden gehad, de Minister van Marine of die van Oorlog bij de behandeling der jongste Staatsbegrooting?
 ’t Is moeielijk te zeggen, – beiden hebben hun leven ontegenzeggelijk aan den politieken toestand van het oogenblik te danken gehad. – Om dien te redden, is een deel der liberale phalanx door dik en dun gegaan, en heeft zij zich in de oogen harer eigene partij ten zeerste gecompromiteerd.
 Vóór het amendement der commissie van rapporteurs te stemmen, – welke commissie voorstelde om dezen Minister van Marine de door hem aangevraagde drie schepen, type A, niet toe te staan, – moest beteekenen: tegen de begrooting te stemmen, bijaldien het amendement verworpen werd.
 En het amendement werd verworpen met 46 tegen 44 stemmen.
 Bij de eindstemming echter gingen een tiental liberale leden van front veranderen, zoodat het hoofdstuk zelf met 56 tegen 35 stemmen aangenomen werd.
 Wat was de reden van deze volte-face? Vrees voor verwerping der begrooting, of.... pressie van ministeriëele zijde, of wel.... beide, en het kennelijk doel om dezen schotel voor de Eerste Kamer meer smakelijk te maken?
 Dat er iets gebeurd is, is zeker. Maar in zulke gewichtige zaken mag men niet met de millioenen der belasting-schuldigen spelen.
 Zie, daar komt een Minister van Marine, die tot de volksvertegenwoordiging zegt:
 „Ik ben de man die de marine uit haren staat van verval kan opbeuren, ik heb een stelsel, goed en goedkoop, zooveel groote, zooveel kleine schepen, alles en alles voor 35 millioen? Ik ben dus goedkooper dan de indertijd tot dit doel benoemde commissie, die 58 millioen vroeg.
 Nu worden de plannen van dien Minister in de afdeelingen onderzocht, en het blijkt dat er ernstige bezwaren rijzen, bezwaren die een vrij scherpe critiek in het leven roepen.
 En wat doet nu de Minister?
 Een, twee, drie gooit hij zijn stelsel overboord en zegt in de Memorie van Antwoord:
 „Nu, Mijne Heeren, ik doe het ook voor de 3 schepen, Type A, geef mij die slechts en ik laat de rest vallen.“
 Wie kan vertrouwen hebben in zulk een Minister? De Kamerleden Goekoop, Rutgers, Smit en vooral Guyot toonden zulks ten duidelijkste aan.
 Kon de Minister nu nog maar bewijzen dat de bewuste schepen, Type A, goed en deugdelijk waren? Maar daar ontbrak veel aan.
 De heer Lieftink wees er op, dat dit type veroordeeld was, en n. b. nog wel in eene vergadering van zee-officieren te den Helder, onder presidium van den kapitein-luitenant ter zee A. G. Ellis, gehouden. Geen enkele stem, zeide hij, is opgegaan tot het in-bescherming-nemen van dit type, dat alleen reeds om zijn geringe snelheid niet deugt.
 Als ze klaar zijn, uwe drie schepen, zeide hij, zult ge boven ieder kunnen schrijven:
 „Dit schip is oud,
 ’t Is pas gebouwd.”
 En wat zeide de heer van Houten?
 – „Ik sta hier langer dan 20 jaar te vechten tegen onnutte uitgaven, en ik heb op het gebied der marine menige nederlaag geleden, maar het is eene satisfactie, waarbij iemand de tranen over de oogen loopen, om de Memorie van Toelichting dezer begrooting te lezen, en te zien wat de gevolgen zijn van de overwinningen die door de Marine-ministers op ons zijn behaald.
 En indien dit nog maar zoo ware zonder schuld van de zijde der marine! Wel heeft de minister gisteren zijn voorgangers trachten vrij te pleiten, maar men behoeft slechts de vroegere discussien na te lezen, om te weten, dat van de schepen die wij hebben – behalve zij die speciaal voor de verdediging der zeegaten en van de Zuiderzee dienen, – ook bij de aanneming reeds bekend was dat, wanneer zij waren afgebouwd, zij reeds weder onvoldoende zouden zijn.
 Op al wat wij gebouwd hebben was het woord van Saint-Bon, den Italiaanschen Minister van Marine, van toepassing. Hij zeide: „Wat gij hebt is oud ijzer.“
 Een volgende week hierover meer.

M. de Ras.