Limburger Koerier/Jaargang 48/Nummer 1/Een man

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Een man’ door Dr. Schaepman
Afkomstig uit de Limburger Koerier, maandag 2 januari 1893, [p. 1]. Publiek domein.
[ 1 ]

EEN MAN.

 Onder dit hoofd schrijft Dr. Schaepman in het „Centrum“:

 In de geweldige dagen, die het Fransche volk op dit oogenblik doorleeft, is men bijna geneigd aan het voortbestaan van dit volk te twijfelen. Een Godsgericht schijnt zich te voltrekken met zoo onverbiddelijke en weêrgalooze gestrengheid, dat de majesteit van den Rechter op den achtergrond treedt voor het onteerende der straf. Van een tragische verhevenheid is bij hetgeen wij aanschouwen geen sprake. In het jaar der verschrikking 1870 rolde de donder en joeg de biksem rond. Het tooneel was het slagveld, zwart van lijken, rood van bloed. Nu is het tooneel het speelhol, verklikkerij en spionage sijfelen en schreeuwen, de wisselbrieven zwieren door de lucht en alles valt in slijk.
 De strijd, dien het Fransche volk inde eeuwjaren der groote Revolutie heeft te doorstrijden, is meer dan een strijd om het bestaan; het is een strijd om de eer, om het karakter. Het gaat niet meer om de eerste of tweede plaats, het gaat om een plaats in de rij der natiën. Het is geen vraag meer over een regeeringsvorm, het is de vraag over het zijn of niet-zijn van een volk.
 Op zulk een oogenblik is het goed zich het hart te verkwikken aan de beschouwing van een man uit dat volk, die in den hoogsten en heiligsten zin een man was, een man naar de volle geaardheid van zijn volk.
 Hij, wiens beeld ik aldus eenige seconden lang wil vasthouden, rust nu in het door hem aangewezen graf in het heete Afrikaansche zand. De kardinaal de Lavigerie is een van die personen, wier grootheid men teekent met éen woord: een man. Men behoeft er niets bij te voegen, iedere bijvoeging neemt iets van de lofspraak af.
 Naast zulk een man zijn wij allen slechts menschen. Dat is het teeken, waaraan men hen erkent. Wij behouden al het betrekkelijke, al het eindige, al het onvolmaakte, wij gaan en struikelen en vallen en wij zijn de minste nog niet, als wij weder verder gaan. Wij zijn het afhankelijke, het zoekende, het helpende en geholpene, Zij, de mannen, zijn de scheppers en de koningen, met altijd vruchtbare kracht en altijd overwinnende heerschersgave. Goedheid en majesteit zijn bij hen onafscheidelijk vereenigd. Als geboren hoofden gaan zij altijd aan de spits, maar door geheel de rij hunner scharen stroomt hun geestdrift, vlamt hun bezieling. De harmonie van hun gaven, de éenheid van hun leven en arbeid werpt over al hun daden het gouden licht der schoonheid. Op al hun werken prijkt het zegel der oorspronkelijkheid, dat alleen behoort aan deze eerstgeboren, deze souvereine beelddragers Gods.
 Zie den kardinaal de Lavigerie.
 Indien gij hem wilt teekenen, dan kunt gij een reeks van trekken bijeenvoegen. Gij kunt hem noemen met een klankvolle rij van namen. Gij moogt gewagen van zijn geloofsmoed en zijne liefde-ijver, zijn beradenheid en zijne volharding, zijn geestdriften zijn beleid; gij kunt hem roemen als een geleerde, een redenaar, een held, een apostel, een staatsman, een wereldontdekker, een volkenwinner, gij kunt spreken van een heilig priester en een groot kerkvoogd, van een denker met breede gedachten en een dichter met grootsche idealen – indien gij alles in één woord wilt te zamen vatten dan zegt gij: een man. Niet een groot man, maar een man dat is het grootste. Een volkomen man naar de mate der volle mannelijkheid van Christus.

 Deze man nu was eeu echte zoon van het groote Frankrijk.
 Men behoefde hem slechts te zien om het te erkennen.
 In hem was levendigheid en rust, blijmoedigheid en ernst, teederheid en kracht. Men kon het dezen met een soort van statige achteloosheid neerzittenden patriarch aanzien, dat hij in een oogwenk gereed zou zijn, om in den zadel te springen en ten strijde te gaan. Hij had met zijn landgenooten het open oog voor het kleurige en sierlijke gemeen; er is vorstelijke zwier in de wijze, waarop hij zijn purper draagt; hij vindt dat purper fraai, niet alleen als symbool van het martelbloed, maar ook als kleur, als toon. Als alle groote mannen van zijn volk is hij de man van de daad, niet alsof het hem ontbrak aan ideeën, maar voor hem was de daad, was het doen het hoogste. Zoo behoort hij tot het geslacht van Clovis, die de Passie hoort lezen en losbarst: „was ik slechts daar geweest met mijn Franken„; zóo tot het geslacht van Jeanne d’Arc, zóo tot het geslacht van Vincentius a Paulo, de groote wrochters van groote daden. Het Fransche volk, heette het, waagt altijd zijn leven voor een idee; dat is de sprekende trek. Geen bespiegeling, geen beschouwing, geen zich verdiepen en zich verliezen in geestelijke geneuchten, in heldere of schemerende droomerij. Doen, strijden, offeren, bloeden of winnen, ziedaar de kern van dit volkskarakter. Het is de pit en het merg van zijn edelmoedigheid, zijn frissche kloekheid, zijn onbedwingbare veerkracht. Aan anderen de wijsheid, het kennen en het zien; aan den zoon van Frankrijk de daad.
 De daden van den kardinaal de Lavigerie staan hecht als de Pyramieden langs de heirbaan onzer negentiende-eeuwsche historie. Maar zij zijn geen Pyramieden, geen monumentale graven. Zij staan langs den weg als vruchtbare, hoogopgeschoten en breedgekroonde palmen, den zwerver schaduw biedende en brood.
 Wat de daden van den kardinaal boven alles adelt, dat is de afwezigheid van alles wat op egoïsme gelijkt. De geestelijke vorm van dit alles overheerschend menschelijke ontbreekt hier evenzeer als de stoffelijke: hier is geen ijdelheid, hier is geen baatzucht. De kardinaal was te groot om aan zichzelf als een grootheid te denken; voor vergelijkingen, het lievelingsspel der ijdelheid, ontbrak hem de tijd. Van baatzucht had hij zelfs geen begrip. Het is aardig om waar te nemen hoe weinig hij zelfs bij anderen de baatzucht begreep. Na den toost te Algiers – eender groote daden van den kardinaal – vonden eenige zijner hoog-adellijke en monarchaal gezinde vrienden het gepast hem een blijk van hunne ontevredenheid toe te dienen. Zij hielden hun bijdragen tot zijne machtige liefdewerken in om het met een Hollandsche, niet zeer aristocratische, maar hier uiterst teekenachtige uitdrukking te zeggen: Zij trokken de melk op. Men moet de reusachtige, toch goedlachsche verbazing zien, waarmee de kardinaal – men had doen verstaan, dat zijn toost hem eenig honorair had bezorgd! – deze bizonderheid verhaalt. Chariteit en politiek, zijn plicht of geld, – hoe was het mogelijk tusschen deze dingen verband te zoeken en... te vinden?
 Inderdaad, het is een vertroosting in deze dagen op een gestalte als die van den kardinaal de blikken te doen rusten. Een vertroosting, maar een weemoedige. Het mag misschien niet anders in deze wereld, waarin naast al het hooge en heilige een smart staat, en de krib van Bethlehem geplaatst is in een stal en het Gloria in excelsis en het pax in terra weerklinken tusschen de weigering aan de herberg en de moorddadige vragen van Herodes. Het eigen volk, zijn Frankrijk, heeft dezen man niet gekend, niet hem heeft het genoemd le grand Français; hij was slechts een man des kruises. Bij zooveel laatdunkendheid en zooveel overmoed, rijst de vraag, of er geen geweldig vonnis ligt in dit feit, dat juist op dit tijdsgewricht deze man aan zijn vaderland ontviel.

– – –