Mathieu Lauweriks/Verslag van de 1137ste gewone vergadering

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Verslag van de 1137ste gewone vergadering [...]
Auteur(s) De redacteur
Datum Zaterdag 1 maart 1902
Titel ‘Verslag van de 1137ste gewone vergadering op woensdag 26 Feb. 1902 gehouden in het genootschapslokaal Parkzicht’
Tijdschrift Architectura
Jg, nr, pg 10, 9, 68
Opmerkingen Hendrik Petrus Berlage vermeld als H.P. Berlage, Joseph Cuypers als Jos.Th.J. Cuijpers, Jonas Ingenohl als Ingenohl, Lodewijk Hermanus Epeus van Hylckama Vlieg als Hylckama Vlieg, Jan Hessel de Groot als De Groot
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron [1]
Auteursrecht Publiek domein

VERSLAG VAN DE 1137ste
GEWONE VERGADERING
OP WOENSDAG 26 FEB.
1902 GEHOUDEN IN HET
GENOOTSCHAPSLOKAAL
PARKZICHT.


DE Voorzitter, de heer H. P. BERLAGE, opent de vergadering en verzoekt lezing der notulen, die onveranderd worden goedgekeurd, waarna hij mededeelt, dat de aangekondigde voordracht van JOS. TH. J. CUIJPERS niet zou worden gehouden, omdat de heer CUIJPERS bericht had gezonden, dat hij verhinderd was.
      Onder de ingekomen stukken was ook een schrijven van den heer SLUIJS VEER over de begrooting 1902, waarover de behandeling werd uitgesteld, totdat de heer S. V. ter vergadering zou zijn gekomen.
      De heer MOL schreef, dat hij den heer JESSURUN DE MESQUITA als lid voorstelde, daarover zou in de volgende vergadering worden geballoteerd.
      Thans was aan de beurt het kiezen der uit te schrijven prijsvragen voor 1902. Voor de eerste prijsvraag stelde het bestuur, na eenige voorafgaande besprekingen, voor te nemen een concertgebouw en voor de tweede prijsvraag een publiek badgebouw, hetgeen werd aangenomen. Voor de derde prijsvraag werd gekozen het plafond voor een feestzaal, voor de vierde een omslag voor de „Architect,« voor de vijfde een slaapkamerameublement en voor de zesde een schriftelijke prijsvraag, een antwoord op de vraag »Welke is de roeping onzer moderne bouwkunst?” Al deze door het bestuur uitgekozen onderwerpen werden aangenomen alleen zou eene wijziging gebracht worden in de redaktie der zesde prijsvraag, want de vergadering was van oordeel, dat ieder wel wist »wat de roeping was onzer moderne bouwkunst” en dat er dus meer bedoeld was, wat de roeping was onzer moderne bouwkunst in verband met de eischen van dezen tijd.
      Hierop volgde de door den heer JOS. TH. J. CUYPERS verschafte kunstbeschouwing van het kostbare plaatwerk: La Messe van R. DE FLEURY, hetwelk bekeken werd met de geheel bijzondere belangstelling, waartoe bouwkundigen soms in staat zijn.
      Daar de heer VAN DER SLUIJS VEER inmiddels ter vergadering was gekomen, stelde de voorzitter aan de orde de behandeling van diens ingekomen stuk over de begrooting van 1902. De heer S. V. deelde mede, dat de begrooting op de vorige vergadering was aangenomen, dus dat de zaak was afgedaan, doch daar in de notulen was vermeld dat de begrooting was goedgekeurd door de vergadering als geheel en hij op die vergadering tegenwoordig was geweest, het den schijn droeg alsof ook hij die begrooting goedkeurde, hetgeen niet het geval was, vandaar zijn schrijven met het verzoek die in de notulen te willen vermelden.
      De heer K. VAN LEEUWEN verklaarde het met den heer S. V. eens te zijn.
      De heer INGENOHL zeide, dat de begrooting veertien dagen ter visie gelegen had en dat door een verzuim zij niet op de agenda voor de 1137ste gesteld was. De voorzitter verklaarde, dat men bij het besluit der vorige vergadering moest blijven of er op terugkomen. Tot het laatste werd besloten en de heer SLUIJS VEER, daartoe aangezocht, deelde mede, dat hij het aanstellen van een gesalariëerd redacteur goedkeurde als de kas het gedoogde, dit laatste was echter niet gebleken ondanks de verzekeringen van den heer INGENOHL en de verschillende voorstellen om het benoodigd bedrag te vinden op sommige posten enz. Ook vond hij ƒ50.— voor een boekhouder voldoende en kon hij evenmin de aanstelling van een gesaliëerd assistent-bibliothecaris goedkeuren.
      De heer INGENOHL antwoordde, dat hij niet bedoeld had dat A. ET A. vijfhonderd gulden overhad, doch dat hij meende, dat het bedrag wel zou kunnen gevonden worden.
      De heer HYLCKAMA VLIEG vond, dat het minder de vraag was of de kas deze meerdere uitgaven toeliet doch of het noodig was om deze uitgaven te doen.
      De heer DE GROOT deelde mede, dat de bibliotheek nog niet in orde was en dat het veel tijd kostte om bibliotheek en tijdschriften goed te behandelen.
      Na uitvoerige bespreking werd besloten om te stemmen voor of tegen nieuwe behandeling der begrooting, waarvan de uitslag was 11 stemmen voor, 6 tegen en 4 blanco, zoodat daardoor besloten werd om de begrooting op de volgende vergadering nogmaals te behandelen na voorafgaande kennisgeving op de agenda dier vergadering.
      De heer V. D. SLUIJS VEER verzocht om deze behandeling niet te doen plaats hebben voor half tien daar hij er dan bij kon zijn — dit werd aangenomen.
      Hierna werd de kunstbeschouwing voortgezet en daarna niets meer aan de orde zijnde, de vergadering gesloten.

DE REDACTEUR