Max Havelaar of de Koffij-veilingen der nederlandsche Handelmaatschappij - Deel 6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Max Havelaar of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Proloog - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 28 - 29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38


Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg die de afdeeling Pandeglang verbindt met Lebak[1] "Groote weg" is misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid en bij-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig rijtuig vertrok van Serang, de hoofdplaats der residentie Bantam, met het voornemen zich te begeven naar Rangkas-Betoeng, de nieuwe hoofdplaats van 't Lebaksche, kon men nagenoeg zeker zijn, te-eeniger-tijd daar aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder, die in de Bantamsche laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastbij gelegen dorpen – ook al waren ze niet zéér nabij, want de dorpen zijn niet menigvuldig in die streken – maar als men er dan eindelijk in geslaagd was, een twintigtal landbouwers uit den omtrek bij-een te krijgen, duurde het gewoonlijk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers – in Europa zou men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets wat met deze loopers overeenkomt – die onvergelijkbare loopers dan, met hun korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zijde van het vierspan, kreschen onbeschrijfelijke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder den buik. Zóó hoste men dan eenigen tijd voort, tot het verdrietig oogenblik weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en... sukkelde verder.

Dikwijls, als ik dien weg langs ging, was 't mij als zou ik hier of daar een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelijk zijn aangeland waar ze wezen wilden.

Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in 't Lebaksche. De eigenlijke heirbaan met zijn vele zijtakken, die de maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen [2] is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zijn benijders en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker opwekt en verdient.

Geen paardenposterij dan ook in Europa – zelfs niet in Engeland, Rusland of Hongarije – kan met die op Java worden gelijk gesteld. Over hooge bergruggen, langs diepten die u doen ijzen, vliegt de zwaar bepakte reiswagen in één galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld, uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met ijzeren arm. Hij weet juist te berekenen waar en hoeveel hij de hollende paarden moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan dien hoek...

– Mijn God, de weg is... weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren reiziger, daar is geen weg... daar is de diepte!

Ja, zoo schijnt het. De weg kromt zich, en juist als één galopsprong verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en... de afgrond ligt achter u.

Er zijn, bij zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op de raderen aan de buitenzijde van den boog dien ge beschrijft: de middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven. Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor 't eerst op Java reist, schrijft aan zijn familie in Europa, dat hij in levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om dien angst.

Het is mijn doel niet, vooral niet in het begin van mijn vertelling, den lezer lang bezig te houden met het beschrijven van plaatsen, landschappen of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hij voor mij gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik mijn hart heb lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schijnt geplaatst te zijn om een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzijdig vertoog over middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelijken op elkaar. Onveranderlijk zijn ze van heterogeene bouworde. Het corps de logis dagteekent altijd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die onder dezen of genen lateren koning daarbij zijn gevoegd. De torens zijn in vervallen staat...

Waarde lezer, er zijn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom, een ideaal, een verzinsel, onverdragelijke grootspraak! Er zijn halve torens, en... torentjes.

De geestdrijverij die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel moet wijzen, rust, gewoonlijk een paar omgangen te laag, op de massieve bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dijen op de kermis. Alleen torentjes, kleine naaldjes op dorpskerken, zijn afgewerkt.

Het is waarlijk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hij geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl... van 't geloof in de harten des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten... van den invloed der denkbeelden die zùlk een kolos noodig hadden om als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig gevoel... en hij vergelijke deze overspanning met de richting, die eenige eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte.

Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters! Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen aanhechten? Zal men terugvinden in onze dagen, wat toen de kracht uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te bekomen zijn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat dáár stond als een onbewegelijk voortdurend eeuwig gebed.

  1. Pandeglang en Lebak. Hier voor 't eerst had ik 't genoegen een paar namen voluit te schrijven, die in vorige uitgaven met puntjes verminkt waren. Tot op dit oogenblik toe kende een zeer groot getal lezers den naam niet van de provincie waar de in Havelaar behandelde voorvallen plaats grepen. Men moest zich vergenoegen met den klank Leb. En dat zoo'n storende terughouding nadeelig gewerkt heeft, zoowel op het schilderachtige der voorstelling als op 't betrouwbare van m'n beweringen, spreekt vanzelf. Dit was dan ook 't doel van dat verraderlijk kastreeren. Men zie hierover de zoo-even aangehaalde Noot op Idee 289. De Engelschman Wallace--die nota bene de engelsche vertaling van den Havelaar niet onder de oogen gehad heeft, want dáárin staan namen en datums voluit gedrukt--ontzegt aan m'n werk alle waarde omdat ik geen plaatsen en dagteekeningen opgeef. Men heeft mij verzekerd--of 't waar is, weet ik niet--dat de heer Van Lennep m'n handschrift ten-geschenke heeft gegeven aan de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Indien ik hierin wèl geïnformeerd ben, zou dat Genootschap in de gelegenheid zijn te onderzoeken of 't mijn schuld is, dat in vorige uitgaven de namen van plaatsen en personen of de dagteekeningen met lafhartige puntjes gespeld zijn? EDD
  2. Groote weg over Java. Deze weg loopt van Anjer, aan straat Soenda gelegen en dus een der westelijkste punten, tot aan Banjoewangie, dat aan 't Zuidoostelijk uiteinde des lands, tegenover Bali ligt, en is 270 uur gaans lang. Het aanleggen daarvan was een reuzenwerk, en kon dan ook slechts ten-einde worden gebracht door 'n man als Daendels die aan groote wilskracht, verregaande minachting voor bijzondere belangen paarde. De blijken die van z'n ruwheid worden verteld, loopen in 't ongelooflijke. Toch zijn er in zekere gevallen menschen van die soort noodig. Ik beweer dat er ook thans behoefte is aan personen die moed en kracht hebben om op eigen verantwoordelijkheid te breken met den sleur. Waarlijk, er zijn heden-ten-dage in ons Indie dingen te verrichten, waarbij die postweg kinderspel is! Of de Daendels die daartoe verwacht en gewenscht wordt, zou kunnen volstaan met de eigenschappen die 'n zeventig jaar geleden aan de eischen beantwoordden, blijft te betwijfelen. Ik spreek in den tekst van "bezwaren die z'n tegenstanders in 't Moederland hem in den weg legden." Wat is in ònzen tijd het lot van iemand die in Indiën iets verbeteren wil? Hoe zwaar Daendels taak ook moge geweest zijn, hij had niet te worstelen met 'n wijsneuzige Tweede Kamer en de ministerschappen die uit zoo'n Kamerregeering voortvloeien. Wat overigens onzen "Maarschalk" aangaat--maréchal de Hollande, namelijk, want na de inlijving werd-i teruggezet tot generaal--ook ten zijnen opzichte is het te betreuren dat wij Hollanders zoo schraal voorzien zijn van Mémoire-litteratuur, een fout die onze Geschiedenis dor maakt, en slechts begrijpelijk voor de zoodanigen die, geen oordeel genoeg hebbende tot niet-begrijpen, volkomen tevreden zijn met ongerijmdheid. De levensloop van Daendels was 'n drama. Dit is optemaken uit het weinige dat officieel van hem bekend is, en uit de vele vertellingen die in de Chinesche kerk omtrent hem in omloop zijn. Een goedgeschreven levensgeschiedenis van dien man zou licht werpen op 'n belangrijk tijdvak onzer historie van den patriottentijd af tot de restauratie toe. Op z'n armzalig knoeijen bij gelegenheid der inlijving van ons landje, wees ik reeds in m'n Idee 515. Wie bij 't lezen van die bijdrage in 't oog houdt dat onze "Maarschalk van Holland" een gewezen patriot was--en een van de vurigsten!--zou verbaasd staan over 's mans verregaande karakterloosheid, indien niet zijn verbazing uitgeput ware door 't letten op de algemeenheid van die kwaal. Ook in 't zeer belangrijk werk van den heer Van Lennep (het leven van Mr. C.v.L. en Mr. D.J.v.L.(*)) vindt men kostbare maar bedroevende bijdragen tot deze waarheid. Wie de Geschiedenis grondiger bestudeert dan uit officieel-goedgekeurde schoolboekjes mogelijk is, zal erkennen dat men zeer zelden in de rei der personen die zij ons te aanschouwen geeft, een karakter aantreft. Toch blijft het de vraag of men Daendels goed zou beoordeelen, indien men alleen achtsloeg op z'n lamlendig gedrag in de maand Februari 1811. Het wantrouwen waarmee eenige jaren later Willem I hem onderscheidde, schijnt aantetoonen dat men hem tot iets buitengewoons in-staat achtte. Z'n benoeming tot gouverneur der Bezittingen op de Goudkust--die heele bezitting stond in belangrijkheid beneden menige kontroleursafdeeling op Java!--die benoeming was 'n soort van gevangenschap. Ik weet van goederhand dat hijzelf de zaak dan ook als zoodanig beschouwde. Bij gelegenheid zal ik eenige staaltjes meedeelen van z'n inborst. Al verdient hij geen plaats onder beroemde mannen, een vreemde verschijning was-i zéker. Dit is al iets in onzen tijd van jammerlijk ordinarisme! (*)Ziedáár Mémoires! Toch blijft het bij de onmiskenbare waarde van dat werk te betreuren dat de schrijver gemeend heeft... hoe zal ik me uitdrukken? Godbewaarme dat ik schandaal zou aanprijzen, maar de menschkundige lezer voelt bij 't volgen van de biografien der beide van Lennepen, dat er hier-en-daar iets moet overgeslagen zijn. Hoe dankbaar ook voor de kostbare bijdragen tot de kennis der zeden van dien tijd, wordt toch het oog vermoeid van de vlekkeloosheid der twee brave Hendrikken waaraan de auteur 't aanzijn dankt. Het gekste is dat Jakob van Lennep zelf noch "brave Hendrik" was, noch lust had er voor doortegaan. Ik gis dus dat de gapingen waarop ik doel, voldoen moesten aan den smaak en de eischen van zeker soort van Publiek, aan welke invloed Mr. Jakob V.L. zich--jammer genoeg!--nooit wist te onttrekken. Juist 'n menschenvrees van zóódanigen aard belette hem de Havelaarszaak dóórtezetten zooals aanvankelijk inderdaad z'n plan was. EDD


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Max Havelaar of de Koffij-veilingen der nederlandsche Handelmaatschappij - Deel 6) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.