Nieuwe Haarlemsche Courant/Jaargang 69/Nummer 23890/De Spaarnekerk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘De Spaarnekerk. Een van Haarlems stamparochies. Parochie ontstaan op de moutzolder van een brouwerij’ door L.T.
Afkomstig uit de Nieuwe Haarlemsche Courant, zaterdag 5 juli 1947, [p. 2]. Publiek domein in de EU.

[ 2 ] DE SPAARNEKERK

Een van Haarlems stamparochies


Nieuwe Haarlemsche Courant vol 069 no 23890 Spaarnekerk.jpg

Parochie ontstaan op de moutzolder van een brouwerij

Een der stamparochies van Haarlem bezochten wij deze week. Het is die, welke gewijd is aan de H. Dominicus en O. L. Vrouw van de H. Rozenkrans, genaamd de Spaarnekerk. Ondanks haar gothisch masker telt deze kerk nog niet het aantal jaren, dat een iedere mens zich graag voorstelt te bereiken. Toch zijn de dubbele titel en de gevelsteen boven de pastorie „De drie klaveren” souvenirs van een historie van drie eeuwen.

De parochie is ontstaan op de moutzolder van brouwerij „De drie Klaveren” aan de Anthoniestraat (vroeger: Achterstraat), waar een Dominicaner pater bijeenkomsten hield. Zijn orde had vóór de onlusten het kloostercomplex in de Jacobijnestraat, waar zij een kerk bediende met twaalf altaren.
 St. Dominicus is – begrijpelijk – de eerste patroon geweest. Spoedig reeds

TORENS ROND DE
OUDE ST. BAAF

heeft al eerder genoemde pater, een ijverige monnik, de „Broederschap van de H. Rozenkrans” opgericht. De moderne devotie tot O. L. Vr. v. d. H. Rozenkrans in de figuur van Maria van Lourdes is hier uiteraard levendig en een kapel is verbouwd tot een natuurgetrouwe grot. De verscholen statie heeft zeer gebloeid, want met 3000 communicanten trad men in de vrijheid. De verbouwde schuilkerk deed dienst tot 1885, in welk jaar de huidige kerk van architect Margry geconsacreerd werd.

In de tweede helft der vorige eeuw zijn zeer veel kerken gebouwd en de versiering er van beleefde een hoogconjunctuur. In de plotselinge en grote behoefte aan glas-in-lood, schilderingen, beelden en „smeed”-werk zal de verklaring opgesloten zijn, waarom zoveel werk uit België en Duitsland in onze kerken prijkt; werk, dat ontstaan is in glas-in-lood- en beeldenfabrieken, welker industrie-producten uiteindelijk hun onpersoonlijke afkomst niet kunnen loochenen.

 Voorzover aan de vraag naar kerksieraden in ons eigen land voldaan kon worden, kunnen wij niet loskomen van de steeds weerkomende idee, dat een groot gedeelte van degenen, die zich met de decoratie bezig hielden, „artisans” waren: kunstnijverheidsmensen, die een vak beoefenden zonder meer.

 De enkele gevallen, die wij ontmoet hebben, dat een beeld of statie een bezieling heeft meegekregen, welke het werkstuk opheft boven de engheid van zijn tijd, is het uit de handen gekomen van de vakman, die tevens kunstenaar was, die dus van zijn begenadigde geest iets kon mee-delen aan de dode materie, welke hierdoor tot leven wordt gewekt. De grootheid van dit kunstwerk wordt dan weer ten dele bepaald door de grootheid van de scheppende geest. Want kunst is scheppen en de kunstenaar leeft dicht bij de Schepper. Kunst is dan ook niet te begrijpen (met het verstand) maar aan te voelen (door het hart).

Na deze benaderende beschouwing over een onderwerp, dat door de leek (en niet alléén door de leek) nogal eens verkeerd beschouwd wordt, keren wij terug naar de Spaarnekerk en tot de aanleiding, die wij er voor onze gedachten vonden. De versiering van de kerk bestaat op enkele uitzonderingen na als uit de gepasteuriseerde room van de neogothieke periode.
 De kruiswegstaties zijn van de Limburgse schilder Windhausen, voor wie de inspiratiebron zelfs iets later ligt dan de gothiek. Zijn werk doet in stijl en kleding der figuren veel denken aan de vroege Duitse renaissance. In de gewjjde personages ontkomt hij niet aan een onoprecht toneelsentiment, maar de profane figuren er om heen zijn sterk en van een persoonlijke opvatting en een rijke, soms anecdotische fantasie.
 De ramencyclus is een typisch product van de glas-in-lood-industrie – uitgezonderd echter het raam vooraan rechts, dat de Hemelvaart tot onderwerp heeft en dat door een geestverwant van Dürer gemaakt kon zijn. Hierbij sluiten wij aan het eerste raam voorbij de doopkapel: „de geseling van Christus”, dat zeer persoonlijk van opvatting is: het werd in grote partijen gehouden, meer genuanceerd dan gekleurd en knap getekend.
 Men neme eens de zeldzame kans waar, hier de proef op de som te nemen op onze beschouwing, nu de twee genres pal naast elkaar te vergelijken zijn.
 Legrelle heeft een tiental jaren terug ramen geplaatst; in het ontwerp is echter te weinig rekening gehouden met het materiaal: glas, waarin het uitgevoerd zou worden; waar dit wèl gebeurd is, heeft hij de spanning niet vol kunnen houden en het resultaat komt niet boven het goed gehanteerd gekleurd glas-in-lood uit.
 Boven de pilaren zijn apostelen en enige beiligen-mèt-karakter gehouwen door de Stracke. Bij een biechtstoel zagen wij een Antoniusbeeld, dat in zijn soort zeer goed genoemd kan worden: van Jan Verdonk een beeldgroep, waarin wij de knielende figuur het meest waarderen.
 Het priesterkoor heeft altaarschilderingen van Brouwer, van wie wij in de Overveense kerk de staties memoreerden[.] Zij hebben alle betrekking op het H. Sacrament: een der taferelen toont Haarlemse Hoeken en Kabeljauwen, die geknield hun eenheid vinden in het Heilig Brood.
 De opstand van het altaar is beschilderd met twaalf apostelfiguurtjes, zó fijntjes van expressie, dat wij het – met respect voor de verheven plaats – betreuren, dat deze slechts door zo weinigen worden opgemerkt. De kandelaars en het goed-moderne altaarkruis zijn van de edelsmid Brom.
 In de sacristie zagen wij het rijkstbewerkte ampullenstel, dat wij tot nog toe onder ogen kregen; de pastorie mogen wij een particulier museum van de pastoor noemen om de rijkdom aan beelden, ikonen, schilderijen en originele prentjes, die wij er hebben bewonderd.

L. T.
Nieuwe Haarlemsche Courant vol 069 no 23890 Kruiswegstatie in de Spaarnekerk.jpg

„Jezus valt onder het kruis”. Kruiswegstatie in de Spaarnekerk