Opregte Steenwijker Courant/Jaargang 53/Nummer 16/Van een Fietstochtje

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Van een Fietstochtje (Zomer 1921)’ door J.P.
Afkomstig uit de Opregte Steenwijker Courant, zaterdag 15 oktober 1921, eerste blad, [p. 4]. Publiek domein.


[ eerste blad, 4 ]

Van een Fietstochtje

(Zomer 1921),

door J. P.


Aan jou, makker uit vroeger dagen, zou ik, na afloop van m’n reisje eens wat vertellen van wat we zooal gezien en gehoord hebben en beleefd. Je wou immers niet mee, zooveel moeite ook, nietwaar, en die passenmisère, al die onkosten en dan dat moeilijke trappen, dat peddelen maar alle dagen! nee maar, als je lekker thuis blijft in de vacantie heb je ’t immers veel gemakkelijker, dan rust je zoo lekker uit! ’t Zijn daar in België, in Duitschland, of waar dan ook, allemaal menschen net als bij ons. Er mogen dan mooie landschappen zijn, maar die kun je op ’n mooie prent ook zien en bovendien: ons eigen land is ook mooi, als je d’r maar oog voor hebt. Waarvoor dat onrustige reizen en trekken. Nee, hoor! ’t is veel beter thuis te blijven! Je slaapt lekker uit, je rookt een beetje je pijp, je vischt een beetje, je fietst een beetje, je doet van alles een beetje en slijt zoo vergenoegd je vacantiedaagjes bij moedertje thuis: kalm en rustig rolt het leven in de vacantiedagen voort!

Schei maar uit, man! je hebt gelijk, doe jij maar zóó, elk zijn smaak.

Maar je wou wel eens hooren, hè, als ik gezond en wel terug was (en dat ben ik, hoor! perfect!) hoe ’t me was vergaan.

En ’k heb je beloofd er wat van te vertellen. Wat ’k bij dezen doe. Echt practisch van je, eerst eens te zien, hoe ’t met ’n ander gaat, welke bezwaren zich al voordeden.

Misschien, misschien, als je m’n beschrijving geheel gelezen hebt, dat je na veel wikken en wegen op ’n ander keer er ook toe kunt besluiten, eens te gaan.

Ik hoop het. En ik hoop ook, dat je ’t een beetje interessant kunt vinden wat ik ga schrijven en als het dat soms niet voldoende is, moet je toch maar doorlezen. Dan denk je maar: de vent kan ’t niet beter; ieder mensch schrijft, zooals hij gebekt is, om niet van vogeltjes en zingen te spreken. Of had ik »gepend« moeten zeggen inplaats van gebekt? Enfin, dat doet er ook niet toe.

Je leest dus maar en met geduld.

Afgesproken?

Komaan, zooals de man tegen de nauwe laars zei, dan zal ik maar met m’n verhaal beginnen.

Ik moest natuurlijk, om gezelligheid op reis te hebben, iemand zoeken, die ongeveer hetzelfde reisdoel had als ik en die overigens ook aan zekere voorwaarden moest voldoen.

Hij zou o.a. een goed fietser moeten zijn, beter dan jij er een bent — kijk nou maar niet boos —, hij moest een zekere mate van reislust bezitten enz. Om kort te gaan: passend gezelschap had ik noodig.

Nou trof ik dat bijzonder, werkelijk zeer bijzonder. Ik kwam n.l. door middel van het orgaan der Nederlandsche Reisvereeniging in kennis met iemand uit Den Haag, ook, evenals ik, lid dezer vereeniging, die ook het plan had een fietstocht door België te maken en die ook voor zoodanigen tocht gezelschap zocht. We schreven mekaar eens over en weer en nog eens en spoedig waren we al overeengekomen, om den tocht gezamenlijk te maken. Ik had den man, om zoo te zeggen nog nooit van m’n leven gezien, evenmin als hij mij; we hadden tot dat oogenblik van elkaars bestaan niet het minste vermoeden, we waren voor elkaar volkomen onbekende groot- of kleinheden, hoe je ’t nemen wilt, maar we schenen al gauw zooveel vertrouwen in elkaar te stellen, dat ’t accoord spoedig werd getroffen en we mekaar als aanstaand reisgenoot accepteerden.

De dag van vertrek werd vastgesteld en die voor mij onbekende grootheid, die nu een vriend is, noodigde mij uit, bij hem een paar dagen te komen logeeren vóór dien tijd. Ik nam natuurlijk die uitnoodiging gaarne aan. Den Haag en Scheveningen zijn voor mij geen onbekende plaatsen. Ik zou er dus gaarne een paar dagen doorbrengen en tevens konden we eens goed kennis met elkaar maken.

En alzoo is het geschied. Ik nam een kaartje voor Den Haag en arriveerde prachtig op tijd in de residentie. Daar zijn we toch maar weer op vooruitgegaan in ons vaderlandje na de mobilisatie. Ik dacht tenminste onwillekeurig even terug aan de vele malen, dat ik voor eenige jaren om plus minus middernacht in Den Haag had moeten aankomen, terwijl het meestal 2 à 3 uur was. Verheugd dus over die tijdige aankomst en ook, omdat die reis weer achter den rug was — want dat lange reizen met den trein verveelt me altijd — liep ik naar de uitgang. Veel menschen stonden er, als meestal, te wachten en ik speurde links en rechts, of ik ook iemand kon ontdekken, die het origineel geleek van het kiekje, dat ik van m’n a.s. reismakker had gezien. Middelmatig van lengte, een forsche opgestreken knevel, dat waren al zoo ongeveer de hoofdkenmerken, die me bij m’n onderzoek ten dienste stonden. En hoewel ik niet zeker was van zijn aanwezigheid bij ’t station, zoo vermoedde ik die toch wel. Edoch, mijn pogen om hem te ontdekken bleef zonder het gewenschte resultaat.

Ik overwoog intusschen, dat, als hij er wel was, hij mij allicht nog wel eerder zou herkennen dan ik hem. Aan mij kon hij immers zien, dat ik iemand zocht en dan, hij had ook ’n portret van me.

Enfin, het resultaat was en bleef nihil. Ik zou dus m’n fiets maar ophalen, die er niet bleek te zijn, tenminste ik vond hem niet onder de groote meningte andere karretjes. Ook niet erg. Dan zou ik den volgenden dag eens weer komen kijken. En toen maar gauw een trammetje. Lijn A zou, naar ik vermoedde, me wel dicht bij ’t huis van den heer L. — dat is de voorletter van mijn reisgenoots naam — brengen. Dat vermoeden bleek bij informatie juist te zijn en ’n kwartier later zat ik thuis bij L.

Hij was juist vóór mij thuis gekomen per fiets van — ’t station. Hoe was ’t mogelijk, dat we mekaar niet hadden opgemerkt! Maar, dat geef je me toe, in zoo’n drukte valt dat nog niet mee; bovendien, we hadden elkaar nog nooit in levende lijve aanschouwd, althans niet bewust. Wij kwamen in elk geval tot de conclusie, dat het nog zoo vreemd niet was, als ’t eerst scheen, temeer daar hij een beetje laat was en ik toen mogelijk al bezig was met m’n vruchtelooze pogingen om mijn fiets machtig te worden. Deze onmisbare reisgezel heb ik intusschen des anderen daags in ontvangst genomen. En om nu kort te gaan, ’k heb een paar dagen prettig gelogeerd bij L; we hebben alles kunnen bespreken en regelen, onze koffertjes in orde kunnen maken bij gezamenlijk overleg en wat dies meer zij en onderhand waren we al gauw aan mekaar gewend, of we elkaar al jaren gekend hadden.

Het deed me genoegen, eens weer langs de bekende straten van Den Haag te kunnen dwalen. Weet je, wat ik nog vooral ook even moest zien? De armzalige overblijfselen van de eertijds zoo sombere Oranje-Kazerne, in onzen soldatenterm meestal als Oranjehotel aangeduid, dat ons zoovele nachtjes gratis logies heeft verschaft. Hoe triest verheffen zich die muurbrokken, zwart berookt en afgebrokkeld min of meer, thans nog in de lucht. Onze zaal zoo of zooveel en later hoekkamer nommer zoo en zoo, ze bestaan niet meer. ’t Doet eigenaardig aan, als je je dan nog weer eens levendig voorstelt, hoe je daar, nog betrekkelijk kort geleden, hoewel het lang schijnt, werd gedrild en van gewoon mensch werd gevormd tot soldaat. Hoe je daar hebt gesprongen, gelooppast, zweedsche gymnastiek hebt beoefend, tot het benauwde angstzweet je uitbrak en je hevige buik- en ruggespierkrampen kreeg, waarvan de instructeur plechtig verklaarde, dat het gezond was.

En hoe je later zelf aangewezen was, om anderen dezelfde kleine martelingen te doen ondergaan, die je zelf zoo dikwijls aan den lijve had gevoeld.

Neen, ik was niet tot tranens toe bewogen, toen ik de ruïne zag: ’t was nooit een geliefkoosd verblijf voor ons geweest.

Ik wil je nu niet langer vermoeien met een voortgezet relaas over Haag of Scheveningen, maar overgaan tot m’n eigenlijk onderwerp:

Onze fietstocht naar en in België.

’s Morgens dan, op den dag van ons vertrek, ontving ik per post mijn pas, dus juist op tijd. L. had dat kleinood reeds eenige dagen in zijn bezit en ’s middags om ongeveer 3 uur bestegen we onze fietsen. Wel een beetje laat, zul je denken en dat is zoo, maar L. kon onmogelijk eerder. We gingen vol goeden moed, ofschoon het stevig windje, dat er waaide, ons zoo nu en dan niet bijzonder gunstig gestemd was. Den Haag moesten we geheel door en daarna ging het via Rijswijk, Delft, Overschie naar Rotterdam. Hetzelfde tochtje heb ik ’n paar jaar geleden eens per voet gemaakt in omgekeerde richting. Bepakt en beladen als lastdieren gingen toen de manschappen van ons bataljon, na eenige dagen in Rotterdam gedetacheerd geweest te zijn, »huistoe.« Huis was in dit geval kamp Waalsdorp bij Den Haag. Dat huistoegaan werkte prikkelend op ons aller stemming in gunstigen zin. Want er werd gezongen onder ’t marcheeren, ik herinnerde het me, nu ’k dezen weg weer nam, nog zoo goed:

Aan den oever van de Rotte,
      Tusschen Delft en Overschie,
Zat een kikvorsch luid te weenen,
      Met een zuig’ling op haar knie.
»Ziet gij daar dien grooten vogel?
      »Ziet gij daar dien ooievaar?
’t Is de moordenaar van je vader,
      »Hij vrat hem op met huid en haar!«

De overige coupletten van dit schoone lied, indien ze er waren, zijn me ontgaan. Maar dat doet er niet toe ook. Je ziet en dat weet je zelf ook, soldaten nemen het in ’t algemeen zoo nauw niet met hun poëzie, en onwaarschijnlijkheden of onjuistheden deren hen niet.

We kwamen dan zonder pech en een beetje warm in de Maasstad aan. Nu was ik en dat ben ’k nog natuurlijk, slechts zeer weinig in die stad bekend: ’k weet er eigenlijk heg noch steg, hoewel ’k er meer geweest was, zooals ’k vertelde; maar toen had ’k wel wat anders te doen dan straatjes maken. Mijn onbekendheid met R’dams straten en pleinen weerhield echter ’n zeker heer niet, me den weg te vragen in dien, voor ’n vreemde, doolhof van wegen. Ik was op dat moment juist m’n kameraad kwijtgeraakt in de drukte, waar we ons met de fietsen doorheen moesten boren; die had het anders mogelijk geweten, want hij was in elk geval ’n beetje bekend in Hollands groote handelstad. Alzoo, een blinde vroeg z’n lotgenoot den weg; ik moest hem dus teleurstellen, wat voor den man natuurlijk zoo erg niet was, aangezien ik veronderstel, dat er wel onder de voorbijgangers zouden zijn, die hem zouden kunnen zeggen, wat hij weten wilde.

Intusschen keek ik al de vier windstreken uit, of ik L. mogelijk tusschen de menigte kon ontdekken. Gelukkig kwam hij al gauw; ’k was hem vooruit gekomen, toen hij moest wachten of afstappen voor ik weet niet wat. Nu is ’t niet bepaald plezierig, als je mekaar in ’n vreemde plaats kwijtraakt; je weet geen van beiden, wat je moet doen, bang, dat het juist verkeerd zou uitkomen en dat elke stap je meer van elkaar verwijdert. We gingen dan verder, de Maasbrug over en bevonden ons op het eiland IJselmonde. ’k Vind, dat je bij die reuzenbrug een mooi vergezicht over de Maas hebt. Dat breede water met zijn enorme verscheidenheid van groote en kleine schepen, groote en kleine masten, dat geheel van drukke leven en beweeg, het maakt zoo’n indruk van levendige en vroolijke welvaart. Daar dringt het pas goed tot je door dat het Nederlandsche volk een handeldrijvend en zeevarend volk is, dat zijn welvaart en ook zijn roem en glorie in vroeger tijd voor een groot deel behaalde op de wijde Oceanen.

Als je fietst volgt het eene tafereel het andere spoedig op. En we waren er niks rouwig om, dat we het R’damsche gewoel weer achter ons en het bij de stad vergeleken eenzame IJselmonde voor ons hadden. Per fiets kun je beter rustiger wegen hebben.

Het tochtje over het eiland duurde niet erg lang. We hadden den nog altijd sterken wind nu rechts-achter en bereikten zoo nogal gauw Zwijndrecht. De pont zou ons overzetten, maar ’t ding gaf ons net de gelegenheid eerst eens te zien hoe of ’t ging. Dat was een kwartier wachtens en daarna staken wij over. Dordrecht hadden we toen. We kregen een beetje haast, want bij den Moerdijk gaat de pont slechts om het uur. Volgens onze berekening konden we die van half zeven meen ik, juist halen, mits we flink optrapten. En dat hebben we gedaan, maar ten koste van ettelijke extra zweetdroppels, want ’t heele traject Dordt—Willemsdorp hadden we vrijwel tegenwind. ’t Heeft ons evenwel niet belet om toch ons doel te bereiken; wel lag de pont bij onze aankomst al gereed, maar we hadden nog de gelegenheid om in het nabijgelegen café zoowel van buiten als van binnen even kalm af te koelen en even te bekomen van de bijna bovenmatige inspanning. Toen die plicht eenigermate naar behooren was volbracht, konden we het tochtje over Hollandsch Diep aanvaarden. Ik zeg plicht, want als je erg bezweet ben, dat zul je wel met me eens wezen, moet je een beetje voorzichtig zijn, niet het minst als je je dan op [’t] water begeeft.

Het water was erg woelig. Groote schuimen[de,] witte koppen botsten tegen de boeg van de fantastisch beladen stoompont. Dat w[as] daar een allegaartje van levende en nie[t-]levende reizenden. Mensch en dier, aut[o,] motor, fiets en rijtuig, alles vond broederli[jk] een plaatsje op de pont. Het ding begon [nu] zoowaar nog aardig te schommelen en toe[n] we het hoofd over de verschansing bogen o[m] het kokende water eens van vlakbij te bezie[n] kregen we een goeie vlaag in ’t gezicht b[ij] wijze van straf over zoo’n verregaande brut[a]liteit. Nu ben ’k een groot liefhebber va[n] water en golven maar dan zonder kleere[n.] ’k Weet nog goed van vroeger, toen ’k mij[n] moeder meer dan eens pijnlijk verraste do[or] met ’n nat pak thuis te komen, da’k me toc[h] altijd behaaglijker voelde in droge dan i[n] natte kleeren. Ik trok me dus liever een beet[je] terug en m’n vriend eveneens, overwegend[e] dat we op reis waren en ver van huis; zic[h] nat laten worden kon altijd nog wel, dachte[n] we. Een clubje Brabantstertjes, dat blijkba[ar] van een fietstochtje huiswaarts keerde, sche[nen] daar wel wat anders over te denken. De dam[es] ondergingen tenminste telkens gewillig d[e] kleine douche van ’t opgezweepte wate[r] Gewillig? ’k Geloof met ingenomenheid, nee[n,] met verrukking bepaald. Want, ’k hoor h[et] immers nog, nu ’k er goed aan denk, dat [—] pardon, dat, hoe moet ’k het nou noeme[n] zie je, ’k wou net zeggen, om waar te blijve[n] dat gegil of gehuil of zoo iets. Maar, ’t is waar, [in] zoo’n geval als dit, pleegt men andere woord[en] te kiezen; zooiets als vroolijk gelach, held[er] welluidend, of mogelijk nog iets mooiers. N[ou] goed, ik wil ook niets te kort doen aan d[e] Brabantsche schoonen en ’k wou je dan allee[n] maar vertellen, dat elke douche door zulli[e] werd ontvangen met een verschrikkelijk vrooli[jk] gegil in koor, en waaruit me gebleken is, da[t] ze in die edele kunst volstrekt niet behoeve[n] onder te doen voor haar soortgenooten in [’t] Noorden.

(Wordt vervolgd).