Othello, De Moor van Venetië (Jurriaan Moulin, 1836)/Derde Bedrijf

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Derde Bedrijf[bewerken]

Eerste Tooneel[bewerken]

Vóór het kasteel. CASSIO, met eenige MUZIJKANTEN.

CASSIO.

Mijnheeren, speelt hier; 'k zal uw moeite loonen:
Iets korts, den generaal tot morgengroet.
De NAR treedt op.

Nar.

Hoe is 't heeren, zijn uwe instrumenten naar Napels
geweest, dat ze zoo door den neus praten?

Muzijkanten.

Hoe zoo, vriend, hoe zoo?

Nar.

Noemt men dit, als ik vragen mag, blaasinstru-
menten?

Muzijkanten.

Voorzeker ja, mijnheer.

Nar.

Hier is geld voor u, heeren: en de generaal heeft
zooveel welgevallen in uwe muzijk, dat bij u om
al wat lief is verzoekt, er geen geraas meer meê
te maken.

1e Muzijk.

Goed, vriend, wij zullen ophouden.

Nar.

Als gij muzijk hebt die men niet kan hooren, zoo
begint op nieuw : maar wat men zoo noemt, mu-
zijk hooren, daar houdt de generaal niet veel van.

1e Muzijk.

Neen, zulke muzijk hebben we niet, vriend.

Nar.

Dan steekt uw fluiten in uw zak, want ik wil voort:
gaat heen; verdwijnt in lucht; marsch.
(De MUZIJKANTEN af.)

CASSIO.

Hoort gij , mijn brave vriend ?

Nar.

Neen, uw brave vriend hoor ik niet; u hoor ik.

CASSIO.

Nu komaan, geene spitsvindigheden. Ziedaar een
stuk goud voor u: als de dame, die des generaals
vrouw gezelschap houdt, op is, zoo zeg haar, dat
zekere Cassio haar een oogenblik wenschte te spre-
ken: wilt gij dat doen?

Nar.

Zij is op, mijnheer; en komt zij dezen weg uit,
zoo zal ik doen als of ik haar dit bekend maakte.
(De NAR af.)
JAGO treedt op.

CASSIO.

Ja, doe dat, vriendlief. — Jago, juist van pas.

JAGO.

Gij zijt dus niet naar bed geweest?

CASSIO.

Wel neen; de dag brak aan
Voordat we scheidden. Jago, 'k was zoo vrij,
Uw vrouw te ontbieden: mijn verzoek aan haar
Is, dat zij mij tot de eedle Desdemona
Toegang verschaffe.

JAGO.

Ik zend haar u terstond;
En zal wel middel vinden om de Moor
Ter zij' te trekken, zoodat gij uw zaak
Te vrijer met haar kunt bespreken.
(JAGO af.)

CASSIO.

Ik dank u needrig. Nergens vond ik ooit
Een vriendelijker, braver Florentijn.
EMILIA treedt op.

EMILIA.

Een goeden morgen, luit'nant: ik betreur
Uw ongena; doch dra wordt alles wel.
De generaal spreekt met zijn vrouw er over,
Die wakker voor u pleit: de Moor herneemt,
Dat hij, dien gij gekwetst hebt, hier veel naam,
En groote bloedverwanten heeft; dat hij
Om wijze reên u af moet wijzen; doch betuigt
Geen voorspraak te behoeven dan zijn hart,
Om u, bij veiliger gelegenheid,
Op nieuw te plaatsen.

CASSIO.

Echter bid ik u,
Geef me, als 't u voegzaam dunkt en mooglijk is,
Gelegenheid tot een kort onderhoud
Met Desdemone alleen.

EMILIA.

Ik bid, kom in;
Ik zal u brengen waar gij ongestoord,
Van vrijer harte spreken kunt.

CASSIO.

Ik ben u zeer verpligt.


Tweede Tooneel[bewerken]

Eene zaal in 't kasteel. OTHELLO, JAGO, en eenige OFFICIEREN.

OTHELLO.

Geef deze brieven, Jago, aan den stuurman;
En zend door hem mijn groet aan den senaat:
Vervolgens — 'k ga intusschen naar de werken, -
Kom daar weêr bij mij.

JAGO.

Goed heer; 't zal geschiên.

OTHELLO.

Mijn heeren, zullen wij dat fort bezien?

Heer. Om u te dienen, generaal.


Derde Tooneel[bewerken]

Vóór het kasteel. DESDEMONA, CASSIO en EMILIA.

DESDEMONA.

Houd u verzekerd, goede Cassio,
Zooveel in mijn vermogen help ik u.

EMILIA.

Doe dat, mevrouw; ik weet, het grieft mijn man,
Als of de zaak hém-zelf betrof.

DESDEMONA.

Een braaf man, inderdaad. Geen twijfel, Cassio,
'k Zal u en mijn gemaal weer vrienden maken,
Als gij te voren waait.

CASSIO.

ô Eedle vrouw,
Wat ooit van Michael Cassio worden moog',
Slechts uw getrouwe dienaar wil hij zijn.

DESDEMONA.

O, 'k dank u, heer: gij mint mijn echtgenoot;
Gij kent hem sedert lang; en wees verzekerd,
Zijn afstand van u zal niet grooter zijn
Dan staatkunde eischt.

CASSIO.

Ja maar, mevrouw,
Die staatkunde is misschien zoo lang van stijl,
Zij teert op zulke slappe waterkost,
Of wordt zoo door omstandigheên gerekt,
Dat, ben ik weg, en is mijn plaats bezet,
Mijn generaal mijn liefde en dienst vergeet.

DESDEMONA.

Neen, vrees dat niet; hier, voor Emilia,
Sta ik u borg voor uwe plaatst: voorwaar,
Beloof ik vriendschapsdienst, zoo houd ik woord
Ten einde toe: ik laat mijn gâ geen rust;
Maak hem door waken tam, praat hem in toorn;
Zijn bed zal hem een school, zijn disch een biechtstoel zijn
Ik meng in alles wat hij immer doet;
De beê van Cassio: daarom dan, schep moed,
Want uw bemidlares wil liever sterven dan uw belang verzuimen.
OTHELLO en JAGO, in 't verschiet.

EMILIA.

Zie, daar komt De generaal.

CASSIO

Verlof, mevrouw, ik ga,

DESDEMONA. Neen blijf, en hoor mij spreken.

CASSIO.

Thans niet, mevrouw, ik ben zeer slecht gestemd,
En ongeschikt voor mijne zaak.

DESDEMONA.

Nu, goed,
Doe als gij wilt.
(CASSIO af.)

JAGO.

Ha! dat bevalt mij niet.

OTHELLO.

Wat zegt gij?

JAGO.

Niets generaal: of — 'k weet niet wat.

OTHELLO.

Was dat niet Cassio die mijn vrouw verliet?

JAGO.

Wie, Cassio, generaal? neen! — 'k denk ook niet,
Dat hij zoo weg zou sluipen als een dief,
Nu hij u komen ziet.

OTHELLO.

'k Geloof dat hij het was.

DESDEMONA.

Hoe gaat het mijn gemaal?
Ik was hier met een smeekling in gesprek,
Een' man dien 't rouwt dat hij u heeft mishaagd.

OTHELLO.

Wien meent ge?

DESDEMONA.

Uw luit'nant Cassio. Dierbre gade,
Indien mijn liefde 't minste op u vermag,
Zoo neem nog heden zijn verzoening aan;
Want, is hij niet de man die trouw u mint,
Die niet met opzet, maar onwetend dwaalt,
Zoo ken ik slecht een eerlijk aangezigt:
k bid u, roep hem weer.

OTHELLO.

Ging hij nu heen ?

DESDEMONA.

Ja waarlijk, zoo bedrukt,
Dat hij mij van zijn droefheid achterliet;
Ik lij' met hem Beminde, roep hem weer.

OTHELLO.

Nu niet, mijn dierbare; op een' andren tijd.

DESDEMONA.

Maar spoedig?

OTHELLO.

Te eerder, liefste, om uwentwil.

DESDEMONA.

Bij d' avondmaaltijd ?

OTHELLO.

Neen, deez: avond niet.

DESDEMONA.

Dan morgen middag?

OTHELLO.

'k Eet dan niet te huis;
'k Onthaal mijne officieren op het fort.

DESDEMONA.

Nu, morgenavond dan; of dingsdagochtend;
Of dingsdagmiddag, — avond; woensdagochtend;
Bepaal den tijd; maar stel het op zijn langst
Drie dagen uit: het is hem hartlijk leed;
En toch — zijn misstap van nabij bezien, —
Ofschoon de besten, zegt men, in den krijg
Een voorbeeld moesten zijn, — is naauw een fout
Om stil te gispen. Wanneer zal hij komen?
ô Spreek, Othello. — Ik verwonder mij;
Wat kondt gij vragen dat ik weigren zou?
Of dralen zoo als gij? — Hoe! Cassio?
Die eens met u kwam vrijen, en die vaak,
Wanneer ik soms misprijzend van u sprak,
Uw zaak bepleitte? — Dat het zóó veel kost,
Voor hem u te bewegen! Ja, 'k zou veel —

OTHELLO.

Ik bid, niets meer: hij kome als 't hem belieft ;
'k Wil u niets weigren.

DESDEMONA.

Nu, 't is geen genade;
Het is als vroeg ik u, draag handschoenen,
Eet voedzame geregten, houd u warm;
Als bad ik u, u-zelven goed te doen:
Neen, heb ik immer een verzoek aan u,
Waaraan 'k uw liefde waarlijk toetsen wil,
Zoo zal 't van groot gewigt en vol bezwaar,
En moeilijk zijn om toe te staan.

OTHELLO.

Ik weigre u niets :
Daarom, verzoek ik, doe mij één genoegen,
Laat mij een oogenblik alleen.

DESDEMONA.

Zal ik u weigren? Neen; vaarwel mijn gâ.

OTHELLO.

Vaarwel mijn Desdemone, ik volg u dra.

DESDEMONA.

Emilia, kom.
(Tot OTHELLO) 't Geschiede naar uw luim;
Wees hoe ge wilt, ik zal gehoorzaam zijn.
(DESDEMONA en EMILIA af.)

OTHELLO.

Voortreflijk wezen! Ja, verderv' mijn ziel,
'k Bemin u! en bemin ik u niet meer,
Zoo is het Chaos weder daar.

JAGO.

Mijn eedle heer, —

OTHELLO.

Wat zegt gij, Jago?

JAGO.

Was Michel Cassio, toen ge uw gade vrijdet,
Van uwe min bewust?

OTHELLO.

Ja, van 't begin
Tot aan het einde: doch, waartoe die vraag?

JAGO.

Slechts ter verklaring van hetgeen ik denk;
Geen kwaad, heer.

OTHELLO.

Jago, hoe van 't geen gij denkt?

JAGO.

'k Had niet gedacht dat hij haar had gekend.

OTHELLO.

ô Ja; hij ging vaak tusschen ons als bode.

JAGO.

Werkelijk? —

OTHELLO.

Werklijk! ja, werklijk: ziet gij daar iets in?
Is hij niet eerlijk?

JAGO.

Eerlijk, heer?

OTHELLO.

Ja, eerlijk.

JAGO.

Mijnheer, zoover ik weet....

OTHELLO.

Wat denkt gij ?

JAGO.

Denken, heer?

OTHELLO.

Ja, denken heer!
Bij God, hij is mijne echo,
Als schuilde er in zijn hersens een gedrogt,
Te afzigtlijk om te toonen. Gij bedoelt iets:
Ik hoorde u zeggen, dat bevalt mij niet,
Toen Cassio heenging; wat beviel u niet?
En toen ik zeide, dat hij de vertrouwling
Van mijn vrijaadje was, toen riept ge, werklijk?
En trokt uw voorhoofd fronslend tot elkaâr,
Als of u op dien oogenblik door 't brein
Een ijslijk denkbeeld voer. Zijt gij mijn vriend,
Zoo zeg mij wat gij denkt.

JAGO.

Gij weet, mijnheer, ik ben uw vriend.

OTHELLO.

'k Geloof het; En daar ik u voor waarheid lievend ken,
En weet dat ge, eer gij spreekt, uw woorden weegt,
Daarom ontstelt uw aarz'len mij te meer:
Want schoon dit bij een' lagen, valschen fielt,
Gewone ranken zijn, bij braven toch
Zijn 't klare blijken van een' strijd der ziel,
Die hare ontroering niet beteuglen kan.

JAGO.

Wat Cassio aangaat,
Ik zweer dat ik den man voor eerlijk hoû.

OTHELLO.

Zoo denk ik ook.

JAGO.

Men moest zijn wat men schijnt;
En die dat niet zijn, moesten 't ook niet schijnen.

OTHELLO.

Gewis , een elk moest zijn hetgeen hij schijnt.

JAGO.

Nu, 'k hoû dan Cassio voor een eerlijk man.

OTHELLO.

Neen, neen; daar schuilt meer achter.
Ik bid u, spreek met mij als met u-zelv',
Gelijk gij denkt; en denkt gij 't ergst, gebruik
Ook de ergste woorden.

JAGO.

Generaal, vergeef,
Ik ben tot alle dienst verpligt, maar niet
Tot iets dat van geen slaven wordt gevergd.
Mijn meening uiten? Zij ze laag en valsch,—
Waar vindt men een paleis waar 't slechte soms
Niet binnendringt? wiens boezem is zoo rein,
Waar deze of' die onzuivere vermoedens
Niet medezitten, en de vierschaar spannen
Met wettige gedachten?

OTHELLO.

Jago, uw vriend verraadt ge, indien gij slechts
Vermoedend dat men hem verongelijkt,
Zijn oor vervreemdt van uw gedachte.

JAGO.

Ik smeek u, —
Ofschoon ik ligt in mijn vermoeden dwaal,
En ik belijde u, 'k ben er toe gedoemd,
Verkeerdheên uit te vorschen, en mijn argwaan
Schept feilen die vaak niet bestaan, — ik smeek u
Op iemand die zoo overijld verdenkt,
Geen acht te slaan, of u te verontrusten
Door zijn verstrooide, onzekre waarneming:
Het deugt noch voor uw rust noch voor uw heil,
En 't strijdt met mijn karakter, eer, en doorzigt,
U mee te deêlen wat ik denk.

OTHELLO.

Wat meent ge?

JAGO.

Een goede naam is, waarde generaal,
Voor man en vrouw 't onmidlijk zielskleinood:
Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; 't is iets — 't is niets;
't Mijn werd het zijne, en diende duizenden:
Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,
Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,
En mij volstrekt verarmt.

OTHELLO.

'k Bezweer u, weten wil ik wat gij denkt.

JAGO.

Dat kunt gij niet, hadt ge ook mijn hart in handen;
Noch zult het, zoolang ik het nog bewaar.

OTHELLO.

Ha! —

JAGO.

Heer, ó hoed u toch voor jaloezij!
't Is een groenoogig ondier, dat de prooi
Die 't voedt bezoedelt: heil, wie horens draagt,
En van zijn lot bewust, de schendster haat;
Dan ach, wat bittere oogenblikken telt
Wie mint, maar twijfelt; argwaant, en aanbidt!

OTHELLO.

ô Jammer!

JAGO.

Wie arm is en tevreên is rijk genoeg;
Doch Krezus schat is arm gelijk de winter,
Voor hem die onophoud'lijk armoê vreest.
Bewaar, ô God, de harten mijner vrienden,
Voor jaloezij!

OTHELLO.

Hoe! — waartoe dat? —
Denkt gij dat ik jaloerschheid dulden zou,
En vallen met het wislen van de maan,
Van arg- in argwaan? neen! één twijfeling,
En alles is beslist! noem mij een' hals,
Wanneer ik mijne zielsgepeinzen rigt
Naar hersenschimmen, ijdel als de lucht,
Die gij u inbeeldt, 't Maakt mij niet jaloersch,
Al zegt men ook, uw vrouw is schoon, gezellig,
En wel ter taal; zij zingt, speelt en danst goed;
Waar deugd is wordt dat alles nog verhoogd:
Ook put ik niet uit mijn geringe waarde
De ligtste vrees, of twijfel aan haar trouw;
Zij zag me, en koos mij toch: neen, Jago; neen!
Zien wil ik eer ik twijfel; dan bewijs;
En is 't bewezen, niets rest mij dan meer,
Dan — weg op eens met liefde en jaloezij!

JAGO.

Nu, dat verheugt mij; want nu heb ik grond
Mijn liefde en trouw te toonen jegens u,
Met vrijer geest. Gelijk mijn pligt gebiedt,
Zoo neem hét aan: nog zwijg ik van bewijs.
Let op uw vrouw; sla haar met Cassio gade,
Bestuur uw oog; wees noch jaloersch, noch zorgloos:
Ik woû niet dat uw edel, fier gemoed
Verschalkt wierd om zijn goedheid: zie wel toe:
De zeden van ons land zijn mij bekend;
Zij laten daar den hemel moedwil zien,
Dien zij den man verbergen; 't reinst geweten
Spreekt daar niet van vermijden, maar bedekken.

OTHELLO.

Ei, meent gij dat?

JAGO.

Haar vader sluw misleidend, trouwde ze- u;
En als zij voor uw' blik te huivren scheen,
Beminde ze u het teêrst.

OTHELLO.

Juist.

JAGO.

Bij gevolg,
Zij die zoo jong het veinzen zoo verstond,
Haars vaders oogen zoo te doeken wist,
Dat hij 't voor toovren hield, — maar 'k ben te laken,
Dat ik te zeer u min.

OTHELLO.

'k Ben eeuwig u verpligt.

JAGO.

Dit heeft u, zie ik, min of meer onthutst.

OTHELLO.

Volstrekt niet, neen.

JAGO.

Geloof me, ik vrees van ja:
Maar 'k hoop, gij zult bevroeden, wat ik zeide
Komt voort uit vriendschap, — doch gij zijt ontroerd -
Mag ik u bidden, strek mijn woorden thans —
Niet verder of tot nog iets ergers uit,
Dan tot verdenking.

OTHELLO.

Neen.

JAGO.

Heer, als gij 't deedt,
Zoo kon mijn taal tot grooter onheil leiden
Dan ik bedoelde. Cassio is mijn vriend: —
Ik zie gij zijt ontsteld, heer.

OTHELLO.

Neen, niet zeer.
Bij mij staat Desdemonaas kuischheid vast.

JAGO.

Lang bJijv' ze zoo, en gij lang in dat denkbeeld.

OTHELLO.

En echter — als natuur eens afgedwaald —

JAGO.

Daar zit de knoop: — ik spreek met u ronduit, —
Zoo menig huwlijksaanzoek af te slaan,
Van jongelingen van haar land, kleur, rang,
Waartoe wij toch natuur genegen zien,
Verraadt dit niet een hoogstligtvaardig hart?
Een wulpsche grilligheid der fantazij?
Dan ô, vergeef me, -ik spreek veronderstellend,
Juist niet van haar; hoewel ik bijna vrees
Dat ze, als haar neiging met haar rede strijdt,
U mooglijk met haar landsliên vergelijkt,
En ligt berouw gevoelt.

OTHELLO.

Vaarwel, vaarwel:
En als gij meer ontdekt, zoo zeg mij meer;
Maak ook uw vrouw opmerkzaam: Jago, ga.

JAGO.

Mijn generaal, ik ga. (Heengaande.)

OTHELLO.

Waarom toch huwde ik? Ja, dees brave borst
Ziet meer, en weet meer, veel meer dan hij zegt.

JAGO.

Mijn generaal, als ik u bidden mag,
Vorsch thans niet dieper; laat de zaak haar tijd:
En schoon 't niet kwaad is Cassio weer te plaatsen,
Daar hij met veel beleid zijn post bekleedt,
Toch bid ik, houd hem nog een poosjen op;
Gij leert daardoor hem en zijn middlen kennen:
Geef acht, of ook uw gade op zijn herstel
Onstuimig en met klem van reden dringt,
Waaruit veel blijken kan. Intusschen, denk
Dat ik mijn achterdocht wat overdrijf, —
Want inderdaad, ik vrees daarvoor met grond, —
En wil haar niet verdenken; 'k bid u, heer.

OTHELLO.

Vertrouw mijn overleg.

JAGO.

Nog eens, vaarwel. (Af.)

OTHELLO.

Die man is bij uitnemendheid regtschapen;
Zijn geest is doorervaren en volleerd
In 's menschen wandel. Is de valk verwilderd.
Al zij zijn snoer de zenuw van mijn hart,
Ik fluit en laat hem drijven met den wind,
Op goed fortuin. Vermoedlijk wijl ik zwart
En onbedreven ben in 't zoet gekout
Van hoofsche pronkers; of omdat mijne jaren
Zich dalwaarts neigen, — maar dat is niet veel, —
Ging zij verloren, 'k Ben verschalkt; mijn troost
Is dat ik van haar walg. ô Vloek des echts,
Dat wij die teedre schepslen de onze noemen,
En hare neiging niet! Ik leef veel liever
Gelijk een padde, in vunsen kerkerdamp,
Dan dat een deel van haar die ik bemin
Een ander hoort. Maar 't is der grooten plaag;
Zij hebben minder voorregt dan 't gemeen;
Dat lot is onvermijdlijk als de dood;
Ons zweeft de plaag der hoornen boven 't hoofd,
Van dat we ons roeren: Desdemona komt:
DESDEMONA en EMILIA treden op.
Indien zij valsch is liegt de hemel-zelv'! —
'k Geloof het nooit.

DESDEMONA.

Gij hier, mijn dierbre Othello?
Het middagmaal en 's eilands eedlen stoet,
Door u genoodigd, wachten op uw komst.

OTHELLO. Ik doe niet wel.

DESDEMONA.

Hoe is uw spraak zoo dof? zij t gij niet wel?

OTHELLO.

Ik voel een drukking op mijn voorhoofd hier.

DESDEMONA.

Dat is van 't waken; 't zal weêr overgaan.
Laat mij u binden met mijn doek; een uur,
En 't is voorbij.

OTHELLO.

Uw neusdoek is te klein;
(Hij werpt den doek weg , die op den grond valt.)
Daar weg mee: kom, 'k wil met u binnengaan.

DESDEMONA. Het spijt mij zeer dat gij onpaslijk zijt.

(OTHELLO en DESDEMONA af.)

EMILIA.

'k Verblij me dat ik dezen zakdoek vond;
Het was des Mooren eerst geschenk aan haar:
Mijn wondre man verzocht mij honderdmaal,
Ik zou hem stelen: 't blijk is haar zoo lief,
(Want hij bezwoer haar 't altoos te bewaren,)
Dat zij 't gestadig bij zich draagt, het kust,
En aanspreekt. Het borduurdsel teekne ik af,
En geef hem Jago:
De hemel weet wat hij er mee bedoelt;
Ik doe het om zijn luimen te voldoen.
>>>