Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/105

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 81 —

grooter schijnt te worden dan 10 à 15 R. duimen, waarom zij door van lier ook tot "de Pygmeën onder de slangen" is gebragt.


Albumdernatuur52-53 0105.png


Zij heeft eene deels als staal, deels als koper glinsterende kleur. De oogen zijn naauwelijks zigtbaar, waarom zij ook "blindworm" is geheeten. De kop gaat ongevoelig over in het ligchaam; in het geheel vertoont zij eene groote overeenkomst in uitwendigen bouw met de gewone aard- en rolronde ingewands-wormen. Ook dit kleine diertje staat bij het volk als "zeer vergiftig" te boek,—niet tegenstaande het volstrekt niet te vreezen is, daar het geen spoor van gifttoestel bezit. Dit zoogenaamde slangetje draagt zijnen naam (fragilis, breekbaar) wegens de groote broosheid van den staart. Men behoeft het onder sommige omstandigheden maar even met een rijsje te slaan, om het, als glas, in twee of meer stukken te zien springen.

Na deze kleine uitweiding terugkeerende tot de giftslangen, treft men in de derde afdeeling, nevens de Vipera, het geslacht Trigonocephalus aan. Dit geslacht bevat de beruchte driehoekskopslangen, dus genaamd om de kantige, hoekige gedaante van het hoofd, dat ook met den vorm van een hart wordt vergeleken. Men vindt deze hoogst gevaarlijke tropische slangen, die eene grootte van 4 tot 6 R. voeten kunnen bereiken, op eenzame plaatsen, zoowel in de bosschen en in de savannes of grasvelden, als op vochtige plaatsen, zelfs tot aan de zeekusten. Kortom, men kan ze dáár te lande overal verwachten. De voornaamste soorten van dit uitgebreid en menigvuldig geslacht,—zij leggen 30 eijeren op eens,—zijn: De Trigonocephalus Jararacca, de "Braziliaansche adder" geheeten. Zij is, even als de overige in deze reeks, daarom zoo verraderlijk, omdat ze zich bijna altijd onder bladeren en boomschors verscholen houdt;—de Trig. viridis, de groene slang, daarom ook parrot snake of "papegaaislang" bijgenaamd, die des te gevaarlijker is, dewijl men haar, even als andere groene soorten, in het gras nog moeijelijker ontdekt;—de Trig. atrox, de vreeselijke Labaria van Engelsch Guyana, die