Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/175

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 151 —

van klachten, waaraan dus het eene aan het andere evenredig is, en eene natuurlijke normale ziekte is een onding. Zoo als grijsheid op zich zelve geen marasmus of uittering is, even zoo weinig is het stompzinnigheid en geesteloosheid."

Integendeel, hetgeen velen als gebreken des ouderdoms schilderen, is eene wijze harmonische beschikking. Het hoofdkarakter van den grijzen is, dat hij meer in zich zelven gekeerd is, minder door de buitenwereld wordt geschokt en minder naar buiten werkt. Wij zullen trachten den zin en het schoone van deze schikking aan te toonen.

De veranderingen, die in zijn ligchaam zijn voorgevallen, brengen veel, ja alles toe, om den grijzen in zijn handelen en doen van den krachtigen man te onderscheiden.—De grijze bezit niet meer de levendigheid der jeugd, noch de kracht van den man; hij wordt niet meer zoo sterk door het dagelijks hem voorbijgaande aangedaan, en zijne verkeering met de buitenwereld is minder levendig geworden, hij is meer in zich zelven gekeerd; maar dit alles is een natuurlijk gevolg van de veranderingen, die in zijn ligchaam hebben plaats gegrepen. Zijne zintuigen zijn stomper, zijne spieren zijn zwakker geworden, en daardoor verdooven van zelve de indrukken, die hij ontvangt, en de kracht en werkzaamheid naar buiten; hij deelt niet meer in het levendige gedruisch der jeugd, hetgeen hem vermoeit, en wat hij niet meer volgen kan; de neiging tot stilte en rust integendeel is hiervan de natuurlijke uitwerking en deze neemt bij hem toe.

Zoo als echter zijn bloedsomloop bij hem vertraagd is, en het hart minder krachtig en levendig klopt, terwijl zijne zenuwen verstompen en trager en minder heftig op indrukken antwoorden, wordt hij ook minder door hartstogten opgewekt; zijne begeerten zijn, gelijk cicero reeds zoo voortreffelijk in zijnen Cato schildert, matiger, hij is minder driftig en hartstogtelijk, en bij deze mindere levendigheid van zijn gestel en fantasie, hebben bij hem het kalme bedachtzame verstand en juist oordeel, door langdurige ervaring gerijpt, meer den boventoon. De waarde der dingen in het wisselend leven heeft hij leeren kennen, en wordt door het