Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/187

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 163 —

werp wil ik thans dadelijk noemen, op het gevaar af dat men het een belagchelijke sprong zal achten van het hooge standpunt, waarop de vorige denkbeelden ons plaatsten. Ik wil over den Haring spreken, en zal mij gelukkig achten, zoo ik aan het eind mijner mededeeling mijne lezers weder tot de hoogte, waarvan wij nu eensklaps afdalen, langzamerhand heb teruggebragt; zoo ik hen overtuigd heb, dat het kleine met het groote één geheel uitmaakt, en dat ook visschen de middelen kunnen zijn tot de grootheid der volken; gelukkiger nog—mogt het mij gelukken—zoo ik hen overtuigd heb dat de aanvang mijner rede niet te hoog gestemd was, en dat er nog meer en grooter dingen, dan het verkeer der volken en de welvaart van natiën met ons onderwerp verbonden zijn. [1]

Wie in ons vaderland kent den haring niet? Gewoonlijk is hij slechts 10 duim lang; een haring van 11 duim lengte, dien leeuwenhoek onderzocht, noemde deze natuurkenner reeds zeer groot. In het museum van Bergen in Noorwegen heeft men er echter van 13 duim. In het Noorden wordt de haring grooter dan in de zee aan onze en aan de Britsche of Fransche kusten. De haring is een bij uitstek typische visch, dat is: een visch, waarin zich het kenmerk der klasse duidelijk in eenen regelmatigen en van vreemde toevoegsels ontdanen vorm voor ons oog vertoont. Een zamengedrukt ligchaam, wel ontwikkelde borst- en buikvinnen, een breede diep gevorkte staartvin, en de rugvin bijkans op het midden van den rug, dit alles doet ons den snellen zwemmer kennen. Zonder bijzonder sieraad van vlakken of afgeteekende kleurschakeringen, is echter de blaauwgroene rug in een voor het oog beha-

  1. De hoofdbronnen, waaruit ik de onderscheidene daadzaken geput heb, zijn de werken van duhamel, Traité des Pesches, II. 3. p. 335–418; houttuyn Nat. Hist. volgens het samenstel van den heer linnaeus, I Dl. 8e Stuk bl. 283–331; en vooral valenciennes in cuvier et valenciennes Hist. natur. des Poissons, XX. 1847 p. 30–242. De stof is te rijk voor eene enkele bijdrage. Ik heb daarom ook slechts spaarzaam gebruik kunnen maken van al 'tgeen ik opgeteekend vond, waarbij ik nog voegen moet de uitvoerige en met vele zorg opgestelde Dissertatie van w.t. gevers deynoot. (Specimen oeconomico-politico-juridicum inaugurale de magno sive Halecum Piscatu belgico. LB. 1829)