Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/267

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 243 —

om zoo te spreken, alle de Noctiluken op zijnen weg ontvlammen, en voor een oogenblik verandert zich de buis als het ware in eene staaf van schitterend vuur, doch hetwelk spoedig wordt uitgedoofd, en dat niet weder kan worden te voorschijn geroepen, want de diertjes zijn dood, zij hebben hunne eigene lijktoorts ontstoken.

Zietdaar, mijne lezers! u een algemeen overzigt gegeven van de merkwaardige verschijnselen, welke men onder den algemeenen naam van het lichten der dieren begrepen heeft. Het is echter voor den denkenden mensch niet voldoende, dat hij den indruk ontwaart, dien het bestaande op zijne zintuigen maakt. Hij tracht zich ook rekenschap te geven van het hoe en het waarom der natuurverschijnselen, hij zoekt hunne oorzaken en gevolgen op te sporen, het verband te doorgronden, waarin zij staan tot andere natuurverschijnselen, en, eerst wanneer die pogingen met goed gevolg bekroond worden, klimt zijne kennis tot wetenschap.

Talrijke vragen dringen zich hierbij aan ons op. Vooreerst: welke is de beteekenis van dat merkwaardig vermogen van sommige dieren, zoowel met betrekking tot henzelven als tot de hen omringende natuur? Met andere woorden, welke nuttige strekking kunnen wij daaraan toekennen?

Het streven, om de nuttige bedoelingen te doorgronden, die de Schepper kan gehad hebben met aan sommige dieren vermogens toe te deelen, welke hij aan andere onthouden heeft, hoezeer voortspruitend uit lofwaardige beginselen, en niet zelden leidend tot eene juistere inzage van de heerlijke harmonie der geheele natuur, is in zeer vele gevallen geheel onvruchtbaar, om de hoogst eenvoudige reden, dat onze kennis uiterst beperkt is. Willen wij met den oneindig kleinen maatstaf, welken die kennis ons aan de hand geeft, de oneindig groote wijsheid des Alwijzen meten, dan loopen wij ieder oogenblik gevaar van die wijsheid, welke tevens de hoogste goedheid is, te miskennen, door haar bedoelingen toe te schrijven, die eene latere onbevangene overweging ons doet inzien als haar geheel vreemd en alleen in onze verbeelding bestaande. Zoo b.v. zijn er geweest, die de wijsheid Gods daarin meenden te zien, dat Hij in de onpeilbare diepten der zee, waar geene lichtstralen meer